Civiel recht overig

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Afgewezen op de e-grond; niet gebleken van ernstig verwijtbaar…

Rechtbank Gelderland, 24 februari 2023

Zaakgegevens

Op 24 februari 2023 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
24 februari 2023
Datum publicatie
28 februari 2023
Zaaknummer
10237712
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2023:1002
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Afgewezen op de e-grond; niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Toegewezen op de g-grond. Transtitievergoeding toegewezen. Billijke vergoeding en loonvordering afgewezen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 10237712 \ HA VERZ 22-154 \ 512 \ 918

uitspraak van 24 februari 2023

beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekende partij]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekende partij in het verzoek

verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek

gemachtigde mr. A. Hurenkamp

en

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij in het verzoek

verzoekende partij in het zelfstandig tegenverzoek

gemachtigde mr. A. Hofman

Partijen worden hierna [verzoekende partij] en [werknemer] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 7 december 2022 met productie 1 tot en met 9;

- het verweerschrift tevens zelfstandig tegenverzoek van 17 januari 2023 met productie
1 tot en met 11;

- de mondelinge behandeling van 27 januari 2023 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van [verzoekende partij] .

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] is sinds [datum] bij [verzoekende partij] in dienst in de functie van [functienaam] , tegen een laatstelijk verdiend salaris van € 4.125,15 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.2.

[werknemer] is in de periode van [periode] ziek geweest.
Op 8 oktober 2019 heeft de heer [naam 1] (directeur van [verzoekende partij] , verder: [naam 1] ), in aanwezigheid van mevrouw [naam 2] (HR-adviseur) een gesprek met
[werknemer] gevoerd. [werknemer] heeft zich op [datum] opnieuw ziek gemeld.

2.3.

In april 2020 heeft [verzoekende partij] aan [werknemer] voorgesteld om in het kader van zijn re-integratie andere werkzaamheden te verrichten, te weten commerciële werkzaamheden ten behoeve van een duurzaamheidsproject. [werknemer] heeft deze aangeboden werkzaamheden om hem moverende redenen niet geaccepteerd. [naam 1] heeft daarop aan [werknemer] op 30 april 2020 een e-mail gestuurd met, samengevat, de conclusie dat er na 29 weken ziekte nog geen re-integratieplan lag en dat [naam 1] zich afvroeg wat hij nog kon of moest doen om tot afspraken over re-integratie te komen. [werknemer] heeft daarop geen (tegen)voorstel gedaan. Ook heeft [naam 1] voorgesteld de schoonvader van [werknemer] , met wie [naam 1] ook goed bekend was en die daar geschikt voor leek, te vragen om te bemiddelen.

2.4.

Per e-mail van 4 mei 2020 21.23 uur schrijft [naam 1] onder meer aan [werknemer] :

"Ik had gevraagd te reageren op mijn mail voor a.s. woensdag 17:00 uur.

Je hebt besloten niet per email te reageren maar me zojuist te bellen.

Na een korte toelichting op mijn email heb ik je opnieuw verwezen naar het antwoord op mijn e-mail.

Je bleef vragen houden, waardoor het gesprek zijn voortgang hield.

Waarin ik op één van je laatste vragen heb aangegeven dat wanneer je kiest om verder te gaan, ik je ondanks alle aantijgingen, niet terugblik op het verleden maar alleen positieve energie wil steken in de toekomst. En ik me vol zal geven om er naast jou een succes van te maken. Maar wanneer na alle pogingen die er zijn gedaan om tot re integratieplan te komen, en het voorstel van deze morgen zoals die er staat opnieuw afgewezen wordt, er een ontslag op staande voet volgt.

Waarna je reageerde dan niet voor dit voorstel te kiezen, maar voor het laatste voorstel van de Arbo arts, welke je in een eerder stadium op donderdag 30 april telefonisch hebt aangegeven deze niet te willen volgen zoals voorstelde. Waarmee je opnieuw het laatste voorstel tot re integreren zoals in de onderstaande mail uitvoerig is beschreven werd afgewezen. Je had moeite met het opbouwende schema, en je had moeite met locatie, waar dit een bewust gekozen locatie was, om je te beschermen zoals eerder toegelicht.

Zoals ik vanmorgen mailde, had ik juist jouw gevraagd om met een plan te komen, om zo te voorkomen dat ons voorstel opnieuw afgewezen zou worden. Maar in plaats van dat er voorstel kwam met jouw zienswijze tot re integratie, kwam er juist een mail waarin werd aangestuurd op een breuk. Desondanks heb ik toch nog een poging ondernomen om onzerzijds het plan zoals afgelopen zaterdag besproken met jou persoonlijk besproken nog ruimer weg te zetten en zelf op papier te zetten. Waarop opnieuw een afwijzing op volgde.

Na het breekpunt wat door jezelf afgelopen zaterdag reeds was gecreëerd en de uitkomst van dit gesprek zoals hierboven omschreven, hierbij de bevestiging dat ik je op volgend hierop 'per direct op staande voet ontslag heb gegeven'.

Waarop ik nogmaals wil aangeven zoals in het telefoongesprek afgesloten, 'dat het breekpunt door jezelf is gecreëerd door elke poging tot re integratie af te wijzen en dat ik het hierdoor enorm jammer vind om tot deze beslissing gedwongen te zijn'. (...)"

2.5.

Bij e-mail van 6 mei 2020 bevestigt [naam 1] namens [verzoekende partij] het aan
[werknemer] op 4 mei 2020 mondeling gegeven ontslag op staande voet.

