Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. El Mathari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om
uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen.
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Uit het dossier blijkt dat de Duitse autoriteiten het claimverzoek van eiser op 13 november 2025 al hebben geaccepteerd. Op 17 januari 2026 is hij in bewaring gesteld en op 22 januari 2026 is pas een overdracht gepland. Overdracht naar Duitsland vindt plaats per auto, wat bij wijze van spreken morgen kan gebeuren. De overdracht had dus volgens eiser veel eerder kunnen plaatsvinden dan 29 januari 2026, de datum van de geplande overdracht.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De maatregel van bewaring is op 17 januari 2026 aan eiser opgelegd, na strafrechtelijke detentie zodat geen sprake is van een geplande inbewaringstelling. Vervolgens heeft op 20 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en op 22 januari 2026 is een overdracht ingepland op 29 januari 2026. Alles in samenhang bezien vindt de rechtbank dat de minister hiermee voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.