Strafrecht overig
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn…
Rechtbank Gelderland, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:4669 · Rechtbank Gelderland · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2026-4669
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- 315248-25 en 08/353931-25 (gev. ttz.)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4669
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner, door onder meer een GPS-tracker onder haar auto te plaatsen, camera’s rond haar woning te plaatsen, een voicerecorder in de tas van hun zoontje te plaatsen en meerdere keren bij haar woning te komen. Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte de zus van zijn ex-partner heeft mishandeld. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 151 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, alsmede een taakstraf van 80 uren. Ook legt de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr op. Tot slot moet verdachte een schadevergoeding betalen aan zijn ex-partner en haar zus.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/315248-25 en 08/353931-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 11 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1987 op Curaçao,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. M. Mulderij-Anker, advocaat in Zwolle.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2026.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 05/315248-25
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met
21 november 2025 te [plaats] , gemeente Oldebroek en/of te Kampen en/of te Epe en/of te Emmeloord, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, te weten die van [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] , door:
- meermaals door de straat van de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] te rijden, en/of
- een of meermaals langs het politiebureau te Epe (waar die [slachtoffer 1] zich op dat moment bevond) te rijden, en/of
- zich meermaals te begeven naar en/of zich rondom de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] op te houden, en/of
- een of meermaals de auto, waarin die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] zich (steeds) bevond(en) met zijn, verdachtes, auto te (achter)volgen, en/of
- een of meermaals die [slachtoffer 1] (whatsapp-)berichten met intimiderende en/of bedreigende te sturen, en/of
- in de tas van die [slachtoffer 2] een voicerecorder te plaatsen en/of (daarmee en/of in de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] ) een of meer gesprekken op te (laten) nemen, en/of
- een of meermaals camera's, in elk geval opname-apparatuur, rondom en/of in de (directe) omgeving en/of in de richting van de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] te plaatsen, en/of
- een (zogenaamde) tracker onder de auto van die [slachtoffer 1] te plaatsen, en/of
- een of meermaals familie en/of bekenden van die [slachtoffer 1] met brieven en/of (andere) berichten te naderen en/of met het verzoek die brieven en/of berichten door te zetten naar die [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] , te dwingen iets te
doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
parketnummer 08/353931-25
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Kampen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal (met kracht) een autoportier tegen het been van die [slachtoffer 3] te duwen.
2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Parketnummer 05/315248-25
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor belaging, voor zover die belaging ziet op zijn zoontje [slachtoffer 2] .
De rechtbank overweegt dat belaging een klachtdelict is; een klacht is dan een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Die klacht of iets waaruit anderszins de wens tot vervolging kan blijken, ontbreekt. Zij is van oordeel dat het openbaar ministerie alleen al om die reden niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor belaging voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] .
3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Parketnummer 05/315248-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behoudens de pleegperiode. Zij heeft gesteld dat er vanaf maart 2025 namelijk een normale omgangsregeling was en dat verdachte bij aangeefster mocht komen, tot het moment dat er door verdachte een intimiderend WhatsApp-bericht werd gestuurd en een voicerecorder werd geplaatst.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 10 september 2025 aangifte en klacht gedaan van belaging door haar ex-partner, verdachte. Zij heeft verklaard dat zij in maart 2025 de relatie met verdachte beëindigde en naar haar nieuwe huurwoning in [plaats] vertrok. Zij zei vaak tegen verdachte dat ze klaar was met de relatie en dat ze rust wilde. Vanaf het moment van beëindigen van de relatie begon verdachte vaak met zijn auto langs haar woning te rijden, zich regelmatig rond de woning op te houden en rond de woning te lopen. Verdachte hield zich ook regelmatig met de auto voor de deur van de woning van haar ouders op.
Op 22 mei 2025 kreeg aangeefster een WhatsApp-bericht van verdachte waarin hij onder meer schreef dat hij wel snapte dat mannen soms hun ex-partner iets aandoen en dat hij die mannen daar gelijk in geeft. Verdachte heeft verklaard dat hij dit app-bericht inderdaad heeft verstuurd.
Op 25 of 26 mei 2025 kwam aangeefster erachter dat er een voicerecorder in de tas van haar zoontje zat. Aangeefster heeft verklaard dat de recorder aan stond en aan het opnemen was.
Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij een voicerecorder in de tas van zijn zoontje had gestopt.