2.6.

[werknemer] heeft zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek om het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. [verzoekende partij] heeft hiertegen verweer gevoerd. Bij beschikking van 13 oktober 2020 van de kantonrechter is het ontslag op staande voet vernietigd en is [verzoekende partij] veroordeelt om [werknemer] werkzaamheden aan te bieden tot re-integratie in eigen of passend werk overeenkomstig de door de bedrijfsarts gegeven of nog te geven adviezen.

2.7.

Tijdens een arbeidsdeskundig onderzoek is op 3 december 2021 het volgende geconstateerd:

“Met de huidige belastbaarheid zijn er bij de eigen werkgever op dit moment geen passende structurele mogelijkheden. Gelet op de huidige verhoudingen is het op dit moment belangrijk dat er een start wordt gemaakt met het 2e spoor. Op termijn volgt er nog een gesprek in het kader van mediation. Intake spoor 2: 9 december 2020.”

2.8.

Op 3 maart 2021 heeft de bedrijfsarts het volgende gerapporteerd:

“Ik sprak meneer vandaag op mijn telefonisch spreekuur. De beperkingen zijn bekend, deze nemen op dit moment geleidelijk af. Meneer is op dit moment actief bezig in spoor 2. Re-integratie Voorstel Mijn advies is om in spoor 1 vanaf 17-05-2021 of 24-05-2021 te beginnen met 2 keer 1 uur in passende taken. Spreek deze taken in onderling overleg af. Bouw daarna tweewekelijks op met 2 uur verdeeld over de week (na 2 keer 2 uur, naar 2 keer 3 uur, etc.). Evalueer samen regelmatig of de arbeidsmogelijkheden toenemen en blijf samen nadenken over de passendheid van taken.”

2.9.

[werknemer] heeft op 9 juli 2021 een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV.

2.10.

Bij brief van 3 september 2021 met als onderwerp ‘waarschuwing stopzetting van loon’ heeft [verzoekende partij] [werknemer] onder meer als volgt bericht:

“Vanuit de bedrijfsarts hebben wij het bericht ontvangen dat u per 24 mei 2021 geleidelijk aan mag re-integreren met tweewekelijks een opbouw van 2 uur. Wij hebben n.a.v. het advies van de bedrijfsarts samen met u een opbouwschema besproken. Volgens dit schema zou u deze week 12 uur aanwezig moeten zijn.

Deze week bent u 2 maal eerder dan afgesproken van het werk vertrokken, waarvan 1 maal aangegeven bij HR. HR heeft aangegeven dat het van u verwacht werd deze uren op een later moment in dezelfde week in te halen. U heeft aangegeven dit vandaag (…) te zullen doen. We hebben geconstateerd dat u deze afspraak niet bent nagekomen, wat maakt dat u niet voldoende mee werkt aan de gemaakte re-integratie afspraken.

Via deze weg verzoeken wij u dringend om volgende week het afgesproken schema op te volgen en uw re-integratiewerkzaamheden volledig te hervatten. Doet u dat niet, dan bent u officieel ongeoorloofd afwezig en zullen wij overgaan tot het stopzetten van uw loon vanaf de eerste dag van uw ongeoorloofde afwezigheid. (…)”

2.11.

Bij beslissing van 23 september 2021 heeft het UWV onder meer het volgende geoordeeld:

“Wij hebben beoordeeld of uw werkgever alle verplichtingen is nagekomen voor uw re-integratie. Wij vinden dat hij dit niet heeft gedaan.

Daarom hebben wij de periode waarin u tijdens ziekte recht heeft op loon, verlengd tot 28 september 2022.

Uw werkgever heeft zo de tijd om de tekortkomingen te herstellen.

De behandeling van uw aanvraag wordt uitgesteld. Dat betekent dat wij voorlopig nog geen beslissing nemen. Zodra uw werkgever de tekortkomingen heeft hersteld gaan wij verder met de beoordeling. Of anders uiterlijk 16 augustus 2022.”

2.12.

In het aan de beslissing van het UWV gehechte arbeidsdeskundig rapport staat onder meer het volgende:

“ 3.3. Actuele belastbaarheid volgends de bedrijfsarts

Ik constateer op dit moment beperkingen op persoonlijk en sociaal functionerend vlak. Momenteel beperkt voor veelvuldige deadlines, productiepieken en veelvuldige werkonderbrekingen. Meneer is op dit moment verminderd belastbaar voor emotionele aspecten van arbeid en verminderd belastbaar voor conflicthantering. Daarnaast is er een beperking in energie. Door de beperking in energie is het belangrijk om, geleidelijk op te bouwen in uren en taken.

(…)

4. Beoordeling resultaat en inspanning

Is er sprake van een bevredigend resultaat?

Ik vind dat er geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. De werknemer werkt namelijk niet structureel in passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden terwijl er in passend werk met een structureel karakter ook niet tenminste 65% van het oude loon wordt verdiend.

De werknemer werkt maar realiseert niet tenminste 65% van het oorspronkelijke loon.

Zijn de inspanningen van de werkgever voldoende?

