Strafrecht overig
De rechtbank veroordeelt een man tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met…
Rechtbank Gelderland, 8 januari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:220 · Rechtbank Gelderland · 8 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-220
Zaakgegevens
Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 8 januari 2026
- Datum publicatie
- 13 januari 2026
- Zaaknummer
- 05/351790-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:220
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank veroordeelt een man tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 635 kilo hennep en 11.325 vapes met totaal 17 kilo materiaal dat (delta-9 en delta-8) THC. Verweer tot bewijsuitsluiting wordt afgewezen. Hoewel de verbalisant niet door de woning heen mocht lopen zonder toestemming van de bewoner, is er door dit vormverzuim geen nadeel voor verdachte opgetreden omdat dit vormverzuim is begaan in het voorbereidende onderzoek naar de inbraak in de schuur. De rechtbank constateert geen vormverzuim bij het openen van de schuur of de latere aantreffen van de henneptoppen in de woning. De bewoonster heeft via een tolk toestemming gegeven de woning te betreden.
Tot slot is ook de verslaglegging van de verbalisanten voldoende concreet en duidelijk, nu zij alle genomen stappen hebben beschreven en de rechtbank hieruit de gang van zaken duidelijk heeft kunnen opmaken.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/351790-24
Datum uitspraak : 8 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] (China) ,
wonende aan [adres 1] .
Raadsman: mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in een woning en/of schuur gelegen aan [adres 2] en/of in een opslagunit gelegen aan [adres 3] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 635,82 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in een opslagunit gelegen aan [adres 3] ), aanwezig heeft gehad, ongeveer 17,04 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC en/of delta-9-THC (in e-sigaretten), zijnde delta-8-THC en/of delta-9-THC, een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2 Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Het verweer van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat meerdere onherstelbare vormverzuimen zijn begaan in het voorbereidende onderzoek naar de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Na een melding van een inbraak in de schuur achter de woning van verdachte en zijn echtgenote (hierna: de bewoonster) is de politie ter plaatse gegaan. Op dat moment was geen sprake meer van een heterdaadsituatie. Verbalisanten hebben de woning vervolgens echter zonder (voorafgaande) toestemming betreden, door achter de bewoonster aan de woning door te lopen, richting de schuur. Die schuur is daarop (ook) betreden/doorzocht zonder voorafgaande toestemming en zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. In die schuur werd hennep aangetroffen. In plaats van de situatie te bevriezen, hebben de verbalisanten de woning daarop(opnieuw) betreden en nu ook doorzocht, zonder vrijwillige en ondubbelzinnige toestemming van de bewoonster (die daaromtrent niet goed was geïnformeerd) en zonder machtiging van de rechter-commissaris. Tot slot is de verslaglegging van het binnentreden onvolledig en onnauwkeurig, waardoor de gang van zaken niet kan worden gecontroleerd. Dit raakt het recht op een eerlijk proces. Met deze vormverzuimen zijn de artikelen 6 en 8 EVRM geschonden. Verdachte is hierdoor benadeeld. Dit heeft bovendien wezenlijke gevolgen gehad voor het welzijn van verdachte, zijn vrouw en hun kinderen. Nu onherstelbare vormverzuimen zijn begaan, moet het bewijs dat als gevolg hiervan is verkregen, van het bewijs worden uitgesloten. Dan dient vrijspraak te volgen wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, na een nadere uiteenzetting ter terechtzitting van de gang van zaken bij het binnentreden, op het standpunt gesteld dat geen onherstelbare vormverzuimen zijn begaan in het onderzoek naar de aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Beoordeling door de rechtbank
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake kan zijn van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) indien strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte niet zijn nageleefd. De rechtbank kan rechtsgevolgen verbinden aan zo’n vormverzuim, maar er ook voor kiezen te volstaan met de constatering van het vormverzuim. Bij het beantwoorden van de vraag of aan een vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg dat dan zou moeten zijn, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de omstandigheden waaronder het vormverzuim is begaan en het door verdachte als gevolg van het verzuim geleden nadeel.
De rechtbank zal de door de verdediging benoemde gedragingen van de verbalisant(en), achtereenvolgens bespreken.