Aangeefster heeft verder verklaard dat haar buren [getuige 1] en [getuige 2] begin juli 2025 vertelden dat in de nacht een man bij de schutting achter de woning van aangeefster stond. Toen aangeefster hen een foto van verdachte liet zien, vertelden deze buren dat dit de man was die bij de schutting had gestaan.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 9 juli 2025 hun zoontje ophaalde en dat zij later die dag van een collega hoorde dat verdachte op het terrein van haar werkadres was. Verdachte was daar gezien zonder hun zoontje.
Op 13 juli 2025, toen het zoontje weer bij verdachte was, kreeg aangeefster een bericht van haar buurvrouw waarin stond dat zij verdachte rond 00:30 uur achter de woning van aangeefster had gezien. Getuige [getuige 1] , de buurman van aangeefster, heeft op 14 oktober 2025 verklaard dat hij meerdere keren heeft gezien dat aangeefster werd lastiggevallen door verdachte. Ongeveer 3 maanden daarvoor (de rechtbank begrijpt: rond 14 juli 2025) zag getuige rond 00:30 uur een donkere man in het pad achter de woning van aangeefster staan. De volgende dag vertelde aangeefster getuige hoe verdachte eruit zag en getuige heeft verklaard dat dit signalement overeenkwam met de man die hij had gezien.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op 30 augustus 2025 een camera met een powerbank in de bosjes naast haar woning vond. Deze camera stond gericht op de ingang van haar woning. Verdachte heeft verklaard dat hij deze camera heeft geplaatst.
Aangeefster heeft verder verklaard dat zij op 4 september 2025 met haar zoontje onderweg naar huis fietste, toen verdachte tussen auto’s zag en dat hij op haar afrende en haar vastpakte. Bovenvermelde getuige [getuige 1] heeft verder verklaard dat aangeefster op 4 september overstuur naar hem toekwam, vertelde dat verdachte haar lastig had gevallen en een filmpje liet zien waarop te zien was dat verdachte tussen geparkeerde auto’s opdook en naar aangeefster toerende. Getuige zocht in de wijk naar verdachte en trof hem in de buurt van de woning van getuige.
Op 9 september 2025 vertelde een buurman aan aangeefster dat ze een camera in hun heg hadden gevonden. Aangeefster zag vervolgens dat er in de heg een camera met daaraan een telefoon zat. Zij herkende de telefoon als een oude telefoon van verdachte. De camera was gericht op de ingang van haar woning. Verdachte heeft verklaard dat hij ook deze keer een camera heeft geplaatst.
Toen aangeefster op 10 september 2025 aangifte deed op het politiebureau in Epe, zagen verbalisanten een BMW 3-serie langs het politiebureau rijden. De bestuurder keek vluchtig om zich heen en keek ook richting het politiebureau. Verdachte was blijkens de politiesystemen kentekenhouder van een BMW met kenteken [kenteken] . Verdachte werd vervolgens in deze aangetroffen in een doodlopende weg bij het politiebureau. De politie voerde een zogenoemd ‘stop-gesprek’ met verdachte, waarin de politie aangaf dat verdachte op geen enkele wijze contact mocht opnemen met aangeefster en niet in [plaats] mocht komen. De politie gaf verder aan dat de omgang met het zoontje via de advocaat van verdachte ofwel het Centrum Jeugd en Gezin moest lopen.
Op 21 november 2025 deed aangeefster wederom aangifte en klacht van belaging door verdachte. Zij verklaarde dat verdachte op 7 en 11 oktober 2025 weer rondreed in de straat waarin zij woont. Op 11 oktober wilde hij haar een brief geven. Getuige [getuige 3] heeft op 12 oktober 2025 verklaard dat zij tegenover aangeefster woont en dat zij een dag eerder – toen zij voor de woning van aangeefster langs reed – verdachte daar zag lopen.
Op 13 oktober 2025 nam een oud-therapeut van aangeefster en verdachte contact op met aangeefster. Zij gaf aan dat verdachte een brief voor aangeefster had en wilde weten of zij deze wilde lezen. In de nacht van 13 oktober 2025 belde een buurvrouw van aangeefster en zij vertelde aangeefster dat verdachte in de straat stond, dat hij een brief wilde geven en wilde dat het goed kwam met zijn gezin. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 oktober 2025 rond 00:00 uur naar huis liep via het achterpad en verdachte daar zag. Verdachte zei tegen getuige dat hij aangeefster een brief wilde geven. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij in de straat was om een brief aan aangeefster te geven en dat hij de therapeut een brief heeft gegeven zodat zij deze aan aangeefster kon overhandigen.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op 15 oktober 2025 met haar moeder en zus naar de Albert Heijn in Hattem reed. Haar zus vertelde dat zij zag dat verdachte achter haar aan reed. Aangeefster parkeerde snel de auto en zag dat verdachte stopte en daarna weer doorreed. Aangeefster meldde bij de politie dat zij achtervolgd werd door verdachte en de politie trof verdachte vervolgens aan in [plaats] . Verdachte heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij bij de Albert Heijn was, dat toen de tracker al onder de auto van aangeefster zat en dat hij die gebruikte om te kijken waar aangeefster was.
Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte op 17 oktober 2025 wederom bij haar woning was. Een buurman van aangeefster zei tegen haar dat hij verdachte rond 05:00 uur in de straat zag. Later hoorde aangeefster van de buren dat verdachte meerdere malen in de straat was waar aangeefster woont. Dit was bijvoorbeeld ook het geval op 21 oktober 2025.
Op 16 oktober 2025 heeft [getuige 1] , een buurman van aangeefster (de eerder genoemde getuige [getuige 1] ), verklaard dat hij verdachte de afgelopen week vier keer in de omgeving had gezien.
Op 10 november 2025 heeft de voorzieningenrechter verdachte per direct verboden contact op te nemen met moeder en om zich in de buurt van haar woning te begeven.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op 20 november 2025 met pech in Kampen stond. Zij zag toen dat er een zwart kastje onder haar auto zat. Een medewerker van de ANWB gaf aan dat het een zogenoemde tracker betrof. Vervolgens reed verdachte het parkeerterrein op. De politie kwam ter plaatse en vond onder de auto van aangeefster een voorwerp dat op een tracker leek. Diezelfde dag rond 19:20 uur belde de zus van aangeefster en zij vertelde aangeefster dat verdachte weer in de straat stond.
Verbalisanten zijn toen naar de woning van aangeefster gegaan en troffen verdachte op 110 meter afstand van haar woning aan. Verbalisanten zeiden tegen verdachte dat hij niet meer in de omgeving van zijn ex-partner mocht komen en daarop zei verdachte dat het enige wat hem rustig kon maken is dat hij in de buurt van de woning van zijn ex-partner en kind is. Verbalisanten begeleidden verdachte richting Emmeloord, maar kregen rond 22:04 uur de melding dat verdachte in de achtertuin van aangeefster stond. Aangeefster liet toen een video zien waarop te zien was dat verdachte over de schutting klom, de achtertuin van aangeefster in.
Op 20 november 2025 is de telefoon van verdachte in beslag genomen en daarop werden screenshots van de applicatie WhatsGPS gevonden. Dat is een applicatie waarmee de aangetroffen tracker gevolgd kan worden.
Verdachte heeft verklaard het klopt dat hij op 20 november 2025 rond 22:00 uur bij de woning van aangeefster was. Hij heeft verklaard dat hij in zijn paniek meerdere keren per dag via de tracker keek waar de auto was. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij dan naar de plaats(en) reed waar aangeefster was.
Aangeefster heeft verklaard dat zij zich door de gedragingen van verdachte constant angstig voelt en constant op haar hoede is.
Tenlastegelegde gedragingen
De rechtbank acht op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 maart 2025 tot en met 21 november 2025 meermaals door de straat van aangeefster heeft gereden, zich heeft begeven rondom die woning, aangeefster is gevolgd met de auto, haar een intimiderende en bedreigende app-bericht stuurde, een voicerecorder plaatste om gesprekken op te nemen, meermaals camera’s rondom de woning van aangeefster plaatste, via anderen aangeefster probeerde te benaderen met brieven en een tracker onder de auto van aangeefster plaatste.