Ik vind de inspanningen van de werkgever onvoldoende. Ik heb de volgende tekortkomingen geconstateerd;

De werkgever heeft onvoldoende aan re-integratie gedaan wegens een arbeidsc[onleesbaar – toevoeging kantonrechter]

Werknemer is volgens de bedrijfsarts enige tijd niet belastbaar geweest voor arb[onleesbaar – toevoeging kantonrechter] wordt het advies gegeven om geleidelijk op te gaan bouwen in spoor 1 in aange[onleesbaar – toevoeging kantonrechter] escaleert de situatie tussen werkgever en werknemer. Het gevolg is dat het dien[onleesbaar – toevoeging kantonrechter] re-integratie 5 maanden is onderbroken. Los van het feit dat mogelijk eerdere in[onleesbaar – toevoeging kantonrechter] andere interventie deze situatie misschien voorkomen had kunnen worden, blijft het feit dat het dienstverband ten onrechte is onderbroken/beëindigd door werkgever. Hierdoor zijn er gedurende 5 maanden geen re-integratieinspanningen geweest en mogelijk re-integratiekansen gemist wat te wijten is aan werkgever. In plaats van overgaan tot beëindigen dienstverband had juist een interventie ingezet kunnen worden om de verhoudingen tussen werkgever en werknemer weer vlot te trekken.

Momenteel is sprake van opbouw in spoor 1 naast een spoor 2 traject. De bedrijfsarts heeft geadviseerd om na te blijven denken over de passendheid van de werkzaamheden. Dit betreft ook de werkomgeving van werknemer. Van de werkgever wordt verwacht alles op alles te zetten de werkplek zodanig in te richten dat het zo passend mogelijk is voor werknemer. De omstandigheden zijn na de zomervakantie gewijzigd. Dit kan de re-integratie belemmeren in spoor 1. Het is raadzaam dat werkgever en werknemer in gesprek gaan om te kijken welke oplossing hiervoor geboden kan worden. De mogelijkheid van thuiswerken kan hierbij ook onderzocht worden.

Al met al is er sprake van een stroeve re-integratie waarbij er 5 maanden geweest zijn van geen re-integratie wat de werkgever te verwijten valt. Er kunnen hierdoor re-integratiekansen gemist zijn.”

2.13.

[verzoekende partij] heeft op 3 november 2021 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het UWV van 23 september 2021.

2.14.

Bij brief van 26 november 2021 met als onderwerp ‘waarschuwing’ heeft [verzoekende partij] [werknemer] als volgt bericht:

“Op 1 september jl. heeft u met [naam 3] gesproken over uw werkplek en de beperkingen die u daarin ervaart. U heeft op 6 september jl. aangegeven niet in staat te zijn uw werkzaamheden uit te voeren. [verzoekende partij] heeft u hierna uitgenodigd voor een gesprek om de beperkingen te bespreken, maar n.a.v. uw mail op 21 september jl. hebben wij onze Arbo om advies gevraagd over mogelijk passende vervolgstappen om samen verder te werken aan uw re-integratie. In overleg met de Arbo is dit onderzoek ingepland, waarover u op o.a. 6 oktober jl. geïnformeerd bent.

Wij betreuren dat u afgelopen woensdag om 13:30 uur niet aanwezig was bij dit werkplekonderzoek. Wij moeten evenwel vaststellen dat door niet te verschijnen niet voldoende meewerkt aan uw re-integratie. Mede daarom ontvangt u dit schrijven, hetwelk tevens als officiële waarschuwing dient te worden opgevat.

Via deze weg informeren wij u tevens dat er een nieuwe datum is gepland voor het werkplek onderzoek. Dit onderzoek zal plaatsvinden op woensdag 1 december om 15:00 uur bij [verzoekende partij] op locatie. We verwachten dan ook van u dat u hierbij aanwezig bent.

Mocht u blijvend weigerachtig zijn mee te werken aan uw re-integratie, dan zullen daaraan consequenties worden verbonden.”

2.15.

Bij brief van 10 december 2021 met als onderwerp ‘waarschuwing’ heeft [verzoekende partij] [werknemer] als volgt bericht:

“Op 26 november jl. bent u, voor de tweede keer, uitgenodigd voor een werkplek onderzoek ten behoeve van uw re-integratie. U heeft aangegeven behoefte te hebben aan een gesprek voor dat dit onderzoek plaats vond. Wij hebben gehoor gegeven aan uw verzoek en daarom hebben wij u op 30 november jl. uitgenodigd voor een gesprek voorafgaand aan het onderzoek. Het werkplek onderzoek zou op 1 december jl. plaatsvinden en maar u bent niet verschenen. Het betreurt ons dat u wederom niet aanwezig was en dus niet meewerkt aan uw re-integratie. Wat u tot op heden heeft aangegeven levert simpelweg geen geldige reden op om niet te verschijnen.

We nodigen u langs deze weg nogmaals uit voor een gesprek en het werkplek onderzoek bij [verzoekende partij] op locatie. Het gesprek zal plaatsvinden op woensdag 22 december 12:00 uur en daaropvolgend staat om 12:30 uur het werkplek onderzoek gepland.

Middels deze brief waarschuwen wij u voor de tweede maal voor het niet meewerken aan uw re-integratie. Indien u weer niet aanwezig bent en uw re-integratie blijft belemmeren, behouden wij ons het recht voor om de loonbetaling gedeeltelijk of geheel te stoppen.

We verwachten dan ook van u dat u 22 december a.s. tijdig aanwezig zult zijn.”

2.16.

