Strafrecht overig

Gelet op artikel 511b Sv: niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming van het…

Rechtbank Gelderland, 17 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 17 oktober 2024 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17 oktober 2024
Datum publicatie
17 oktober 2024
Zaaknummer
05/234674-20
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2024:7090
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gelet op artikel 511b Sv: niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer : 05/234674-20

Datum uitspraak : 17 oktober 2024

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] in ( [postcode] ) in [woonplaats] .

Raadsman: mr. S. Arts, advocaat in Breda.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 183.316,05.

2 De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven dat hij zich op het standpunt stelt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering, gezien het bepaalde in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering.

3 De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 12 mei 2022 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt. De ontnemingsvordering dateert van 8 oktober 2024. Dit is nagenoeg twee jaar en vijf maanden na de uitspraak in eerste aanleg van de rechtbank. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Lucassen (voorzitter), mr. M.J. Ouweneel en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2024.