Vreemdelingenrecht

De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager…

Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
NL26.13821
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32265
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. Ook heeft de minister de slechte humanitaire situatie in Syrië niet op de juiste wijze meegewogen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.13821

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

Geboren op [geboortedatum] 1977, van Syrische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. Konstapel).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

1.1.

Eiser heeft op 14 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.2.

De minister heeft op 28 september 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en I. Zyad als tolk in de Arabische taal (Syrisch).

Beoordeling door de rechtbank

Het toepasselijk recht

2. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact inwerking getreden. In dat kader zijn onder meer de Vw 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw 2000 en het Vb 2000 zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat zijn aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw 2000 en het
Vb 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

3. Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is een staatloze Palestijn en is afkomstig uit [plaats] in Damascus. Vanwege zijn Palestijnse afkomst heeft hij problemen ondervonden in Syrië. Zo is hij meerdere keren uit de bus gezet. In 2018 heeft eiser Syrië verlaten en heeft hij vervolgens vijf jaar in Turkije gewoond. Bij terugkeer vreest eiser wederom gediscrimineerd te worden omdat hij Palestijn is. Daarnaast is hij twee keer gewond geraakt door willekeurig geweld tijdens de oorlog. Hij vreest dat dit nog een keer gaat gebeuren. Ook vreest eiser problemen vanwege zijn illegale uitreis.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:

  1. identiteit, dat hij een staatloze Palestijn is, en zijn land van gebruikelijke verblijfplaats;

  2. problemen door discriminatie vanwege zijn Palestijnse afkomst;

  3. problemen door de oorlog;

  4. illegale uitreis.

4.1.

De minister vindt het eerste, derde en vierde asielmotief geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft ondervonden door discriminatie vanwege zijn Palestijnse afkomst vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat zijn verklaringen over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder vindt de minister dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Volgens de minister is de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van dat verdrag niet op eiser van toepassing omdat hij geen bescherming of bijstand heeft genoten van de ‘United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East’ (hierna: UNRWA) kort vóór of direct voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland. Ook vindt de minister dat de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden niet te herleiden zijn tot een van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de geloofwaardig geachte asielmotieven een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst stelt eiser dat zijn aanvraag inhoudelijk als staatloos moet worden behandeld. Daarnaast heeft de minister de door eiser ondervonden discriminatie ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Het is namelijk algemeen bekend dat Palestijnen in Syrië gediscrimineerd worden. Verder voert eiser aan dat de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is en hij om die reden een verblijfsvergunning dient te krijgen. Subsidiair heeft eiser vanwege zijn Palestijnse afkomst een gegronde vrees voor vervolging. Ook loopt hij vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De situatie is sinds de nieuwe regering niet verbeterd. Gelet op de aangevoerde gronden dient eiser een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden te krijgen. Ook wordt ten onrechte geen uitstel van vertrek verleend vanwege eisers medische gesteldheid. Tot slot verzet eiser zich ook tegen de oplegging van het inreisverbod.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

7. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser de beroepsgrond ten aanzien van het verlenen van uitstel van vertrek vanwege medische omstandigheden op de zitting van 30 september 2026 heeft laten vallen. Daarnaast heeft eiser op de zitting toegelicht dat de beroepsgronden die zien op de verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden en de beroepsgrond gericht tegen het terugkeerbesluit, samenhangen met de gronden die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië.

Behandeling van de aanvraag als staatloze Palestijn

8. Voor zover eiser aanvoert dat zijn aanvraag inhoudelijk als staatloos had moeten worden behandeld, slaagt deze beroepsgrond niet. In zowel het voornemen, het bestreden besluit en het verweerschrift heeft de minister namelijk al bevestigd dat wordt aangenomen dat eiser een staatloze Palestijn is en dat zijn aanvraag ook als zodanig is behandeld.

Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag

9. Ingevolge artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag zijn Palestijnse vreemdelingen die bescherming of bijstand genieten van de UNRWA uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Is die bescherming of bijstand door de UNRWA echter opgehouden, dan hebben deze personen automatisch, ongeacht het asielrelaas, recht op de vluchtelingenstatus, de uitsluitingsclausule, uitzonderingen daargelaten. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag heeft rechtstreekse werking. Dit maakt dat in ieder asielbesluit getoetst dient te worden aan dit artikel. Indien dit artikel niet van toepassing is, dient alsnog getoetst te worden of de vreemdeling op basis van zijn asielrelaas een gegronde vrees heeft voor vervolging.

9.1.

De rechtbank overweegt dat uit recente jurisprudentie volgt dat voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling binnen de reikwijdte van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt, niet zozeer doorslaggevend is of hij is geregistreerd bij de UNRWA, maar vooral of hij kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. Dit criterium volgt uit het arrest El Kott van het Hof waarin is bepaald dat de uitsluitingsclausule ook van toepassing is op diegenen die de bijstand daadwerkelijk hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat. Indien de vreemdeling is geregistreerd bij de UNRWA, is dan ook onderzoek nodig naar de vraag of de vreemdeling daadwerkelijk bescherming van UNRWA heeft genoten.