[verzoekende partij] heeft op 24 december 2021 een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd over de vraag ‘Zijn de re-integratie-inspanningen van de werknemer voldoende?’. In het deskundigenoordeel van 3 februari 2022 heeft het UWV onder meer het volgende geoordeeld:

“Werkgever vraag een deskundigenoordeel aan met de vraag of werknemer wel voldoende heeft gedaan. Daarbij onderzoek ik of werknemer heeft voldaan aan de volgende inspanningen:

redelijke voorschriften opvolgen van werkgever en mee werken aan getroffen maatregelen om de werknemer eigen of passende arbeid te kunnen laten verrichten;

medewerking verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak over de re-integratie;

passende arbeid verrichten, wat door de werkgever wordt aangeboden.

Werkgever geeft aan dat werknemer niet is verschenen op afspraken waarbij het zou gaan over de inrichten van de werkzaamheden. Er is drie keer een werkplek onderzoek gepland om te bepalen hoe de werkplek van werknemer er uit zal moeten zien. Werknemer heeft aangegeven eerst in gesprek te willen gaan met de werkgever. Werkgever heeft werknemer daarbij uitgenodigd om een half uur voor het onderzoek in gesprek te gaan. Ook hier is werknemer niet verschenen. Werknemer blijft aanvoeren dat hij eerst in gesprek wil met werkgever met een onafhankelijke derde persoon erbij alvorens er een werkplek onderzoek kan plaatsvinden.

Werknemer is verplicht op oproepen te verschijnen bij de werkgever. Dit heeft werknemer nagelaten. Werknemer geeft aan dat hij eerst in gesprek wil met werkgever met een onafhankelijke persoon erbij alvorens er op de inhoud verder wordt gegaan. Gezien de stroeve re-integratie die er is geweest en het advies wat ook verschillende keren is gegeven door de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan kan ik mij vinden in de overweging van de werknemer om eerst zo’n gesprek te willen met een onafhankelijk derde. Gezien hetgeen er allemaal gebeurd is tijdens de re-integratie van werknemer is het goed om eerst via een gesprek met een onafhankelijke partij erbij eventuele “kou” uit de lucht proberen te krijgen om zo constructief de re-integratie op te pakken.

Werkgever heeft dus inderdaad nagelaten te verschijnen op oproepen van de werkgever echter valt hem dit in deze situatie niet te verwijten. Het is wel zaak dat nu doorgepakt gaat worden inzake de re-integratie.

Werkgever geeft aan dat er inmiddels een afspraak is gemaakt voor mediation. Dit is echter na de datum van de aanvraag deskundigenoordeel dus valt buiten de beoordeling van het deskundigenoordeel.

5 Conclusie

De re-integratie-inspanningen van de werknemer zijn voldoende.”

2.17.

In zijn verslag van 10 februari 2022 schrijft de bedrijfsarts:

“Ik sprak meneer vandaag op mijn telefonisch spreekuur. Er is sprake van nieuwe beperkingen, deze beperkingen houden normaal gesproken ongeveer 2 weken aan.

Verder speelt er een situatie op het werk, meneer geeft aan dat er gesprekken gaande zijn in aanwezigheid van een derde onafhankelijke externe persoon. Op dit moment werkt meneer niet in spoor 1 en is meneer actief bezig in spoor 2.

In verband met de actualiteit rondom het Coronavirus moet ik uit preventief oogpunt meneer adviseren in ieder geval de komende 2 weken niet naar de werkplek te gaan maar thuis te blijven. Meneer acht ik momenteel beperkt in het hebben van directe contacten met anderen.

Het is ook mijn advies door te gaan met de lopende gesprekken over de situatie op het werk. Ik acht Meneer wel in staat om (vanuit huis) door te gaan met de lopende gesprekken.

Deze rapportage is opgesteld tijdens de periode dat er landelijke maatregelen getroffen zijn vanwege de coronapandemie. Het blijft belangrijk de landelijke maatregelen te volgen betreffende de inzetbaarheid van werknemers in de eigen sector.

Over 4 weken neemt de verzuimconsulent contact op over de situatie op het werk.

Bij een normaal verloop van de nieuwe beperkingen verwacht ik dat meneer over 2 weken volledig belastbaar is.”

2.18.

Bij e-mailbericht van 22 februari 2022 heeft [verzoekende partij] [werknemer] onder meer als volgt bericht:

“(…) Daarbij hebben we via [naam organisatie] begrepen dat er sprake was van een nieuw medische situatie. We hebben ook geen nieuwe ziekmelding van je ontvangen. Het niet informeren en reageren komt de samenwerking absoluut niet ten goede en is niet bevorderlijk voor de situatie.

Ondertussen heb je op 10 februari een consult met de bedrijfsarts gehad, waarin is vastgesteld dat je (twee weken na dato) weer volledig belastbaar bent. Vanaf a.s. vrijdag ben je dus volgens de bedrijfsarts weer volledig belastbaar. (…)

Graag ontvang ik voor morgen (23-02) 14:00 uur jouw bevestiging dat je a.s. vrijdag bij [verzoekende partij] aanwezig bent om je werkzaamheden verder op te pakken. (…)”

2.19.

Bij e-mailbericht van 23 februari 2022 heeft [verzoekende partij] [werknemer] als volgt bericht:

“Helaas geen reactie van je ontvangen en telefonisch ook niet bereikbaar.

Graag horen wij uiterlijk morgen 12:00 uur hoe laat je er vrijdag bent.”

2.20.

Bij emailbericht van 24 februari 2022 heeft [werknemer] [verzoekende partij] bericht dat hij nog niet hersteld is.

2.21.