Door de woning lopen
Uit het procesdossier volgt dat verbalisanten op 4 november 2024 ter plaatse gingen naar aanleiding van een melding van een inbraak in een schuur bij de woning van verdachte. Omdat de poortdeur naar de achtertuin waar de schuur zich bevond op slot zat, belde één van de verbalisanten aan bij de voordeur. De vrouw van verdachte, de bewoonster, deed de deur open. Nadat de verbalisant haar meldde dat er een inbraak had plaatsgevonden in de schuur, liep zij door de woning naar de achterzijde van het huis, richting de schuur. De verbalisant liep achter haar aan, nadat de bewoonster niet reageerde op zijn verzoek om te blijven staan. Hierna is ook een andere verbalisant door de woning naar de schuur gelopen.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 359a Sv betrekking heeft op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat wat door de raadsman naar voren is gebracht ter zake van eventuele onrechtmatigheden in het onderzoek voorafgaand aan het aantreffen van de hennep in de schuur, in beginsel buiten het bereik van artikel 359a Sv valt, nu dit onderzoek enkel was gericht op de inbraak in de schuur. Dat er hennep in die schuur lag, was op dat moment immers nog niet bekend.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889) volgt echter dat onder omstandigheden ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, indien dat vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar het aan de verdachte tenlastegelegde feit. In zo’n geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim.
De rechtbank stelt vast dat in het voorbereidend onderzoek naar de inbraak een vormverzuim is begaan. De verbalisanten hebben de woning betreden zonder toestemming van de bewoonster, in de zin van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi), terwijl ook niet één van de uitzonderingen van artikel 2 van de Awbi van toepassing was. De rechtbank zal aan dit vormverzuim echter geen rechtsgevolg verbinden, nu het niet bepalend is geweest voor het onderzoek naar de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De verbalisanten hadden immers ook op andere wijze bij de schuur kunnen komen door bijvoorbeeld over de poortdeur te klimmen. Daar komt bij dat de verbalisanten enkel, achter de bewoonster aan, door de woning zijn gelopen naar de schuur, alwaar de inbraak zou hebben plaatsgevonden. Gelet op de aard en ernst van het verzuim en de omstandigheid waaronder het is begaan, de zeer korte duur van de inbreuk en het feit dat verdachte zelf niet thuis was, is het verbinden van enig rechtsvervolg aan dit vormverzuim naar het oordeel van de rechtbank niet op zijn plaats.
De schuur
Eenmaal in de tuin aangekomen, zag de verbalisant dat de bewoonster de schuurdeur probeerde te sluiten. Hij zag naast de schuurdeur een koevoet liggen en moeten in de schuurdeur staan. De schuurdeur was opengebroken en het slot stond nog uitgedraaid. De verbalisant opende de schuurdeur en zag direct henneptoppen liggen. Anders dan door de raadsman is gesteld, volgt uit het procesdossier dat de situatie daarop direct door de verbalisanten is bevroren en dat contact is opgenomen met de officier van justitie voor een machtiging voor het doorzoeken van de schuur. Deze machtiging werd vervolgens mondeling door de officier van justitie afgegeven. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie bevestigd dat zij zelf de mondelinge machtiging heeft afgegeven.
Uit het voorgaande volgt niet dat sprake is geweest van een vormverzuim in het onderzoek tegen verdachte. Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen van de verbalisant was hij gerechtigd de schuurdeur te openen. Pas toen zag hij de henneptoppen. Daarna werd een machtiging tot doorzoeking verkregen van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 96c, eerste lid, Sv.
De woning
Uit het procesdossier volgt dat de verbalisanten, nadat zij de henneptoppen in de schuur hadden aangetroffen, de bewoonster met behulp van een tolk hebben gevraagd of zij hen toestemming gaf om, ter inbeslagname, in de woning te kijken. De bewoonster verleende haar toestemming en verklaarde dat zij begreep wat haar werd gevraagd. De verbalisanten gingen vervolgens achter de bewoonster aan de woning in, waarbij de bewoonster de deuren van de verschillende (slaap)kamers voor hen opende. Op de zolder van de woning zagen de verbalisanten gelijksoortige dozen als die in de schuur waren aangetroffen. De dozen werden daarop inbeslaggenomen. In de dozen werden henneptoppen aangetroffen.
De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten het voorgaande duidelijk hebben vastgelegd in (op ambtseed opgemaakte) processen-verbaal en later bij de rechter-commissaris hebben bevestigd. De rechtbank ziet in wat door de raadsman is aangevoerd, geen reden om hieraan te twijfelen. Verder hebben de verbalisanten in de woning niet meer gedaan dan zoekend rondkijken, nu alle deuren, waaronder die naar de zolder, zijn geopend door de bewoonster en de dozen op zolder direct in het zicht stonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen vormverzuim begaan.