9.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op de eisers asielaanvraag van toepassing is. Eiser heeft immers na zijn vertrek uit Syrië in 2018 vijf jaar in Turkije verbleven voordat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser dus niet daadwerkelijke bescherming of bijstand van de UNRWA genoot direct voorafgaand aan of kort vóór zijn asielaanvraag in Nederland.

Gegronde vrees voor vervolging als staatloze Palestijn

10. Voor zover eiser aanvoert dat hij als staatloze Palestijn in Syrië een gegronde vrees heeft voor vervolging, slaagt deze beroepsgrond niet. Allereerst overweegt de rechtbank dat eiser met de enkele stelling dat het algemeen bekend is dat Palestijnen in Syrië worden gediscrimineerd, zonder dit nader te onderbouwen, de geloofwaardigheid van zijn gestelde discriminatie vanwege zijn Palestijnse afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu de gestelde discriminatie niet geloofwaardig is geacht, heeft de minister terecht gesteld dat de vrees voor die discriminatie niet aannemelijk is. Daarnaast heeft de minister terecht betrokken dat uit het ambtsbericht van mei 2025 blijkt dat Palestijnse vluchtelingen wettelijk gezien bijna dezelfde rechten hebben als Syrische staatsburgers en dat niet is gebleken van zodanig algemene, ernstige discriminatie dat sprake is van stelselmatige vervolging van Palestijnen in Syrië. Eiser heeft nagelaten deze concrete landeninformatie gemotiveerd te betwisten. De enkele stelling dat het algemeen bekend is dat Palestijnen in Syrië worden gediscrimineerd, is ook daarvoor onvoldoende.

De algemene veiligheidssituatie in Syrië

11. In de uitspraak van 17 juli 2024 heeft de Afdeling het toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y van het Hof uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

11.1.

De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 in zijn beleid drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:

 uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;

 relatief hoger niveau van willekeurig geweld;

 relatief lager niveau van willekeurig geweld.

Het beleid vermeldt verder dat, als er sprake is van een relatief hoger of relatief lager niveau van willekeurig geweld, de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat:

 de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en,

 juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé-, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risicoverhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.

11.2.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 16 juli 2025 de feiten en omstandigheden besproken die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling noemt – onder verwijzing naar verschillende arresten van het Hof – de volgende elementen:

 de algemene veiligheidssituatie;

 de regionale spreiding van het geweld;

 de gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;

 de veiligheidsstructuur;

 het gebied van terugkeer;

 de ontheemden;

 de humanitaire omstandigheden.

11.3.

Tot 10 juni 2025 stelde de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake was van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld en dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid in Syrië een reëel risico liep op ernstige schade. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft de minister naar aanleiding van het in mei 2025 verschenen algemeen ambtsbericht inzake Syrië het nieuwe landgebonden beleid voor Syrië aangekondigd. Vanaf dat moment gaat de minister voor heel Syrië uit van de laagste gradatie (‘relatief lager niveau’) van willekeurig geweld. Volgens deze brief was de primaire bron van onveiligheid het regime van president Assad en dat regime is op 8 december 2024 gevallen. Volgens de minister is sinds de val van het regime sprake van een redelijke verbetering van de algemene veiligheidssituatie.

12. Ook in deze zaak gaat de minister uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister onderbouwt dat – kort weergegeven – als volgt. Over het algemeen is het aantal burgerslachtoffers in Ruraal Damascus sinds de machtsovername laag gebleven, gelet op het aantal inwoners. Zelfs als alle burgerslachtoffers gevolg zouden zijn van willekeurig in plaats van gericht geweld, is het aantal te beperkt om te concluderen dat er een hoger risico is op willekeurig geweld. De veiligheidssituatie is daarom weliswaar fragiel, maar er is slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Dit betekent dat er sprake moet zijn van individuele omstandigheden die het risico op willekeurig geweld verhogen, om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De individuele omstandigheden moeten meer gewicht hebben, naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is, om te kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft volgens de minister geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat hij vreest om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser Palestijn is en dat hij stelt om die reden te vrezen, maakt dit volgens de minister niet anders. Allereerst zou het in dat geval gaan om gericht geweld. Maar daar is volgens de minister geen sprake van, dit gestelde gerichte geweld ziet toe op een asielmotief wat ongeloofwaardig is geacht. Daarom wordt eisers vrees bij terugkeer naar Syrië door de minister niet gevolgd.

