Strafrecht overig

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen…

Rechtbank Gelderland, 29 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29 oktober 2025
Datum publicatie
16 februari 2026
Zaaknummer
05/296552-24 ont.
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:11809
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wegens integrale vrijspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Tegenspraak

Parketnummer: 05/296552-24

Datum uitspraak : 29 september 2025

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Suriname),

wonende aan [adres] .

Raadsvrouw: mr. E.E.M. Messink, advocaat in Wijchen.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 31.604,18.

2 De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en het voordeel geschat op € 24.710,55, de opbrengst zoals door medeverdachte [medeverdachte] uiteen is gezet, verminderd met de door de politie vastgestelde kosten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak in de hoofdzaak.

3 De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de vordering zoekt de rechtbank aansluiting bij haar op 29 september 2025 tegen betrokkene gewezen vonnis, waarbij betrokkene integraal is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten waarop de ontnemingsvordering is gegrond.

Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit de artikelen 511e, eerste lid, en 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). Door de vrijspraak van de (voor de ontneming relevante) ten laste gelegde feiten in de hoofdzaak is de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.

De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gegeven door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin (voorzitter), mr. J.M. Klep en

mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2025.

mr. Van Breevoort-de Bruin en mr. Aalbers zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.