Vreemdelingenrecht
spoedvovo, geplande overdracht Italië, beroep te laat ingediend, niet verschoonbaar, vovo afgewezen
Rechtbank Den Haag, 6 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32722 · Rechtbank Den Haag · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32722
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.50937
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32722
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
spoedvovo, geplande overdracht Italië, beroep te laat ingediend, niet verschoonbaar, vovo afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50937
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Kana).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Hij heeft daartegen ook beroep ingesteld.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een asielverzoek ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2026 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft op 1 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 5 november 2026 is verzoeker geïnformeerd dat hij op 9 november 2026 om 09:45 uur met vluchtnummer KL 1603 zal uitreizen naar Rome.
De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd op 5 november 2026 aangegeven waarom hij meent dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor wat betreft de indiening van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft hier desgevraagd op 6 november 2026 op gereageerd.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoeker heeft op 1 september 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 21 augustus 2026. Verzoeker had één week om tegen het bestreden besluit in beroep te gaan. Omdat het bestreden besluit op 21 augustus 2026 aan de gemachtigde van verzoeker is verzonden, betekent dit dat verzoeker uiterlijk op 28 augustus 2026 beroep had moeten instellen.
4. Op grond van artikel 6:6 van de Awb wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard als het niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring achterwege als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
5. De gemachtigde van de verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit bekend is gemaakt via een nieuw (IND)-portaal, maar dat in die tijd geen melding kwam dat er een nieuw stuk of een beschikking was toegevoegd. Bovendien stond de beschikking van verzoeker op de laatste pagina in het portaal. Ook werd in die tijd door de minister niet een e-mail naar de gemachtigde gestuurd waarin stond dat een beschikking voor verzoeker in het portaal stond. Dat gebeurt nu wel, maar destijds niet, aldus de gemachtigde. Om die reden hebben de gemachtigde van verzoeker en zijn secretaresse het bestreden besluit gemist. Als de gemachtigde het bestreden besluit eerder had gezien, had hij eerder beroep ingediend. Zodra de gemachtigde het bestreden besluit zag, heeft hij beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Verzoeker is van mening dat deze omstandigheden maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door verzoeker genoemde redenen niet zodanig dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. De voorzieningenrechter is er ambtshalve mee bekend dat op 15 juli 2026 het nieuwe portaal voor advocaten live is gegaan, met daarin de zaken en bijbehorende documenten die zijn ingediend na 12 juni 2026. Ook is de voorzieningenrechter er ambtshalve mee bekend dat in de periode 15 juli 2026 tot 24 juli 2026 door een technische fout geen notificaties zijn gestuurd, waarmee de advocaat geattendeerd werd op een nieuw document.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit dateert van 21 augustus 2026, en dus dateert van na de hiervoor genoemde opstartproblemen met het nieuwe portaal. Verder blijkt uit de reactie van de minister en de door de minister geüploade schermprint dat - anders dan de gemachtigde van verzoeker stelt - op 21 augustus 2026 een e-mail/notificatie is verzonden naar de gemachtigde van verzoeker. Dit komt overeen met wat volgens de gemachtigde van verzoeker thans vaste praktijk is. Verder blijkt uit de reactie van de minister dat geen sprake is geweest van technische problemen met het portaal ten tijde van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan de juistheid van de informatie van de minister te twijfelen. Uit deze informatie volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook dat de gemachtigde van verzoeker op 21 augustus 2026 op de hoogte is gebracht van het bestreden besluit. Voorzover de gemachtigde van verzoeker heeft gesteld dat het bestreden besluit onderaan de berichten van verzoeker zou hebben gestaan, vormt dit geen verschoonbare reden voor de te late indiening van het beroep.
6. De voorzieningenrechter moet verder ambtshalve vaststellen of er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022 en de daarin aangehaalde jurisprudentie. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor indien wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat uitzetting van die vreemdeling schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daar in het geval van verzoeker niet van gebleken.
7. Het voorgaande betekent dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en niet-ontvankelijk verklaard zal worden. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. L.J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.