Tot slot acht de rechtbank de verslaglegging van de verbalisanten voldoende concreet en duidelijk, nu zij alle genomen stappen hebben beschreven en de rechtbank hieruit de gang van zaken duidelijk heeft kunnen opmaken.
Alles overwegend wordt het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting verworpen.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 4 november 2024 werd bij verdachte, op de zolder in zijn woning aan [adres 1] , 478 kg aan henneptoppen in dozen aangetroffen. In zijn schuur werd 138,325 kg aan henneptoppen in gelijksoortige dozen aangetroffen.
Diezelfde dag werd in een opslagunit aan [adres 3] te Apeldoorn 19,5 kg aan henneptoppen aangetroffen in gelijksoortige (deels openstaande) dozen als aangetroffen in de woning en schuur. Verder werden er in totaal 11.325 vapes (e-sigaretten) aangetroffen die delta-8-THC en delta 9-THC bevatten, waarvan 5.603 vapes van 1 gram en 5.722 vapes van 2 gram.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten 1 en 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit op grond van het onder paragraaf 2 reeds besproken verweer, strekkende tot bewijsuitsluiting. De raadsman heeft verder geen bewijsverweren gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
Gelet op de onderlinge samenhang worden de ten laste gelegde feiten gezamenlijk besproken.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de 635,82 kg hennep en vapes met in totaal 17,04 kg van een materiaal bevattende delta-8-TCH en delta-9-THC in zijn woning, schuur en opslagunit.
De politie heeft de volgende informatie verkregen van het opslagverhuurbedrijf van de opslagunit waarin de drugs zijn aangetroffen. De opslagunit stond op naam van verdachte en hij ook was aanwezig bij het tekenen van het huurcontract van de opslagunit. De code voor het betreden van de opslagunit van verdachte werd zes keer eerder gebruikt. De betaling van de huur vond plaats middels automatische incasso betaald vanaf een bankrekeningnummer dat, zoals bleek uit (iRVI-)onderzoek, op naam stond van verdachte.
Uit de hiervoor aangehaalde vaststaande feiten blijkt dat de in de door verdachte gehuurde opslagunit aangetroffen dozen en de dozen die in zijn de schuur en zolder zijn aangetroffen gelijksoortig waren. Alle dozen bevatten henneptoppen.
De vrouw van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte heeft tegen haar heeft gezegd dat zij en hun kinderen niet naar zolder toe mochten.
Gelet op de enorme hoeveelheid verdovende middelen die zijn aangetroffen in de zolder en de schuur van verdachte en de door hem gehuurde schuur mag van verdachte, voor zover hij wetenschap hiervan zou betwisten, een aannemelijke verklaring over de herkomst van deze middelen worden verlangd. Verdachte heeft hierover echter geen verklaring afgelegd.
Uit de bewijsmiddelen volgt wel dat hij tegen zijn vrouw heeft gezegd dat zij en hun kinderen niet op de zolder mochten komen en dat hij meerdere malen in zijn opslagunit is geweest. Het is verder niet aannemelijk geworden dat een ander, zonder medeweten van verdachte, deze henneptoppen, in soortgelijke dozen, en vapes in zowel zijn woning als opslagunit heeft geplaatst.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist van de hennep en vapes in zijn woning, schuur en opslagunit.
De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het medeplegen , omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze feiten in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gepleegd.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans opzettelijk (in een woning en/of schuur gelegen aan [adres 2] en/of in een opslagunit gelegen aan [adres 3] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 635,82 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
feit 2
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Apeldoorn, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans opzettelijk (in een opslagunit gelegen aan [adres 3] ), aanwezig heeft gehad, ongeveer 17,04 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende delta-8-THC en/of delta-9-THC (in e-sigaretten), zijnde delta-8-THC en/of delta-9-THC, een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening dient te worden gehouden met de eendaadse samenloop en de relatief marginale rol van verdachte in de drugsketen. Hij heeft immers slechts de drugs in opslag gehad, en is naar alle waarschijnlijkheid niet de eigenaar hiervan.
Verder moet bij de strafoplegging rekening gehouden worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is vader van drie minderjarige kinderen, heeft werk en volgt Nederlandse taallessen. Het inkomen van verdachte is noodzakelijk voor het huishouden en er is geen netwerk in Nederland waar het gezin op kan terugvallen.