Bij brief van 2 maart 2022 met als onderwerp ‘Officiële waarschuwing opschorting salaris’ heeft [verzoekende partij] [werknemer] als volgt bericht:

“Doormiddel van dit schrijven willen wij je officieel waarschuwen voor het volgende feit:

Het niet hervatten van je werkzaamheden. Dit wordt gezien als werkweigering.

Op 26 januari 2021 hebben wij de afspraak gemaakt dat je je werkzaamheden zal hervatten. Daarbij is afgesproken dat de bedrijfsarts zijn oordeel zou geven over jouw belastbaarheid. Op 10 februari heeft de bedrijfsarts de verwachting uitgesproken dat je vanaf vrijdag 25 februari j.l. volledig belastbaar bent. Op 22 en 23 februari is er contact gezocht via telefoon en mail om je start op vrijdag de 25e af te stemmen, helaas geen gehoor. Voor het niet bereikbaar zijn heb je reeds een officiële waarschuwing ontvangen. Op 24 februari heb je via de mail aangegeven nog niet hersteld te zijn en op vrijdag 25 februari is zowel telefonisch als via de mail contact gezocht en de vraag je reden van afwezigheid te specificeren. Tot op heden hebben we geen contact kunnen krijgen en heb je je werkzaamheden niet hervat.

Het feit dat jij je niet conformeert aan de adviezen van de bedrijfsarts en je daarbij niet houdt aan de re-integratie afspraken, is naar ons inziens niet acceptabel. Om deze reden wordt per vandaag je salaris opgeschort tot op het moment dat je je werkzaamheden hervat.

Indien er in de toekomst nog een voorval van deze aard plaatsvindt, dan zijn wij genoodzaakt om verdere maatregelen te nemen, met mogelijke gevolgen voor het voortbestaan van onze arbeidsrelatie.”

2.22.

Bij beslissing op bezwaar van 7 april 2022 heeft het UWV het tegen haar beslissing van 23 september 2021 gerichte bezwaar van [verzoekende partij] ongegrond verklaard.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen haar en
[werknemer] , met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, te ontbinden, zonder toekenning van enige vergoeding aan [werknemer] .

3.2.

[verzoekende partij] legt aan haar verzoek primair ten grondslag dat sprake is van een aaneenschakeling van verwijtbare gedragingen op het gebied van niet meewerken aan re-integratieverplichtingen die thans een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Subsidiair is de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig verstoord dat van [verzoekende partij] in alle redelijkheid niet kan worden verlangd dat de arbeidsovereenkomst nog langer voort zal duren.

3.3.

[werknemer] betwist dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Hij heeft wel degelijk meegewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen.

[werknemer] erkent dat de arbeidsverhouding inmiddels zodanig ernstig en duurzaam is verstoord, dat continuering hiervan niet langer in de rede ligt. Deze verstoring is echter veroorzaakt door de wijze waarop [verzoekende partij] is omgegaan met de re-integratie van [werknemer] .

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, waar nodig voor de beoordeling van de zaak, nader ingegaan.

4 Het zelfstandig tegenverzoek en het verweer

4.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

a. [verzoekende partij] te veroordelen om aan hem te betalen:

i. het salaris van € 4.125,15 bruto per maand met ingang van maart 2022 tot aan de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

ii. de vakantietoeslag van 8% over het sub i. verzochte;

iii. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub i. tot en met iii. verzochte;

iv. de wettelijke rente over het sub i. tot en met iii. verzochte;

v. de vergoeding van niet-genoten vrije dagen ten bedrage van € 16.293,75 bruto;

vi. de wettelijke transitievergoeding, berekend tot aan ontbindingsdatum;

vii. een billijke vergoeding van € 65.000,00 bruto.

b. [verzoekende partij] te gebieden binnen tien dagen na betekening van deze beschikking een bruto-/nettospecificatie van de onder a. verzochte bedragen aan hem ter beschikking te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [verzoekende partij] met de naleving van dit gebod in gebreke blijft;

c. te bepalen dat [werknemer] niet gebonden is aan het relatiebeding ex artikel 14 van de arbeidsovereenkomst;

d. [verzoekende partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.2.

[werknemer] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat [verzoekende partij] ten onrechte zijn loondoorbetaling heeft stopgezet. Hij heeft meegewerkt aan zijn re-integratie, maar was op het moment van stopzetten nog ziek. Hem kan ook geen (ernstig) verwijt worden gemaakt. De verstoorde arbeidsrelatie is (nagenoeg) volledig veroorzaakt door het verloop van het re-integratietraject ten aanzien waarvan [verzoekende partij] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [werknemer] maakt daarom aanspraak op betaling van zijn salaris vanaf de loonstop in maart 2022 met nevenvorderingen, vergoeding van niet-genoten vrije dagen, de transitievergoeding en een billijke vergoeding, alsmede een specificatie daarvan. Ten slotte meent [werknemer] dat [verzoekende partij] hem niet kan houden aan het relatiebeding.

4.3.

[verzoekende partij] voert hiertegen verweer. Zij heeft het loon van [werknemer] terecht stopgezet. Er was sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Daarom kan [werknemer] evenmin aanspraak maken op een transitievergoeding en billijke vergoeding. Mocht [werknemer] al aanspraak kunnen maken op loondoorbetaling, dan is deze verplichting uiterlijk 28 september 2022 komen te vervallen, aangezien hij nimmer heeft gemeld dat hij weer werkzaamheden zou kunnen verrichten. De wettelijke verhoging dient in dat geval op grond van de redelijkheid en billijkheid te worden afgewezen. Nu de afrekening van het dienstverband pas na beëindiging daarvan kan plaatsvinden, kan [werknemer] thans (nog) geen aanspraak maken op betaling van opgebouwde vakantie uren.

