Vreemdelingenrecht

Eerste beroep vreemdelingenbewaring – terugkeerbesluit – grondslag van de vreemdelingenbewaring – ander land…

Rechtbank Den Haag, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
NL26.64387
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32717
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eerste beroep vreemdelingenbewaring – terugkeerbesluit – grondslag van de vreemdelingenbewaring – ander land van terugkeer in het terugkeerbesluit genoemd – lp-aanvragen op de zaak betrekking hebbende stukken – verplichting verweerder overleggen lp-aanvraag - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.64387


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Op 19 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vw opgelegd. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2026 heeft verweerder de grondslag gewijzigd naar artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2026. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. In verband met technische problemen omtrent het telehoren is de behandeling van het beroep ter zitting geschorst. Op 4 november 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Daarbij is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer [tolk].

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 4 november 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag

1. Verweerder kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert indien a) een onderduikrisico bestaat of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb, zich voordoen.

Terugkeerbesluit

2. Ambtshalve toetst de rechtbank of er een geldig terugkeerbesluit aan de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw ten grondslag ligt. Met de meeromvattende beschikking van 25 mei 2023 is tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hierin wordt Algerije als land van terugkeer genoemd. Verweerder heeft op basis van onderzoek door de Belgische autoriteiten vastgesteld dat eiser niet de gestelde Libische, maar de Algerijnse nationaliteit heeft. In dezelfde beschikking stelt verweerder vast dat de naam van eiser niet [eiser] is, maar [naam]. Vervolgens is er op 11 maart 2024 een aanvullend terugkeerbesluit genomen, dat net zoals de beschikking van 25 mei 2023 ziet op de terugkeer naar Algerije.

3. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 25 mei 2023 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Gesteld noch gebleken is dat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting door de Europese Unie te verlaten. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het terugkeerbesluit van 25 mei 2023 een geldig terugkeerbesluit is en dat dit besluit nog steeds van kracht is.

4. Hoewel het terugkeerbesluit Algerije als land van terugkeer vermeldt, wordt in de maatregel van vreemdelingenbewaring van 23 oktober 2026 Libië genoemd als land van herkomst en als land waarnaar eiser dient terug te keren. De non-refoulement beoordeling in de maatregel, het vertrekgesprek van 27 oktober 2026 en de LP-aanvraag van 28 oktober 2026 zijn eveneens gericht op uitzetting naar Libië. Hoewel verweerder aankondigde dat een aanvullend terugkeerbesluit zou worden genomen waarin ook Libië als land van terugkeer zou worden genoemd, is dit besluit bij de sluiting van het onderzoek in deze zaak nog niet genomen. Daarnaast is er op 29 oktober 2026 een LP-aanvraag Algerije opgestart.

5. Zoals eerder overwogen ligt er een rechtmatig terugkeerbesluit aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag. In dit terugkeerbesluit wordt Algerije genoemd als land van terugkeer. Het verrichten van vertrekhandelingen die (deels) zien op een ander land dan Algerije, doet niet af aan de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit van 25 mei 2023. Het is namelijk niet in geschil dat eiser het grondgebied van de Europese Unie niet heeft verlaten. Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2023, waaruit ook volgt dat verweerder een aanvullend terugkeerbesluit kan nemen en daarin het land kan vermelden waarop de terugkeerinspanningen (mede) worden gericht. De rechtbank merkt hierbij op dat het, gelet op het gehoor, voor eiser onmiskenbaar is geweest dat verweerder hem naar Libië zou willen uitzetten.

