Strafrecht overig

veroordeling voor medeplegen oplichting, meermalen gepleegd, medeplegen valsheid in geschrifte, meermalen…

Rechtbank Gelderland, 30 januari 2020

Zaakgegevens

Op 30 januari 2020 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
30 januari 2020
Datum publicatie
30 januari 2020
Zaaknummer
05-863130-13 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2020:535
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

veroordeling voor medeplegen oplichting, meermalen gepleegd, medeplegen valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd en overtreding van de wet wapens en munitie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Meervoudige Strafkamer

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/863130-13

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

Raadsman: mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op

€ 4.192.675,07.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 22 april 2014 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

Het onderzoek is vervolgens geschorst.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 31 oktober 2019 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde niet verschenen. Als uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is ter terechtzitting verschenen,

mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer. Het onderzoek is gesloten op 12 december 2019.

De officier van justitie, mr. P. de Jong, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het voordeel wordt gesteld op € 3.406.969,-.

De raadsman van veroordeelde heeft het woord ter verdediging gevoerd.

4 De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het bedrag van de ontnemingsvordering teruggebracht tot de optelsom van de in tenlastelegging genoemde bedragen voor zover die volgens de officier van justitie bewezen kunnen worden verklaard in de hoofdzaak. Volgens de officier van justitie zijn de bedragen grotendeels naar [medeverdachte] overgemaakt, maar is niet duidelijk geworden waar al het geld daarna is gebleven, onder die omstandigheden dient het ontnemingsbedrag te worden geschat op het totaalbedrag dat door de oplichting is verkregen en dient de ontnemingsvordering hoofdelijk te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Al het geld is bij [medeverdachte] terecht gekomen. Dit is mede op te maken uit een tapgesprek tussen veroordeelde en [medeverdachte] .

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 12 december 2019 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde onder meer ter zake van oplichting, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

De rechtbank staat voor de vraag gesteld of aannemelijk is dat veroordeelde uit dit feit voordeel heeft genoten.

Verdachte is in de hoofdzaak veroordeeld voor medeplegen van oplichting van verschillende personen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat door de slachtoffers gelden aan veroordeelde zijn overgemaakt. Dit zou een grondslag kunnen vormen voor het toewijzen van de ontnemingsvordering Uit het dossier blijkt evenwel ook dat deze gelden door veroordeelde zijn doorgestort naar mededader [medeverdachte] en vervolgens door of voor [medeverdachte] contant zijn opgenomen. Uit het dossier is niet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] geld – giraal dan wel contant - aan veroordeelde heeft betaald of dat veroordeelde op andere wijze een vergoeding heeft ontvangen voor zijn bijdrage aan het in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht daarbij ook van belang dat uit verklaringen van getuigen

[getuige 1] en [getuige 2] die zij bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, volgt dat veroordeelde ten tijde van het verhoor niet veel geld tot zijn beschikking heeft en zijn huis heeft moeten verkopen.

De rechtbank is kortom van oordeel dat de ontnemingsvordering afgewezen moet worden, omdat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

5 De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter),

mr. R. Raat en mr. T. Bertens, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2020.