4.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, waar nodig voor de beoordeling van de zaak, nader ingegaan.

5. De beoordeling van het verzoek en zelfstandig tegenverzoek

Opzegverbod

5.1.

Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift sprake is van een opzegverbod.

Ontbinding arbeidsovereenkomst

5.2.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW juncto 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015
(Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

[verzoekende partij] heeft haar verzoek primair gebaseerd op de grond dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] in verband met het, zonder deugdelijke grond niet nakomen van de verplichtingen van de werknemer tijdens re-integratie, waardoor van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst nog langer in stand te houden ex artikel 7:669 lid 3 sub e BW juncto 7:671b lid 5 BW.

5.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

[verzoekende partij] baseert haar primaire verzoekt op schending van [werknemer] van zijn
re-integratieverplichtingen. Een dergelijk verzoek moet worden afgewezen indien de werkgever na aanmaning het loon heeft stopgezet of niet beschikt over een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629 BW.

In onderhavige zaak heeft [verzoekende partij] het loon met ingang van 2 maart 2022 naar eigen zeggen opgeschort. Een deskundigenverklaring is niet overgelegd, omdat het UWV een dergelijk verzoek daartoe niet in behandeling wilde nemen vanwege de opgelegde loondoorbetalingsverplichting in het derde ziektejaar. Onder deze omstandigheden kan het ontbreken van een deskundigenverklaring niet aan [verzoekende partij] worden tegengeworpen. Het primaire verzoek zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.

5.5.

[verzoekende partij] stelt dat zij zich na de beschikking van de kantonrechter van 13 oktober 2020 optimaal heeft ingespannen om de re-integratie van [werknemer] op te pakken.
heeft hieraan echter niet mee willen werken en alles in het werk gesteld om niet te hoeven werken. [werknemer] hield zich niet aan het door de bedrijfsarts opgestelde opbouwschema, reden waarom [verzoekende partij] hem in september 2021 gewaarschuwd heeft omdat hij eerder van het werk was vertrokken en deze uren niet heeft ingehaald. [werknemer] heeft niet meegewerkt aan een werkplaatsonderzoek en heeft hij ten onrechte afspraken met de mediator afgezegd. Ten slotte is hij na het oordeel van de bedrijfsarts van 10 februari 2022 (r.o. 2.17.) op grond waarvan hij in staat werd geacht met ingang van 25 februari 2022 zijn werkzaamheden weer volledig te kunnen hervatten, niet op het werk verschenen.

[werknemer] voert daartegen aan dat uit het deskundigenoordeel van 3 februari 2022
(r.o. 2.16.) blijkt dat de inspanningen van [werknemer] over de voorliggende periode tot
24 december 2021, waarin herhaaldelijk getracht is tot een werkplekonderzoek te komen, wel voldoende waren. Nadien hebben partijen mediationgesprekken gevoerd. Uit het rapport van de bedrijfsarts van 10 februari 2022 blijkt voorts dat de re-integratie-inspanningen van partijen tot dan toe ertoe hebben geleid dat [werknemer] bij een normaal verloop van een nieuwe medische situatie na twee weken weer volledig belastbaar zou zijn. [werknemer] stelt toen echter ziek te zijn geweest, waarop [verzoekende partij] per 2 maart 2022 het salaris heeft opgeschort.

De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde stukken volgt dat partijen na 13 oktober 2020 invulling hebben gegeven aan de re-integratie. Uit de overgelegde deskundigenverklaringen kan voorts niet worden opgemaakt dat [werknemer] zijn
re-integratieverplichtingen niet na is gekomen. Partijen verschillen weliswaar van mening over de werkhervatting voorafgaand aan het moment dat [verzoekende partij] het loon heeft opgeschort, maar daar zal in het hierna volgende een oordeel over worden gegeven. Nadat het salaris is opgeschort hebben beide partijen niets meer ondernomen in het kader van de hervatting van de re-integratie. Dat [werknemer] zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen, komt naar het oordeel van de kantonrechter op grond van het voorgaande niet vast te staan, zodat evenmin komt vast te staan dat hem hiervan een ernstig verwijt treft.

5.6.

Subsidiair baseert [verzoekende partij] haar verzoek op de stelling dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. [werknemer] heeft dit in zijn verweerschrift erkend en refereert zich ten aanzien van deze grond aan het oordeel van de kantonrechter.

5.7.

Partijen zijn het erover eens dat de verhouding tussen hen, gelet op alles wat er gebeurd is vanaf het moment van de aanvang van de ziekte in 2019 tot het laatste moment dat partijen hierover in de zomer van 2022 contact hebben gehad, duurzaam verstoord is geraakt. Hierdoor is geen samenwerking meer mogelijk tussen partijen. Vanaf januari 2022 hebben ook diverse gesprekken onder leiding van een derde plaatsgevonden die gericht waren op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar is daarover geen overeenstemming bereikt.

Nu partijen het erover eens zijn dat de arbeidsovereenkomst is verstoord, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zal de arbeidsovereenkomst op deze grond worden ontbonden.

Opzegtermijn

5.8.