Belaging
Deze gedragingen heeft verdachte binnen een periode van ruim acht maanden verricht. Verdachte heeft in deze periode op veel verschillende momenten, op verschillende manieren op zeer indringende wijze contact met aangeefster gezocht, ook na een met hem door de politie gevoerd stop-gesprek. Daarnaast heeft hij haar met gebruikmaking van technische hulpmiddelen afgeluisterd, gefilmd en haar bewegingen met een tracker onder haar auto gevolgd. Gelet op het vorenstaande, de lange duur van de periode waarin verdachte contact heeft gezocht met aangeefster, de frequentie en de indringendheid daarvan, heeft verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Verdachtes gedragingen waren naar het oordeel van de rechtbank – anders dan verdachte stelt – gericht op aangeefster en niet enkel gericht op het contact met zijn zoontje, hetgeen onder meer blijkt uit het gegeven dat verdachte op 9 en 13 juli 2025 bij respectievelijk de werklocatie en de woning van aangeefster kwam, terwijl verdachte op dat moment al de zorg voor hun zoontje had. Desondanks kwam verdachte op de werklocatie en kwam hij in de nacht bij de woning van aangeefster. Bovendien is verdachte met de stalking begonnen op het moment dat hij nog gewoon omgang had met zijn zoontje. Die omgang stopte immers pas later, rond 25 augustus 2026. Dat zijn uitsluitend handelingen gericht waren op contact met zijn zoontje omdat hij die niet meer zag, past niet daar niet bij. De rechtbank is van oordeel dat uit bovenvermelde bewijsmiddelen volgt dat verdachte met zijn gedragingen het oogmerk had aangeefster vrees aan te jagen. Verdachte stuurde immers onder meer een app-bericht met een intimiderende inhoud en volgde haar op indringende wijze met verschillende technische hulpmiddelen, waarbij hij ook daadwerkelijk op plaatsen verscheen waar zij was.
Door steeds contact te blijven zoeken met aangeefster, haar via onder meer een tracker te volgen en haar meermaals te verrassen met zijn aanwezigheid op plaatsen waar zij dit niet hoefde te verwachten, heeft verdachte aangeefster daarnaast geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van dit contact met verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte aangeefster ook heeft gedwongen te dulden dat hij in contact bleef met haar en dat bovenvermelde gedragingen ook daarop waren gericht.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging.
Parketnummer 08/353931-25
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 3] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van mishandeling, omdat hij geen opzet had op het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 3] . Verdachte wilde namelijk alleen het portier sluiten en raakte daarbij ongewild het been van die [slachtoffer 1] .
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 16 juni 2025 met haar zus [slachtoffer 1] (bovenvermelde [slachtoffer 1] ) meeging om het zoontje van [slachtoffer 1] bij verdachte op te halen in Kampen. Uiteindelijk pakte verdachte zijn zoontje en ging op de bestuurdersstoel van zijn auto zitten. Aangeefster ging in de deuropening van het portier aan de bestuurderszijde staan om te voorkomen dat verdachte het portier zou sluiten en weg zou rijden. Daarop trok verdachte meermaals hard aan de deur, waardoor deze deur tegen haar onderbeen kwam. Aangeefster voelde pijn aan haar onderbeen en had nadien een paarse plek op haar onderbeen.
Verdachte heeft verklaard dat hij het portier meerdere keren dicht probeerde te trekken, dat hij op dat moment zag dat aangeefster tussen het portier en zijn auto stond en dat het portier daardoor tegen het been van aangeefster kwam.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het meermaals met kracht dichttrekken van het portier, terwijl aangeefster tussen dit portier en de auto in stond, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het portier tegen haar aan zou komen en dit pijn en/of letsel zou veroorzaken.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling.
4 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummers 05/315248-25 en 08/353931-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/315248-25
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met
21 november 2025 te [plaats] , gemeente Oldebroek en/of te Kampen en/of te Epe en/of te Emmeloord, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, te weten die van [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] , door:
- meermaals door de straat van de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] te rijden, en/of
- een of meermaals langs het politiebureau te Epe (waar die [slachtoffer 1] zich op dat moment bevond) te rijden, en/of
- zich meermaals te begeven naar en/of zich rondom de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] op te houden, en/of
- een of meermaals de auto, waarin die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] zich (steeds) bevond(en) met zijn, verdachtes, auto te (achter)volgen, en/of
- een of meermaals die [slachtoffer 1] een (WhatsApp-)berichten met intimiderende en/of bedreigende inhoud te sturen, en/of
- in de tas van die [slachtoffer 2] een voicerecorder te plaatsen en/of (daarmee en/of in de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2]) een of meer gesprekken op te (laten) nemen, en/of
- een of meermaals camera's, in elk geval opname-apparatuur, rondom en/of in de (directe) omgeving en/of in de richting van de woning van die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2] te plaatsen, en/of
- een (zogenaamde) tracker onder de auto van die [slachtoffer 1] te plaatsen, en/of
- een of meermaals familie en/of bekenden van die [slachtoffer 1] met brieven en/of (andere) berichten te naderen en/of met het verzoek die brieven en/of berichten door te zetten naar die [slachtoffer 1] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of haar zoontje [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
