Vreemdelingenrecht
Aanvraag mvv voor verblijf bij moeder o.g.v. artikel 8 EVRM. Beroep gegrond want de minister heeft ten…
Rechtbank Den Haag, 5 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32682 · Rechtbank Den Haag · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32682
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL25.48904
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32682
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag mvv voor verblijf bij moeder o.g.v. artikel 8 EVRM. Beroep gegrond want de minister heeft ten onrechte elementen betrokken die niet thuishoren bij de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten nu de intensivering van het contact onvoldoende is om te concluderen dat sinds het overlijden van eisers vader sprake is van bijzondere elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De minister heeft terecht gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.48904
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 2005, van Ghanese nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D. Post).
Inleiding
1. Op 7 december 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] , referente (hierna: de moeder van eiser), op grond van artikel 8 van het EVRM’. Met het besluit van 9 juli 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit).
Tegen deze afwijzing heeft eiser bezwaar gemaakt. Op 1 april 2025 is de moeder van eiser in het kader van de bezwaarprocedure gehoord.
Met het besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde waren, met voorafgaande kennisgeving, niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Zij ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser beoogt verblijf bij zijn moeder, mevrouw [referente] , in Nederland. Eiser verblijft op dit moment in Ghana. Eiser woonde tot hij ongeveer vijf jaar oud was samen met zijn vader en moeder in Ghana. Zijn moeder is toen naar het Verenigd Koninkrijk verhuisd en vervolgens naar Nederland gekomen. Eiser is in Ghana achtergebleven en heeft daar met zijn vader samengewoond. In Nederland heeft eisers moeder nog een zoon gekregen, het halfbroertje van eiser, [persoon] . Op
[datum] 2022 is de vader van eiser overleden.
Standpunt van de minister
5. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van familie- en gezinsleven op basis van het jongvolwassenenbeleid tussen eiser en zijn moeder omdat zij al lange tijd niet als gezin samenleven. Verder is volgens de minister ook geen sprake van bijzondere elementen van afhankelijkheid op basis waarvan familie- en gezinsleven kan worden aangenomen. Daarbij overweegt de minister dat van eiser verwacht wordt dat hij zichzelf als meerderjarige staande kan houden in Ghana, eventueel met steun van zijn familieleden daar, zoals ook is gebeurd na het overlijden van zijn vader. Verder is niet gebleken van een meer dan gebruikelijke financiële en medische afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder. Ook van een bijzondere emotionele afhankelijkheid is volgens de minister geen sprake. Daarnaast duidt het contact tussen eiser en zijn moeder niet op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verder stelt de minister dat eiser zeer sterke banden heeft met Ghana en dat niet is gebleken dat hij sterke banden heeft met Nederland. Tot slot is niet gebleken dat de moeder van eiser niet naar Ghana kan verhuizen.
Standpunt van eiser
6. Eiser voert aan dat er wel sprake is van familie- en gezinsleven tussen hem en zijn moeder. Zij zijn meer dan normaal afhankelijk zijn van elkaar. De minister heeft de verschillende omstandigheden niet in onderlinge samenhang beoordeeld. De medische en financiële elementen en de feitelijke zorgindicatoren zijn daarbij niet integraal gewogen. Ook heeft de minister de medische kwetsbaarheid van eiser niet kenbaar betrokken bij de beoordeling. Eiser heeft zijn financiële, medische en emotionele afhankelijkheid voldoende onderbouwd en daarmee aannemelijk gemaakt. Daarnaast zijn er subjectieve belemmeringen voor de moeder van eiser om naar Ghana te verhuizen gezien het bijzondere onderwijs en de zorgbehoeften van de halfbroer van eiser in Nederland.
Het oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
7. Partijen zijn het erover eens dat geen sprake is van familie- en gezinsleven op basis van het jongvolwassenenbeleid tussen eiser en zijn moeder. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan familie- of gezinsleven kan worden aangenomen.
8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM sprake moet zijn van ‘more than the normal emotional ties’ (een meer dan gebruikelijke emotionele band). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
9. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 juli 2025 overwogen dat uit haar uitspraak van 27 maart 2024 en het arrest Martinez Alvarado van het EHRM volgt dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren.
10. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt deze overwegingen de hare.
11. De minister heeft, zoals deze rechtbank dat in eerdere uitspraken al vaker heeft geconstateerd, elementen betrokken die niet thuishoren bij de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het op afstand kunnen blijven voortzetten van de ondersteuning of het contact is niet relevant voor de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Deze aspecten zeggen op zichzelf niets over de sterkte van de banden tussen betrokkenen. Zij kunnen wel een rol spelen bij de belangenafweging. De minister heeft op de zitting toegelicht dat uit de Werkinstructie 2026/6 volgt dat deze aspecten al bij de beoordeling van het bestaan van familie- of gezinsleven moeten worden betrokken. Dat leidt niet tot een ander oordeel omdat de rechtbank de werkinstructie op dit punt onjuist acht.
12. De rechtbank constateert dan ook dat het besluit op dit punt onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter, in het kader van finale geschilbeslechting, aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
Familieleven: Bijkomende elementen van afhankelijkheid
Samenwonen
13. Eiser heeft tot zijn vijfde met zijn vader en moeder samengewoond. Daarna is de moeder vertrokken. Nadat eisers vader op [datum] 2022 is overleden, heeft eiser eerst bij zijn oma (moederszijde) gewoond. Eiser is vervolgens bij een vriend van de familie gaan wonen.
Contact en emotionele afhankelijkheid
14. Na het overlijden van de vader is het contact tussen eiser en zijn moeder geïntensiveerd. Uit de overgelegde stukken volgt dat zijn moeder van 5 januari 2024 tot
25 januari 2024 en van 23 januari 2025 tot 12 februari 2025 in Ghana is geweest. Ook blijkt uit de stukken dat eiser en zijn moeder geregeld telefonisch contact hebben. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat de contactmomenten vaak erg kort zijn en dat er ook periodes zijn geweest zonder contact. De rechtbank is het verder met de minister eens dat het opvallend is dat er juist in de periode kort na het overlijden van de vader geen aantoonbaar contact is geweest. Na zo’n ingrijpende gebeurtenis zou kunnen worden verwacht dat het contact juist snel intensiveert.
Financiële afhankelijkheid
15. Vast staat dat de moeder eiser financieel ondersteunt sinds het overlijden van de vader. Dit wordt ook niet door de minister betwist. De minister heeft daarbij echter terecht opgemerkt dat de maandelijkse bedragen fluctueren en dat ook niet is onderbouwd waaraan deze bedragen zijn besteed. Verder is niet onderbouwd dat de financiële steun die de moeder aan de oma (moederszijde) van eiser heeft gegeven, ook daadwerkelijk bij eiser terecht is gekomen. Onvoldoende is dus onderbouwd dat de financiële ondersteuning zo ver gaat dat eiser financieel van zijn moeder afhankelijk is.
Medische situatie
16. Niet is in geschil dat eiser depressief is, dat bij hem glaucoom is vastgesteld en dat hij daarvoor in Ghana zorg krijgt. Uit de overgelegde stukken volgt echter niet dat eiser voor deze zorg afhankelijk is van zijn moeder. Onduidelijk is of de financiële bijdragen van de moeder de medische kosten dekken. Daarnaast is niet gebleken dat de moeder emotioneel of anderszins ondersteuning biedt bij eisers depressiviteit.
Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien
17. Weliswaar ziet de rechtbank dat er na het overlijden van eisers vader sprake is van een intensivering van het contact tussen eiser en zijn moeder en dat de moeder eiser sindsdien ook financieel ondersteunt. Tezamen is dat enkele gegeven naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op de overige onder 13 t/m 16 beschreven omstandigheden, echter onvoldoende om te concluderen dat (sinds het overlijden van eisers vader) sprake is van bijzondere elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
18. De rechtbank concludeert dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Dat betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de minister op te dragen een nieuw besluit nemen. De rechtbank vindt namelijk dat er voldoende blijft staan voor de conclusie van de minister dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dat maakt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat. Dat betekent dus dat de minister de aanvraag van eiser om een mvv terecht heeft afgewezen.
19. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van
€ 934,- per punt en een wegingsfactor 1). De minister moet deze vergoeding betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
-
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.C.C. Bakx, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.