Strafrecht overig

Vrijspraak huisarts van ontucht binnen behandelrelatie

Rechtbank Gelderland, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
05/169956-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:5619
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak huisarts van ontucht binnen behandelrelatie

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/169956-25

Datum uitspraak : 15 juli 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

Raadsman: mr. J. Vlug, advocaat in Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 14 oktober 2016 te [woonplaats 1] en/of [woonplaats 2] , in elk geval in Nederland, (telkens) terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,
ontucht heeft gepleegd met [aangever] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachte's hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, terwijl hij werkzaam was als huisarts, genoemde [aangever] (meermalen)
- gezoend,
- betast aan haar vagina en/of vulva,
- met zijn penis en/of vinger(s) in haar vagina gepenetreerd,
- zijn penis in haar mond gebracht,
- bij/over haar vagina gelikt,
- zijn, verdachtes, penis laten betasten/vasthouden en/of aftrekken.

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De tenlastegelegde pleegperiode loopt van 1 mei 2012 tot en met 14 oktober 2016. De dagvaarding is aan verdachte betekend op 15 oktober 2025.

Voor het ten laste gelegde feit geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren, als bedoeld in artikel 70 juncto artikel 239, tweede lid, aanhef en onder 3° (oud), van het Wetboek van Strafrecht. De verjaringstermijn vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd en kan door een daad van vervolging worden gestuit.

De betekening van de dagvaarding op 15 oktober 2025 vormt een daad van vervolging die in dit kader relevant is en heeft de verjaring weliswaar gestuit, maar laat onverlet dat de verjaringstermijn ten aanzien van de vóór 15 oktober 2013 gepleegde feiten reeds was voltooid ten tijde van die stuiting.

Dit brengt mee dat de strafbare feiten die zijn gepleegd vóór 15 oktober 2013 zijn verjaard. Het Openbaar Ministerie is in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de periode 1 mei 2012 tot en met 14 oktober 2013.

De rechtbank zal de beoordeling van de tenlastelegging derhalve beperken tot de periode vanaf 15 oktober 2013.

3 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd, inhoudende een ontzetting uit het recht om het beroep van huisarts, dan wel een soortgelijk medisch beroep, uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Voorts wordt betwist dat sprake was van ontucht. Volgens de verdediging ontbreekt iedere aanwijzing voor afhankelijkheid of misbruik van een behandelrelatie.

4 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank dient te beoordelen of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht binnen een arts-patiëntrelatie.

Niet ter discussie staat dat tussen verdachte en aangeefster een behandelrelatie bestond. Aangeefster was sinds 2002 patiënt in de praktijk waar verdachte als huisarts werkzaam was en heeft hem gedurende een lange periode (zeer) frequent bezocht. De behandelrelatie heeft tot 2023 voortgeduurd.

Wat ook niet ter discussie staat, is dat aangeefster en verdachte op enig moment seksuele handelingen met elkaar hebben verricht (in de periode dat zij zijn patiënt was). Aangeefster en verdachte hebben namelijk allebei verklaard dat dit is gebeurd in de woning van verdachte in [woonplaats 2] . De verklaringen van aangeefster en verdachte lopen echter volledig uiteen als het gaat om de periode waarin dat is gebeurd en hoe vaak dat is gebeurd.

Aangeefster heeft in het informatief gesprek zeden op 22 maart 2023 en in haar aangifte van 4 april 2023 verklaard dat zij tussen 2012/2013 en 2016 meermalen seksueel contact met verdachte heeft gehad in zijn praktijk, in zijn woning in [woonplaats 2] en later in zijn woning in [woonplaats 1] . Dit contact zou onder meer hebben bestaan uit penetratie, het pijpen van verdachte en seksuele handelingen die verdachte bij aangeefster verrichtte. Volgens aangeefster vond het contact onregelmatig plaats, met wisselende en soms langere tussenpozen, en is dit in 2016 geëindigd.