Op grond van artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder a BW bepaalt de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst behoudens in beginsel op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. [verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter bij de opzegtermijn geen rekening te houden met de opzegtermijn omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] (artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder b BW). [werknemer] verzoekt de kantonrechter de duur van de procedure niet in mindering te brengen op de opzegtermijn omdat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekende partij] (artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder a BW). Nu gelet op het hierna wordt overwogen, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van één van beide partijen en de opzegtermijn één maand bedraagt, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 april 2023.

Transitievergoeding

5.9.

Nu de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoekende partij] wordt ontbonden en, zoals hierna wordt overwogen, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de kant van [werknemer] is [verzoekende partij] aan [werknemer] de wettelijke transitievergoeding verschuldigd, berekend per 1 april 2023.

Billijke vergoeding

5.10.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Daarvoor is nodig dat doelbewust (bijvoorbeeld door valse beschuldigingen) is aangestuurd op een verstoring van de arbeidsrelatie.

5.11.

De kantonrechter is van oordeel dat uit hetgeen door partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, niet blijkt dat [verzoekende partij] met haar handelwijze heeft aangestuurd op een verstoring van de arbeidsrelatie. Uit de beschikking van de kantonrechter van 13 oktober 2020 (r.o. 2.6.) volgt dat er ook toen weliswaar sprake was van een verstoring waarvan beide partijen elkaar verwijten maakten, maar nog geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Niet is komen vast te staan dat [verzoekende partij] nadien stelselmatig weigerde om [werknemer] een op zijn beperkingen afgestemde werkplek aan te bieden.

Immers, nadat [werknemer] had aangegeven dat de aangeboden werkplek voor hem niet geschikt was, heeft [verzoekende partij] diverse pogingen ondernomen om een werkplekonderzoek op te starten. Dat [werknemer] eerst, naar later bleek terecht, een gesprek met een onafhankelijke derde wenste, doet daaraan niet af. Dat gesprek is toen ook gevoerd. [werknemer] verwijt [verzoekende partij] voorts dat zij de re-integratie sinds maart 2022 niet meer heeft laten begeleiden door de bedrijfsarts. Daar staat tegenover het laatste oordeel van de bedrijfsarts van 10 februari 2022 vermeldt dat de re-integratie tot dan toe goed verliep en dat [werknemer] bij een normaal verloop van de nieuwe beperkingen naar verwachting na twee weken volledig belastbaar zou zijn (r.o. 2.17.). [verzoekende partij] mocht er daarom vanuit gaan dat [werknemer] per 25 februari 2022 niet langer arbeidsongeschikt zou zijn. Hoewel
vervolgens op 24 februari 2022 in een e-mail tegenover [verzoekende partij] aangeeft dat hij nog niet hersteld is (zie r.o. 2.20.) heeft hij zich niet opnieuw heeft ziek gemeld, geen nieuwe afspraak met de bedrijfsarts gemaakt, geen deskundigenoordeel heeft aangevraagd, maar er zelf voor gekozen om met [verzoekende partij] in gesprek te gaan over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen over de periode tussen 2019 en 2022 met name in de communicatie weliswaar steken hebben laten vallen, maar dat daarbij niet is gebleken van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoekende partij] .

De verzochte billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.

Doorbetaling loon

5.12.

[werknemer] vordert doorbetaling van zijn loon vanaf maart 2022 met nevenvorderingen. Volgens [werknemer] heeft [verzoekende partij] hem in maart 2022 ten onrechte een loonsanctie opgelegd. Er was op dat moment geen sprake van werkweigering of het niet meewerken aan zijn re-integratie, maar van ziekte. Van een situatie waarin [verzoekende partij] tot opschorting of stopzetting van het loon over mocht gaan is geen sprake. Zelfs al zou
[werknemer] geacht worden per 25 februari 2022 volledig belastbaar te zijn geweest, dan komt het feit dat [verzoekende partij] [werknemer] niet tot de bedongen functie wenste toe te laten, althans het daarbij behorende werk aan te bieden, in redelijkheid niet voor zijn rekening.
gaat er bovendien zelf van uit dat hij vanaf eind augustus 2022 weer in staat was om de bedongen arbeid volledig te verrichten, zodat de door het UWV opgelegde loonsanctie niet per 28 september 2022 is komen te vervallen.

[verzoekende partij] voert daartegen gemotiveerd verweer.

5.13.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de periode maart 2022 tot eind augustus 2022 beroept [werknemer] zich op loondoorbetaling tijdens ziekte (artikel 7:629 BW).

Ingevolge artikel 7:629a lid 1 BW wijst de rechter een vordering tot betaling van loon als hiervoor bedoeld af indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige benoemd door het UWV omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten dan wel de nakoming van de
re-integratieverplichtingen. De vordering van [werknemer] dient bij gebreke van een dergelijke verklaring reeds om die reden te worden afgewezen.

Ten aanzien van het stoppen van de loondoorbetaling heeft [werknemer] verder nog aangevoerd dat aan hem is medegedeeld dat het loon zou worden opgeschort, maar dat opschorting slechts mogelijk is indien de werknemer ingevolge artikel 7:629 lid 6 geen informatie verstrekt op grond waarvan de werkgever het recht op loonbetaling kan vaststellen. De kantonrechter overweegt dat uit de brief van 3 maart 2022 gelezen in samenhang met de e-mailberichten van 22 en 23 februari 2022 volgt dat [verzoekende partij] [werknemer] heeft medegedeeld de loondoorbetaling op te zullen schorten omdat [werknemer] , in weerwil van het oordeel van de bedrijfsarts, de werkzaamheden niet had hervat. [werknemer] moet dat redelijkerwijze ook zo hebben begrepen. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 onder c BW. In dit verband komt aan het gebruik van de term ‘opschorten’ door [verzoekende partij] niet de betekenis toe die [werknemer] daaraan thans wenst te verbinden, nu de situatie als bedoeld in artikel 7:629 lid 6 BW zich niet heeft voorgedaan. Slordig taalgebruik verdient slechts afstraffing indien de ontvanger van de boodschap daardoor in verwarring is gebracht, maar dat is hier niet gebleken. Daarmee is ook voldaan aan het ingevolge artikel 7:629 lid 7 BW vereiste van de onverwijlde mededeling (ECLI:NL:GHAMS:2016:1076).

