Strafrecht overig
Rechtbank Gelderland · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Gelderland, 20 augustus 2020
ECLI:NL:RBGEL:2020:4346 · Rechtbank Gelderland · 20 augustus 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2020-4346
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2020 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2020
- Datum publicatie
- 27 augustus 2020
- Zaaknummer
- 05/880196-18 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4346
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05/880196-18
Datum zittingen: 6 augustus 2020
Datum uitspraak: 20 augustus 2020
Tegenspraak
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] (hierna: veroordeelde)
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende aan de [adres] .
Raadsman: mr. J.H. Hofstede, advocaat te Doetinchem.
1 De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit voordeel aanvankelijk gesteld op € 3.456,44. Dit bedrag is gebaseerd op de berekening van de politie, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2018, pagina 365-367 van het dossier. Daarbij is uitgegaan van een gelijkwaardige verdeling van de opbrengst onder veroordeelde en veroordeelde [veroordeelde 2] .
2 De procedure
Ter terechtzitting van 6 augustus 2020 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.
3 Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is op 6 augustus 2020 ter terechtzitting behandeld gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak tegen veroordeelde [veroordeelde 2] , parketnummer 05/880303-18. Veroordeelde en zijn raadsman zijn ter zitting verschenen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de vordering ter zitting aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt bepaald op € 1.027,-. Ter zitting heeft de officier van justitie de berekening van het - naar beneden bijgestelde - voordeel uiteengezet. Daarbij is hij onder meer uitgegaan van de door veroordeelden verklaarde opbrengstverdeling, te weten 25 procent voor veroordeelde en 75 procent voor [veroordeelde 2] . Veroordeelde heeft wederrechtelijk verkregen voordeel genoten uit de verkoop van goederen die [veroordeelde 2] heeft verduisterd, aldus de officier.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vaststelling van het voordeel op (25 procent van € 2.992.15 =) € 748,04 bepleit. Hij heeft aangevoerd dat veroordeelde alleen betalingen via de bank, in totaal
€ 3.521,15 heeft ontvangen, en geen contante betalingen zodat de politie laatstvermelde betalingen ten onrechte heeft betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Daarnaast heeft veroordeelde € 469,- aan verzendkosten terugbetaald aan [veroordeelde 2] en € 60,- teruggestort aan een klant, welke posten op het voordeel in mindering moeten worden gebracht. Verder heeft veroordeelde 75 procent van de (netto-)opbrengst doorbetaald aan [veroordeelde 2] .
4 De beoordeling van de vordering
Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank acht geslagen op het vonnis dat de meervoudige kamer van deze rechtbank op 20 augustus 2020 heeft gewezen tegen veroordeelde. Veroordeelde is in dit vonnis veroordeeld voor gewoonteheling. De rechtbank stelt vast, op basis van het ter terechtzitting gehouden onderzoek, in samenhang met de inhoud van het procesdossier, het vonnis van 20 augustus 2020 en de daaraan ontleende bewijsmiddelen, dat aannemelijk is dat veroordeelde met het door hem gepleegde feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Immers, veroordeelde heeft een (extreem) grote hoeveelheid producten van onder meer [merk] , [merk] , [merk] , toebehorende aan logistiekbedrijf [slachtoffer] en verduisterd door [veroordeelde 2] , via Marktplaats verkocht en daaruit inkomsten verworven. Ook heeft veroordeelde inkomsten verkregen uit de goederen die [veroordeelde 2] zelf heeft verkocht, voor zover de betalingen daarvan zijn bijgeschreven op zijn bankrekening.
Uit het proces-verbaal van bevindingen inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelezen in onderliggende samenhang met de onderliggende bankafschriften van veroordeelde, volgt dat het totale bedrag dat op de bankrekening van veroordeelde is bijgeboekt en rechtstreeks is te relateren aan de verkoop van bovenstaande goederen, € 3.521,15 bedraagt en dus als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt. Daarnaast heeft veroordeelde kosten gemaakt die op het voordeel in mindering moeten worden gebracht. Hij heeft in totaal € 469,- aan verzendkosten overgemaakt aan [veroordeelde 2] . Weliswaar heeft de politie in haar berekening ook nog een bedrag van € 371,25 aan verzendkosten in mindering gebracht, maar de rechtbank is van oordeel dit bedrag al is verdisconteerd in het bedrag van € 469,-. Voorts heeft veroordeelde één ontvangen betaling, te weten € 60,-, teruggestort. Verder volgt uit de verklaringen van veroordeelden, dat [veroordeelde] 25 procent van de betalingen die op zijn rekening zijn bijgeboekt en afkomstig zijn van klanten, mocht houden en dat hij de overige 75 procent contant aan [veroordeelde 2] heeft betaald.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de volgende berekening:
Totaal ontvangen bijboekingen van klanten € 3.521,15
Overgemaakte verzendkosten aan [veroordeelde 2] € 469,00 -
Teruggestorte betaling € 60,00 -
€ 2.992,15 x 25 procent =
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 748,00 naar beneden afgerond
========
De rechtbank stelt de betalingsverplichting eveneens vast op het bedrag van € 748,00.
5 De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6 De beslissing
De rechtbank:
-stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 748,00 (zevenhonderdachtenveertig euro);
-legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
-bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op
14 (veertien) dagen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.M.J.I. Baauw, voorzitter, mr. C.J.M. van Apeldoorn
en mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2020.
Mr. Van Apeldoorn en mr. Klappe zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.