Non-refoulement beoordeling

6. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder een refoulementbeoordeling voor terugkeer naar Libië gemaakt. Er is daarin echter geen rekening gehouden met het beginsel van non-refoulement voor terugkeer naar Algerije. De rechtbank is van oordeel dat dit niet automatisch leidt tot de onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest Harderker, waarin het Hof vaststelt dat: “Het enkele feit dat de administratieve autoriteit bij de vaststelling van de maatregel tot inbewaringstelling geen rekening heeft gehouden met het beginsel van non-refoulement houdt niet automatisch in dat de betrokkene onverwijld moet worden vrijgelaten, indien de rechter die bevoegd is voor de toetsing van de inbewaringstelling of de voortzetting van de bewaring van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, op grond van zijn eigen, onderscheiden en autonome, onderzoek oordeelt dat het non-refoulementbeginsel zich niet verzet tegen die bewaring met het oog op verwijdering van de betrokkene.”

7. De rechtbank is van oordeel dat bij terugkeer naar Algerije of Libië er geen sprake is van risico op een schending van het verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft in de maatregel van vreemdelingenbewaring terecht overwogen dat eiser geen gevaar loopt in (delen van) Libië en dat eiser overweegt vrijwillig terug te keren. Eiser heeft op 4 november 2026 ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen terugkeer naar Libië of Algerije. Verweerder heeft per brief van 30 oktober 2026 nader toegelicht dat er door eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die duiden op een schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Algerije. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat er sprake is van een risico op schending van het non-refoulement beginsel.

Maatregel van vreemdelingenbewaring

8. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

9. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a, b, j, r en s feitelijk juist zijn en ook afdoende zijn gemotiveerd in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen en om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.

Voortvarend handelen en zicht op uitzetting

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet (voldoende) beoordeeld kan worden of er zicht op uitzetting bestaat en of verweerder voortvarend heeft gehandeld. Om deze beoordeling te kunnen maken moeten de LP-aanvragen gecontroleerd kunnen worden. De LP-aanvragen zijn volgens eiser op de zaak betrekking hebbende stukken, zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. In dit kader verwijst eiser onder meer naar het arrest Multan, waarin het Hof onder andere vaststelt dat een partij het recht heeft kennis te nemen van alle mogelijk relevante stukken voor de verdediging van deze partij en de overheidsinstantie waartegen het beroep gericht is niet kan beoordelen welke stukken dit betreft.

12. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat LP-aanvragen interne stukken zijn en het niet gebruikelijk is dat deze worden overgelegd.

13. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat verweerder geen LP-aanvragen heeft verstuurd. Verweerder heeft de rechtbank namelijk per brief van 30 oktober 2026 geïnformeerd dat er op 28 oktober 2026 een LP-aanvraag Libië is opgestart en dat de aanvraag nog onder de Directie Internationale Aangelegenheden ligt. Daarbij is de naam [eiser] gebruikt. Op 29 oktober 2026 is er een LP-traject voor Algerije gestart waarin zowel de naam [eiser] als [naam] wordt vermeld. Tevens heeft verweerder toegelicht dat bij de LP-aanvragen de vingerafdrukken van eiser worden gevoegd, zodat de Algerijnse autoriteiten op basis daarvan kunnen zoeken in hun systemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet de verplichting heeft dit document aan het dossier toe te voegen, omdat de LP-aanvragen geen onderdeel zijn geweest van de besluitvorming. De rechtbank moet kunnen beoordelen of er zicht op uitzetting bestaat en of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser heeft bovendien niets aangevoerd wat aanleiding geeft om de verstrekte informatie van verweerder in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat alle benodigde informatie beschikbaar is om te kunnen beoordelen of verweerder heeft voldaan aan de genoemde vereisten. Het niet overleggen van de LP-aanvragen schaadt eiser niet in de uitoefening van zijn recht op verdediging. De rechtbank zal verweerder dan ook niet opdragen de LP-aanvragen aan het dossier toe te voegen.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld in het kader van de uitzetting van eiser. Ook is er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije dan wel Libië.

Ambtshalve toetsing

15. De rechtbank ziet ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 6 november 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Laissez-passer. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:3564. Hof van Justitie van de Europese Unie. Arrest van 25 juni 2026, Zaak c-182/26, ECLI:EU:C:2026:518, r.o. 76. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Algemene wet bestuursrecht. Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 januari 2026, Zaak c-431/24, ECLI:EU:C:2026:53