parketnummer 08/353931-25
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Kampen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal (met kracht) een autoportier tegen het been van die [slachtoffer 1] te duwen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/315248-25
belaging
parketnummer 08/353931-25
mishandeling
6 De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
7 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
8 De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 147 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaar. Zij heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel als voorwaarden een meldplicht en het meewerken aan ambulante behandeling worden verbonden. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 80 uren wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende een contact- en locatieverbod, met betrekking tot [slachtoffer 1] , voor de duur van 5 jaar, wordt opgelegd. Per overtreding geldt een hechtenis van 3 dagen, met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel zal bevelen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, kunnen worden verbonden en dat oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr niet nodig is, en al helemaal niet dadelijk uitvoerbaar. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf niet ook een taakstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Hij heeft in een periode van ruim acht maanden veelvuldig en op indringende wijze contact gezocht met zijn ex-partner en volgde haar bewegingen met gebruikmaking van camera’s, een voicerecorder en een GPS-tracker. Hij heeft daarbij zelfs zijn zeer jonge zoontje ingezet, door een voicerecorder in zijn tas te verstoppen. Belaging, in het normaal spraakgebruik ook wel stalking genoemd, is een zeer hinderlijk en angstaanjagend feit. Stalking heeft in de regel enorm negatieve en vaak schadelijke gevolgen voor slachtoffers, omdat zij constant geconfronteerd worden met ongewenst contact en daardoor beperkt worden in hun vrijheid en hun gevoel van veiligheid en privacy. Uit de slachtofferverklaring blijkt ook dat aangeefster er tot op heden de gevolgen van ondervindt. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt mishandeling van de zus van zijn ex-partner, in het bijzijn van zijn zoontje. Uit haar verzoek tot schadevergoeding blijkt dat deze mishandeling gevoelens van angst veroorzaakte, alsmede pijnklachten die meerdere weken aanhielden.
De persoon van verdachte
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Verdachte kon niet goed omgaan met de nieuwe situatie – waarbij de relatie met zijn partner werd beëindigd en hij zijn zoontje minder zag – en kreeg stevige somberheidsklachten en angstklachten met paniekaanvallen. Vanuit de somberheids-, angst- en paniekklachten was hij zeer emotioneel en niet meer volledig in staat om zijn gedrag te reguleren. Cognitief wist hij nog wel dat zijn gedragingen strafbaar waren, maar zijn emotionaliteit maakte dat hij nauwelijks tot niet daarbij stilstond. Daarbij kan volgens de psycholoog niet worden gezegd dat verdachte in zijn stalkingsgedrag volledig werd gestuurd door verstoorde psychische functies. De psycholoog adviseert om daarom de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De psycholoog schat het risico op herhaling in als laag tot matig en adviseert verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf ambulant te laten behandelen voor zijn aanpassingsstoornis in een instelling voor forensische geestelijke gezondheidszorg.
Verdachte is op 20 januari 2026 geschorst uit voorlopige hechtenis. Uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte in het kader van het schorsingstoezicht afsprakentrouw is en zich heeft ingezet om een behandeling te starten. De reclassering schat het risico op herhaling in als laag-gemiddeld en vindt net als de psycholoog een ambulante behandeling bij een forensische kliniek passend. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met [slachtoffer 1] , een locatieverbod voor [plaats] en meewerken aan een ambulante behandeling.
De rechtbank onderschrijft de conclusies van de psycholoog en stelt vast dat ten tijde van het plegen van het feit bij verdachte sprake is geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, die invloed heeft gehad op het denken en handelen van verdachte ten tijde van de feiten. Verdachte wordt daarom in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.
Straf en maatregel
Gelet op de ernst van de feiten en de impact daarvan op aangeefster en haar omgeving acht de rechtbank geen andere straf passend dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft 61 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht, De rechtbank zal dit deel als onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan hem opleggen. Om herhaling te voorkomen is het belangrijkste dat verdachte behandeld wordt, nu hij mede door zijn stoornis is gekomen tot deze feiten. De rechtbank zal aan hem een voorwaardelijk strafdeel opleggen als stok achter de deur om verdachte te weerhouden opnieuw in de fout te gaan en om aan hem de noodzakelijke verplichte behandeling op te kunnen leggen. Daaraan zal de rechtbank de voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd: een meldplicht, het meewerken aan ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod, waarop door de reclassering een uitzondering gemaakt kan worden op het moment dat het gaat om contact die betrekking heeft op (de omgang met) hun zoon Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen, omdat verdachte ook na het zogenoemde stop-gesprek met de politie en na het door de voorzieningenrechter opgelegde contact- en locatieverbod is doorgegaan met de stalking. Tot slot acht de rechtbank gelet op de aard en ernst van de feiten ook oplegging van een taakstraf passend.
Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opleggen. Het onvoorwaardelijke strafdeel is gelijk aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 61 dagen. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast legt de rechtbank aan hem een taakstraf op van 80 uren.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank aan verdachte verder een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel zal inhouden een contactverbod met [slachtoffer 1] en een locatieverbod voor de plaats [plaats] , beiden voor de duur van drie jaar. De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt één week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden voor beide verboden samen, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op. De rechtbank zal niet bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat de psycholoog en de reclassering het gevaar op herhaling inschatten als laag-matig en de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis door zal laten lopen, waardoor de schorsingsvoorwaarden - waaronder het contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer 1] - ook van toepassing blijven. In dat geval is het niet nodig om de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Zij zal de schorsingsvoorwaarde inhoudende dat verdachte meewerkt aan elektronische monitoring vervallen verklaren, omdat de reclassering handhaving van het locatieverbod middels elektronische monitoring niet meer nodig acht. De rechtbank realiseert zich dat verdachte dan op twee grondslagen een contact- en locatieverbod krijgt opgelegd. Dit wordt van belang geacht omdat verdachte hardnekkig is gebleken in zijn gedrag, een 38v-maatregel ervoor zorgt dat snel kan worden opgetreden zonder dat de opgelegde behandeling gevaar loopt omdat het voorwaardelijk deel wordt opgesoupeerd en de bijzondere voorwaarde ervoor zorgt dat ook de reclassering deze verboden kan monitoren en, indien nodig, aan de bel kan trekken. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om in het kader van het voorwaardelijke strafdeel of de vrijheidsbeperkende maatregel een contact- of locatieverbod op te leggen ten aanzien van [slachtoffer 3] , de zus van [slachtoffer 1] , omdat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte voorafgaand of na de mishandeling van die [slachtoffer 3] contact met haar zocht.
9 De beoordeling van de civiele vorderingen
1. Parketnummer 05/315248-25 (benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] )
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met het feit met parketnummer 05/315248-25 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van € 24.170,13 aan materiële schade en € 3.000 aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij € 40,52 aan proceskosten. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich ten aanzien van het gevorderde verlies aan verdienvermogen primair op het standpunt gesteld dat behandeling van de vordering op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vordering op dit punt dient te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de kosten van het eigen risico, de reiskosten, de kosten voor de aanschaf van de camera’s en de immateriële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de schadevergoeding in verband met de gestelde lagere verkoopopbrengst van de auto heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze schade niet het rechtstreekse gevolg is van het handelen van verdachte en om die reden moet worden afgewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Kosten eigen risico
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 322,44 gevorderd in verband met kosten, bestaande uit het eigen risico, voor twee behandelingen door een psycholoog in januari en februari 2026. De vordering is op dit punt onderbouwd met twee digitale overzichten waaruit de verplichting tot het betalen van dat eigen risico (2 maal € 166,22) blijkt. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 322,44 worden toegewezen. Van toekenning van wettelijke rente vanaf een datum gelegen vóór de psychologische behandelingen, zoals gevorderd, kan geen sprake zijn. Verdachte is vanaf 21 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Dat wettelijke rente eerder verschuldigd is, is gesteld noch gebleken.
Reiskosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 61,70 gevorderd in verband met reiskosten die zij heeft gemaakt voor behandeling door een psycholoog, het bijwonen van bijeenkomsten van een lotgenotengroep en voor het doen van aangifte. De vordering is op dit punt onderbouwd met een kopie van het dossier van genoemde psychologiepraktijk, de aanmelding voor de lotgenotengroep en reisadviezen van een routeplanner. De vordering tot vergoeding van deze schade is niet betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 61,70 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 21 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Dat wettelijke rente eerder verschuldigd is, is gesteld noch gebleken.
