Vreemdelingenrecht
Beroep – AMBv – Frankrijk – interstatelijk vertrouwensbeginsel – ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31784 · Rechtbank Den Haag · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31784
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.62815
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31784
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep – AMBv – Frankrijk – interstatelijk vertrouwensbeginsel – ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.62815
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2005 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 september 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMB-verordening). Op grond van de AMB-verordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
In dit geval heeft Nederland aan Frankrijk op 17 september 2026 een kennisgeving inzake terugname gestuurd. Frankrijk heeft de kennisgeving op 1 oktober 2026 bevestigd.
Bezwaren tegen overdracht
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk kenbaar te maken alvorens verweerder daarover een besluit zou nemen.
De rechtbank volgt eiser hierin niet nu uit het rechtbankdossier blijkt dat eiser bij brief van 14 september 2026 is meegedeeld dat hij redenen kan aangeven waarom hij vindt dat hij niet aan Frankrijk mag worden overgedragen. Op 15 september 2026 is eiser gekoppeld aan zijn gemachtigde en verweerder heeft het bestreden besluit op 9 oktober 2026 genomen. Eiser heeft hiermee voldoende gelegenheid gekregen om zijn bezwaren tegen een overdracht kenbaar te maken maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiser doet een beroep op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2026 en stelt dat verweerder niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. In de door eiser aangehaalde uitspraak is namelijk overwogen dat uit het AIDA-rapport van mei 2026 (update 2025) volgt dat slechts 20,2% van de Dublinterugkeerders en asielzoekers die in Frankrijk in de Dublin-procedure worden behandeld en vanuit Frankrijk worden overgedragen aan een andere lidstaat in aanmerking komen voor opvang in Frankrijk. 80% van hen leeft op straat of in kraakpanden. Dit is een daling van bijna 10%met het geschetste beeld in het AIDA-rapport van juni 2025 (update 2024).
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 dat het door eiser genoemde percentage van 20.2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’ ofwel Dublinterugkeerders. De rechtbank leest het volgende in het rapport: At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).’Daar waar in de zin ervoor wordt gesproken van ‘applicants or returnees’, betreft de 20.2% naar het oordeel van de rechtbank alleen de ‘applicants’. Hieronder begrijpt de rechtbank asielzoekers die naar Frankrijk zijn gekomen om asiel aan te vragen en voor wie de Franse autoriteiten bij een ander land, of andere landen, een claimverzoek indienen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd op twee andere plekken in het rapport. Het gaat hier dus niet om Dublinterugkeerders die vanuit een ander land, in het kader van de Dublinprocedure, zijn overgedragen aan Frankrijk.
Voor zover sprake zou zijn van een achteruitgang van opvangplekken voor Dublinterugkeerders en Dublinclaimanten, vindt dit naar oordeel van de rechtbank geen grondslag in het rapport. De rechtbank overweegt dan ook dat die stelling niet voldoende is om aan te nemen dat de opvangsituatie is veranderd of verslechterd ten opzichte van de situatie die door de Afdeling is betrokken in vaste rechtspraak. Ook heeft de Afdeling zeer recent bevestigd dat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 31 juli 2025 is betrokken. Voor zover eiser stelt dat er een achteruitgang is in opvangplekken in Frankrijk, heeft hij dit niet onderbouwd en ziet de rechtbank niet in waarom hij in een staat van materiële deprivatie zou terechtkomen bij overdracht aan Frankrijk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl..
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.