Daar komt nog bij dat uit het oordeel van de bedrijfsarts van 10 februari 2022 volgt dat
[werknemer] bij een normaal verloop van de nieuwe beperkingen naar verwachting na twee weken volledig belastbaar zou zijn (r.o. 2.17.). [verzoekende partij] mocht er daarom vanuit gaan dat [werknemer] per 25 februari 2022 niet langer arbeidsongeschikt zou zijn. Hoewel
vervolgens op 24 februari 2022 na enkele verzoeken om te reageren aangeeft dat hij nog niet hersteld is, heeft hij zich niet opnieuw ziekgemeld, niet aangedrongen op een nieuwe afspraak bij de bedrijfsarts, terwijl hij ook geen deskundigenoordeel heeft aangevraagd. Om hem moverende redenen is ervoor gekozen om met [verzoekende partij] in gesprek te gaan over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Deze handelwijze dient onder de gegeven omstandigheden voor rekening en risico van
[werknemer] te blijven en de loonvordering over deze periode zal dan ook worden afgewezen.

5.14.

Ten aanzien van de periode vanaf september 2022 beroept [werknemer] zich op artikel 7:628 BW. Hij stelt vanaf die datum weer volledig arbeidsgeschikt te zijn en vordert daarom betaling van zijn salaris.

[verzoekende partij] voert daartegen verweer.

Op grond van artikel 7:628 BW is de werkgever verplicht het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [werknemer] niet gesteld en is evenmin gebleken dat hij zich op enig moment hersteld heeft gemeld en zich beschikbaar heeft gehouden om de bedongen arbeid te verrichten. Daar komt nog bij dat hij zich ook eerder niet heeft gemeld na verzoeken van [verzoekende partij] om zijn werkzaamheden te hervatten, waarna door [verzoekende partij] een loopstop is doorgevoerd. Daartegen heeft [werknemer] niet eerder dan in deze procedure geageerd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat [werknemer] vanaf september 2022 de overeengekomen arbeid niet heeft verricht in redelijkheid voor rekening van [werknemer] dient te komen.

De gevorderde doorbetaling van het loon wordt om die reden afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.

Vergoeding niet-genoten vakantiedagen

5.15.

[werknemer] verzoekt de toekenning van een bedrag van € 16.293,75 bruto aan niet-genoten vrije dagen. [verzoekende partij] voert daartegen aan dat de afrekening van het dienstverband pas kan plaatsvinden als er een einddatum van de arbeidsovereenkomst is. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per
1 april 2023, in de onderhavige procedure om een eindafrekening kan worden verzocht. Nu het gestelde en onderbouwde aantal van 625 opgebouwde vakantie-uren, alsmede de berekening van het verzochte bedrag voor het overige niet is betwist, wordt dit bedrag toegewezen.

Bruto-/nettospecificatie

5.16.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter [verzoekende partij] te gebieden binnen tien dagen na betekening van deze beschikking een bruto-/nettospecificatie van de verzochte bedragen aan hem ter beschikking te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het verzoek tot het verkrijgen van een bruto-/nettospecificatie is op de wet gegrond en in zoverre toewijsbaar voor zover het de toegewezen bedragen betreft, zijnde de transitievergoeding en de vergoeding niet-genoten vakantiedagen. Aangezien deze bedragen thans nog niet opeisbaar zijn nu de arbeidsovereenkomst nog niet is geëindigd zal de termijn (overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW) worden gesteld op een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten 1 mei 2023.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, aangezien gesteld noch gebleken is dat [verzoekende partij] hier niet aan zal voldoen.

Relatiebeding

5.17.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat hij niet gebonden is aan het relatiebeding ex artikel 14 van de arbeidsovereenkomst. [verzoekende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar te hebben tegen dit verzoek. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

Proceskosten

5.18.

Omdat beide partijen zowel in het verzoek als in het zelfstandig tegenverzoek op enkele punten in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten in beide procedures gecompenseerd in die zin dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten.

6 De beslissing

De kantonrechter,

in het verzoek:

6.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 april 2023;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

in het zelfstandig tegenverzoek:

6.5.

veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling aan [werknemer] van de wettelijk verschuldigde transitievergoeding berekend per 1 april 2023;

6.6.

veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling aan [werknemer] van 625 niet-genoten vakantie uren ten bedrage van € 16.293,75 bruto;

6.7.

gebiedt [verzoekende partij] uiterlijk 1 mei 2023 aan [werknemer] een bruto-/netto-specificatie van de hiervoor onder r.o. 6.5. en 6.6. toegewezen bedragen ter beschikking te stellen;

6.8.

bepaalt dat [werknemer] niet gebonden is aan het relatiebeding ex artikel 14 van de arbeidsovereenkomst;

6.9.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.10.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.11.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2023.