Kosten aanschaf camera’s
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 351,99 gevorderd in verband met de aanschaf van drie camera’s. De vordering is op dit punt onderbouwd met een kopie van drie facturen, met een totaalbedrag van € 351,99, voor de aanschaf van camera’s tussen de periode van 30 augustus tot en met 9 september 2025. De benadeelde partij voelde zich in deze periode door de belaging onveilig in haar eigen omgeving, nu verdachte ook meermaals bij haar woning verscheen en daar ook apparatuur plaatste om haar te filmen en geluid op te nemen. Hierdoor ontstond voor de benadeelde de noodzaak om de camera’s aan te schaffen, als maatregel ter bescherming. De verdediging heeft het rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaarde onrechtmatige gedragingen van verdachte en de aanschaf van deze camera’s niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het tenlastegelegde en de gemaakte kosten in verband met de aanschaf van deze camera’s. De hoogte van de vordering is evenmin betwist en komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of onredelijk voor. Daarom zal de vordering voor een bedrag van € 351,99 worden toegewezen. Verdachte is vanaf 21 mei 2026, de datum van indienen van de vordering, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Dat wettelijke rente eerder verschuldigd is, is gesteld noch voldoende duidelijk gebleken.
Verlies van verdienvermogen
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 21.024,- gevorderd omdat zij de diensten die zij als zzp’er draaide (naast haar baan in loondienst, ook na de geboorte van haar zoon in 2024) als gevolg van het tenlastegelegde niet meer kan uitvoeren vanaf medio 2025. Ter onderbouwing van de vordering zijn kopieën van belastingaangiften van 2023 tot en met 2025, schermafbeeldingen van gesprekken waarin de benadeelde partij aangeeft dat zij geen diensten kan draaien en facturen in verband met door haar gedraaide uren overgelegd. De vordering is gebaseerd op de schade over 2025 en 2026 en bestaat dus voor een deel uit toekomstige schade. De benadeelde partij heeft ter berekening van de hoogte van de schade de gemiddelde jaarwinst uit onderneming over 2023 en 2024 vergeleken met die uit 2025 en 2026 (nihil, wel bedrijfskosten gemaakt). Het verschil wordt gevorderd als bruto schadebedrag.
De vordering van deze schade is gemotiveerd betwist door de verdediging. Namens verdachte is er onder meer op gewezen dat er geen informatie beschikbaar is over de uit de gestelde gezondheidstoestand van de benadeelde voortvloeiende beperkingen, veelal vastgesteld door een arbeidsdeskundige en de invloed van eerdere trauma’s (zoals die volgen uit de stukken). Ook ontbreken de jaarrekeningen; belastingaangiften volstaan volgens de verdediging niet.
Om vast te kunnen stellen wat de medische situatie is van benadeelde partij en wat de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn en in hoeverre zij door die beperkingen niet kan werken, in welke mate die beperkingen verband houden met het bewezenverklaarde, of sprake is van een medische eindsituatie en of en zo ja, in welke mate is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van toekomstige schade (onder andere: kan de benadeelde ook de rest van 2026 niet werken en waaruit volgt dat?), zijn meer gegevens en nader onderzoek vereist. Dat nadere onderzoek zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering in verband met het gestelde verlies aan verdienvermogen. Zij kan de vordering tot vergoeding van deze kosten aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Lagere verkoopopbrengst auto
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 2.400,- gevorderd in verband met de lagere verkoopopbrengst van haar auto. Benadeelde partij voelde zich, onder meer vanwege het feit dat verdachte een tracker onder haar auto had geplaatst, genoodzaakt de auto zo spoedig mogelijk te laten verkopen aan een autobedrijf. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanwege haar angsten geen vreemden bij haar kon laten komen om de auto te laten bezichtigen. De auto is verkocht voor € 2.000,- euro en had volgens de ANWB koerslijst bij particuliere verkoop € 4.400,- op kunnen brengen. De benadeelde partij vordert het verschil tussen de daadwerkelijke opbrengst en de opbrengst volgens genoemde koerslijst. Ter onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde onder meer transactieoverzichten in verband met de aankoop van de auto, een transactieoverzicht in verband met de verkoop van de auto en de ANWB koerslijst overgelegd.
De verdediging heeft het rechtstreeks verband tussen het tenlastegelegde en deze schadepost gemotiveerd betwist. Namens verdachte is aangevoerd dat de benadeelde haar auto door iemand anders aan een particulier had kunnen laten verkopen.
