Strafrecht overig

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel € 89.140,50 uit de illegale hennepteelt.

Rechtbank Gelderland, 19 december 2025

Zaakgegevens

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Zutphen
Datum uitspraak
19 december 2025
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
224254-24 ontneming
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:11995
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel € 89.140,50 uit de illegale hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer : 05.224254.24

Datum uitspraak : 19 december 2025

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] (Kosovo),

wonende aan de [adres],

[postcode], in [woonplaats].

Raadsman: mr. C.A. Boeve, advocaat in Zwolle.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 267.421,50.

2 De procedure

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast, in die zin dat het gevorderde bedrag pondspondsgewijs dient te worden toebedeeld aan veroordeelde en zijn medeveroordeelden. Dit betekent dat volgens de officier per veroordeelde een bedrag van

€ 89.140,50 is genoten.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat veroordeelde geen voordeel heeft genoten van de hennepkwekerij. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de berekening van het Openbaar Ministerie onvoldoende onderbouwd is en dat onduidelijk is of en hoeveel oogsten er zijn geweest.

3 De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 19 december 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van (onder meer) “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken, met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen.

Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte berekening.

De in de – inzichtelijke en duidelijke – berekening gerelateerde feiten zijn door de rechtbank gecontroleerd en juist bevonden aan de hand van onderliggende stukken. De in het proces-verbaal getrokken conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal. Met name is in die stukken voldoende concreet en specifiek onderbouwd dat en waarom sprake is geweest van zes oogsten. De rechtbank neemt de berekeningen uit het voornoemd proces-verbaal over en maakt deze tot de hare.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel leidt tot het volgende bedrag:

Kweekruimte A en B:

Bruto opbrengst 6 oogsten x € 52.376,83 = € 314.260,98

Totale kosten (met huur) 6 oogsten x = € 46.839,48 -/-

----------------

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 267.421,50

Veroordeelde is veroordeeld ter zake van medeplegen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat er geen voordeel is genoten, omdat dit niet aannemelijk is geworden, en gaat er dus vanuit dat de veroordeelde volledig heeft meegedeeld in de opbrengst.

Naast de veroordeelde zijn voor zover bekend nog twee anderen ([medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2]), betrokken geweest bij de hennepteelt. De rechtbank zal de totale netto-opbrengst daarom pondspondsgewijs verdelen over deze drie personen. Concreet betekent dit dat iedere verdachte een voordeel heeft genoten van € 89.140,50.

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel vast op een bedrag van € 89.140,50. De betalingsverplichting zal op datzelfde bedrag worden vastgesteld. De raadsman heeft namens veroordeelde in algemene zin aangevoerd dat veroordeelde op dit moment leeft van een uitkering. Echter, daarmee is nog niet onderbouwd dat de huidige en toekomstige draagkracht van veroordeelde in het geheel niet toereikend zal zijn om dit bedrag te voldoen.

4 De toegepaste wettelijke bepalingen

5 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 89.140,50;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 415 dagen.

Aldus gegeven door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. P. Verkroost en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2025.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024254147, gesloten op 12 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e 2e lid Sr, p. 455-467.