13. De rechtbank verwijst ten aanzien van de beoordeling van de algemene veiligheidssituatie naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook in de onderhavige zaak onvoldoende onderbouwd waarom voor heel Syrië, en daarmee ook Ruraal Damascus, kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser wijst er terecht op dat de situatie na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus is. Hoewel het geweld in de loop van 2025 inderdaad is afgenomen, in de zin dat er eind 2025 minder geweldsincidenten waren dan begin 2025, is het totale aantal burgerslachtoffers in 2025 bijna viermaal zo hoog als in 2024. Bovendien zijn de uitbarstingen van geweld die in die periode hebben plaatsgevonden, heftig en onvoorspelbaar geweest. Van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Daaraan doet niet af dat zich – zoals de minister op zitting heeft aangevoerd – in het eerste kwartaal van 2026 een verdere daling heeft voorgedaan. De situatie is nog altijd instabiel. De groepen die bij eerdere oplaaiingen van het geweld betrokken waren, zoals de Druzen, de Koerden en IS, zijn er nog altijd. Dat de situatie nog altijd fragiel is, is ook het beeld wat naar voren komt in het rapport van de UNHCR. De veiligheidssituatie is in het eerste kwartaal van 2026 volatiel en complex gebleven. De aanwezigheid van explosieven (explosive ordnance) bleef een wijdverspreide en ernstige bedreiging vormen in Syrië. De beleving van terugkeerders, waar het bovengenoemde rapport van de UNHCR voornamelijk over gaat en wat de minister als onderbouwing aanvoert voor het standpunt dat er een lagere mate van willekeurig geweld is, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de vaststelling van de feitelijke veiligheidssituatie in Syrië. De beroepsgrond slaagt.

De humanitaire situatie in Syrië

14. De minister heeft zich onder verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Daarvoor moeten deze omstandigheden direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen.

14.1.

Naar het oordeel van de rechtbank berust het standpunt van de minister op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze bij de vaststelling van het niveau van willekeurig geweld niet relevant. De omstandigheid dat het regime van Assad na 8 december 2024 geen rol meer heeft gespeeld in het gewapend conflict, betekent niet dat vanaf deze datum sprake is van een geheel ander actief gewapend conflict. Het huidige conflict vloeit rechtsreeks voort uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad. Hoewel de machtsverhouding is gewijzigd zijn de actoren, met uitzondering van het regime van Assad, niet veranderd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, die in soortgelijke zin heeft geoordeeld.

14.2.

De conclusie is dan ook dat de minister de humanitaire situatie in Syrië had moeten betrekken bij de vraag wat het niveau het willekeurig geweld nu is. Tussen partijen is niet in geschil dat de humanitaire situatie in Syrië heel erg slecht is. Uit het algemeen ambtsbericht van 2026 volgt dat in Syrië sprake is van grootschalige verwoesting van infrastructuur en woningen, dat veel Syriërs behoefte hebben aan humanitaire hulp, dat naar schatting 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat meer dan de helft kampt met voedselonzekerheid. Verder zijn er veel problemen met de basisvoorzieningen: het stroomnetwerk werkt amper, er is tekort aan water, een groot gebrek aan functionerende gezondheidszorg en enorme problemen in het onderwijs. De beroepsgrond slaagt.

Overige beroepsgronden

15. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat het beroep op deze beroepsgronden reeds gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië, nu nog geen sprake is van een bestendige verbetering van de veiligheidssituatie. Verder heeft de minister ten onrechte de zeer slechte humanitaire situatie in Syrië niet betrokken bij de vraag van welk niveau van willekeurig geweld dient te worden uitgegaan. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

17. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

18. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Een asielaanvraag wordt dan afgewezen voor wat betreft de ‘a’-grond uit artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. De toets aan de ‘b’-grond uit datzelfde artikel dient nog wel op de gebruikelijke wijze plaats te vinden. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een andere uitsluitingsgrond, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Zie ook artikel 12 van de Kwalificatieverordening (2024/1347/EU). Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1129, bevestigd in de uitspraak van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3202. Uitspraak van 19 december 2012, ECLI:EU:C:2012:826, r.o. 52. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2024:2927. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:EU:C:2023:843. Zie Kamerstukken II 2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000). ECLI:NL:RVS:2025:3153. Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3435. Zie ook het landgebonden beleid inzake Syrië zoals opgenomen in paragraaf C7/33 van de Vc. ECLI:NL:RBDHA:2026:26486 en ECLI:NL:RBDHA:2026:26487. Volgens de Country Guidance van 2 december 2025 vielen er in de eerste tien maanden van 2025 4256 burgerdoden, volgens het algemeen ambtsbericht van 2025 vielen er in 2024 1264 burgerdoden. Onder verwijzing naar het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) ‘Syria: Security situation’ van juli 2026, pagina 45. United Nations High Commissioner for Refugees, 28 april 2026, ‘Syria: Protection and reintegration insights’. Idem, pagina 12, 14. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984. Uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822. Pagina 145 en 147. Pagina 147 en 148. Artikelen 3:2 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van Awb.