De rechtbank overweegt als volgt. De hier gevorderde schade is, volgens de benadeelde partij, het gevolg van de (in haar ogen: door het bewezenverklaarde veroorzaakte) beslissing haar auto niet aan een particulier, maar aan een autobedrijf te verkopen. De rechtbank is echter van oordeel dat de stelling dat de lagere verkoopopbrengst het gevolg is van in redelijkheid aan verdachte toe te rekenen omstandigheden, in het licht van de betwisting door verdachte, door de benadeelde onvoldoende is onderbouwd. Bij die stand van zaken zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde belaging op andere wijze in de persoon is aangetast. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval namelijk met zich dat de gestelde nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De daaruit voortvloeiende schade komt dan ook door vergoeding door verdachte in aanmerking. De rechtbank zoekt wat betreft de hoogte van het schadebedrag aansluiting bij de categorie ‘(b) Ernstig’ in belagingszaken, zoals uitgewerkt in de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag op een bedrag van € 3.000,- vaststellen. Daarbij neemt de rechtbank mede de duur van de belaging (8 maanden), het gebruik van verschillende (communicatie)middelen, het doorgaan na het stop-gesprek en de gevolgen voor het slachtoffer in aanmerking. Verdachte is vanaf 11 juli 2025, het midden van de pleegperiode, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank zal de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schade.
Proceskosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 40,52 gevorderd in verband met reiskosten die zijn gemaakt voor een slachtoffergesprek bij het openbaar ministerie. De reiskosten naar het openbaar ministerie voor een slachtoffergesprek zijn echter geen toewijsbare proceskosten. De rechtbank zal de proceskosten daarom op nul begroten.
Totaalbedrag
Dit maakt dat het totale bedrag aan schadevergoeding uitkomt op € 3.736,13, bestaande uit € 736,13 aan materiële schade en € 3.000 aan immateriële schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als de toegewezen bedragen niet worden betaald, kunnen 37 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
[slachtoffer 2]
Namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] (wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder, [slachtoffer 1] ) is in verband met het feit onder parketnummer 05/315248-25 eveneens een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, vanwege het feit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 2] .
2. Parketnummer 08/353931-25 (benadeelde partij [slachtoffer 3] )
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in verband met het feit onder parketnummer 08/353931-25 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 600,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300,-, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering gelet op vergelijkbare zaken tot een bedrag van € 100,- kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 BW valt. Door het feit heeft de benadeelde partij immers lichamelijk letsel opgelopen, hetgeen is onderbouwd met foto’s van bloeduitstortingen. Dit is ook niet door de verdediging weersproken. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Naar maatstaven van billijkheid, rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en het letsel, en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken plegen toe te wijzen, zal de rechtbank een schadebedrag van € 300,- toewijzen. Verdachte is vanaf 16 juni 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Als het toegewezen bedrag niet worden betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
10 De beoordeling van het beslag
Parketnummer 05/315248-25
De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoon met goednummer PL0600-2025436454-G3531054 verbeurd zal worden verklaard, omdat met deze telefoon het strafbare feit is begaan. De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de telefoon aan verdachte.
De rechtbank zal de telefoon (met goednummer PL0600-2025436454-G3531054) met behulp waarvan het feit met parketnummer 05/315248-25 is begaan of voorbereid, verbeurd verklaren. Deze telefoon zat namelijk vast aan een verborgen camera die gericht was op de woning van aangeefster.
11 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
12 De beslissing
De rechtbank:
? verklaart ten aanzien van feit 1 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor zover de vervolging ziet op [slachtoffer 2] ;
? verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen;
-
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
? stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering bij Reclassering Nederland op het adres Middendreef 293 te Lelystad, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
-
verdachte zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
-
verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met mevrouw [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1989, woonachtig aan de [adres 2] in [plaats] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt met dien verstande dat de reclassering contact kan toestaan op het moment dat dit in het belang is van de zoon van verdachte en [slachtoffer 1] ;
-
verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in [plaats] ;
? geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovenvermelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
-
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
-
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (61 dagen), bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
? laat het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis in stand en bepaalt dat de schorsingsvoorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde dat verdachte meewerkt aan elektronische monitoring op het locatieverbod, van toepassing blijven;
? verklaart bovenvermelde schorsingsvoorwaarde, inhoudende dat verdachte meewerkt aan elektronische monitoring op het locatieverbod, vervallen;
? legt op een taakstraf van 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;
? legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
-
een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 3 jaren niet bevindt in [plaats] ;
-
een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1989, woonachtig aan de [adres 2] in [plaats] ;
? beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden in totaal voor beide verboden samen. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
? verklaart verbeurd de telefoon met goednummer PL0600-2025436454-G3531054;
? veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05/315248-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 3.736,13, bestaande uit € 736,13 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. Het bedrag aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en het bedrag aan immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
? veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 3.736,13, bestaande uit € 736,13 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. Het bedrag aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en het bedrag aan immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 37 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade in de zaak met parketnummer 05/315248-25;
? veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 08/353931-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
? veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
-
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 300,- aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
-
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2026. |
||