De raadsman heeft de rechtbank op grond van het voorgaande verzocht te volstaan met een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 240 uren, zodat verdachte niet langer hoeft vast te zitten
Tot slot verzoekt de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis primair wegens gebrek aan ernstige bezwaren en subsidiair wegens het gestelde in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de beslissingen die rechters in vergelijkbare zaken gemiddeld opleggen zoals die zijn gevat in de zogenaamde oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer wordt gekeken naar het strafblad van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte had op 4 november 2024 ruim 635 kilo hennep en daarnaast nog 11.325 vapes met in totaal 17 kilo materiaal dat (delta-9 en delta-8) THC bevat in zijn bezit. Deze verdovende middelen lagen in zijn woning en schuur en in een door hem gehuurde opslagunit. De ‘groothandelswaarde’ van de aangetroffen henneptoppen kan oplopen tot 2 miljoen euro. Het is zeer kwalijk en ernstig dat verdachte dergelijke hoeveelheden drugs in zijn woning en schuur had liggen waar hij met zijn vrouw en drie kinderen woont. Dit blijkt te meer omdat de politie op 4 november 2024 ter plaatse kwam naar aanleiding van een melding van een inbraak uit de schuur. Vlak daarvoor was waarschijnlijk een hoeveelheid hennep uit de schuur gestolen, terwijl de vrouw en kinderen van verdachte in de woning lagen te slapen. Verdacht heeft geen verantwoording afgelegd voor zijn handelen, noch zijn rol in de drugsketen. Het is daardoor niet duidelijk of verdachte slechts een marginale rol heeft gehad. Verdachte heeft met zijn handelen kennelijk financieel gewin voor ogen gehad en zich niet bekommerd om de schadelijke en nadelige effecten van drugs en de criminaliteit die gepaard gaat met de handel hierin. Vapes met THC hebben een zeer schadelijk effect op de volksgezondheid en zijn erg populair onder jongeren. Drugscriminaliteit zorgt voor een ondermijning van de samenleving omdat (ernstig) geweld niet wordt geschuwd. Dit zorgt voor grote onrust en versterkt gevoelens van onveiligheid. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De reclassering heeft een advies over verdachte uitgebracht op 13 november 2025. De reclassering kan geen zicht krijgen op mogelijk delictgerelateerde factoren of risico’s, omdat verdachte geen verklaring heeft afgelegd over de aan hem ten laste gelegde feiten. De huidige leefsituatie van verdachte oogt rustig en evenwichtig. Verdachte heeft een gezin, werk, woning, financiële rust en hij volgt Nederlandse taallessen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om te werken aan gedragsverandering bij verdachte omdat er geen hulpvraag is en er geen zicht is op delictgerelateerde factoren of risico’s. De reclassering heeft dan ook geadviseerd om geen reclasseringstoezicht te verbinden aan een eventueel aan verdachte op te leggen (voorwaardelijke) straf.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten, waaronder met name de enorme hoeveelheid drugs die verdachte aanwezig heeft gehad, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur passend. Het is van belang, gelet op het lucratieve karakter van de bewezen verklaarde feiten, dat verdachte daarnaast een stok achter de deur heeft die hem er in de toekomst van weerhoudt opnieuw dergelijke feiten te plegen. De rechtbank volgt daarom de eis van de officier van justitie.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8 De beoordeling van het beslag
Omdat de in beslag genomen vapes (e-sigaretten), met betrekking tot welke het feit is begaan, middelen bevatten als bedoeld in lijst I te weten delta-8-THC en delta-9-THC van de Opiumwet en het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet, zal de rechtbank bevelen dat deze vapes worden onttrokken aan het verkeer.
9 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 36b, 36c 14c van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet.
10 De beslissing
De rechtbank:
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;
? bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
? beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende voorwerpen:
o 1.940 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325318, vape wedding cake 2 grams met hennep/thc);
o 1.805 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325315, vape wedding cake 1 gr. met hennep/thc);
o 1.820 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325312, vape candyland 2 gr met hennep/thc);
o 1.942 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325310, vape candyland 1 gr met hennep/thc);
o 1.959 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325308, vape gelato 2 gr met hennep/thc);
o 1.853 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0600-2024518891-G3325273, vape gelato 1 gr met hennep/thc).
|
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. M.W.R. Koch en mr. P.M. Lindeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 januari 2026. |
||
|
mr. P.M. Lindeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. |
||