Verdachte heeft daartegenover verklaard dat tussen hem en aangeefster éénmalig seksuele handelingen hebben plaatsgevonden in zijn woning in [woonplaats 2] . Het zou daarbij zijn gegaan om zoenen, vingeren en aftrekken, waarbij verdachte is klaargekomen. Volgens verdachte heeft dit contact in 2011 of 2012, en dus vóór de tenlastegelegde periode, plaatsgevonden. Verdachte ontkent dat sprake is geweest van verdergaand of herhaald seksueel contact.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van zowel aangeefster en getuige(n) als verdachte eerst geruime tijd na de gestelde feiten zijn afgelegd, te weten in of na 2023, terwijl de gestelde gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden in de periode 2013 tot en met 2016. De verklaringen zijn daarmee tot stand gekomen na een aanzienlijk tijdsverloop. Dit maakt dat deze verklaringen met de nodige voorzichtigheid moeten worden beoordeeld. Dit uitgangspunt wordt meegenomen bij de beoordeling van de andere bewijsmiddelen in het dossier.

De verklaringen van aangeefster vinden op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank is er desondanks niet van overtuigd geraakt dat de verdachte in de (vanwege de verjaring beperktere) ten laste gelegde periode heeft gedaan waarvan hij wordt beschuldigd. Op grond van de verklaringen van aangeefster en de andere stukken in het procesdossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld wanneer het seksuele contact of de seksuele contacten tussen aangeefster en verdachte hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Een vriendin van aangeefster, getuige [getuige] , heeft verklaard dat aangeefster haar heeft verteld dat zij meermalen seksueel contact met haar huisarts heeft gehad. Zij heeft ook gezien dat verdachte aangeefster een keer heeft opgehaald van een taalcursus die zij samen met aangeefster volgde. [getuige] heeft echter niet verklaard wanneer zij dit heeft gezien en wanneer aangeefster haar één en ander heeft verteld. Uit haar verklaring kan wel worden opgemaakt dat de seksuele relatie tussen aangeefster en verdachte (volgens de getuige) begon toen aangeefster in scheiding lag en voor behandeling naar de huisarts ging. In het kader daarvan staat in het patiëntendossier van aangeefster echter vermeld dat zij verdachte als huisarts al in april 2010 heeft bezocht omdat zij relatieproblemen had en haar man wilde scheiden. Verdachte heeft bevestigd dat hij aangeefster ooit heeft opgehaald van een taalcursus. Dit was volgens verdachte echter in 2011 of 2012. Al met al ontbreekt dus een concrete datering of situering in de tijd ter zake de verklaring van [getuige] , zodat wat zij heeft verklaard onvoldoende kan worden gekoppeld aan de voor de beoordeling nog van belang zijnde periode. Daar komt bij dat deze verklaring op essentiële onderdelen niet aansluit bij de verklaring van aangeefster zelf. Waar getuige [getuige] verklaart dat zij van aangeefster hoorde over vergaande seksuele contacten in de behandelkamer van verdachte (vrijen op de behandeltafel, bureau en stoel), heeft aangeefster verklaard dat dit niet daar gebeurd is. Daarnaast schetst getuige [getuige] ook een beeld van de relatie tussen aangeefster en verdachte dat sterk afwijkt van de door aangeefster geschetste beleving van die relatie.

Verder is op een inlegkruisje in een onderbroek van aangeefster – die zij jarenlang heeft bewaard – DNA-materiaal (en spermavloeistof) aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van verdachte. Wannéér dit materiaal op het inlegkruisje terecht is gekomen, kan echter niet worden vastgesteld. Dit kan zowel vóór als gedurende de voor de beoordeling nog van belang zijnde periode zijn gebeurd. Gelet op de verklaring van verdachte dat reeds in 2011 of 2012 éénmalig seksueel contact heeft plaatsgevonden, kan dit spoor niet met voldoende zekerheid aan deze periode worden gekoppeld. Evenmin kan (dus) worden vastgesteld dat dit spoor afkomstig is van het door aangeefster gestelde laatste seksuele contact in 2016.

Uit andere stukken in het dossier, waaronder het medisch dossier van aangeefster en de specialistenbrieven volgt verder slechts dat aangeefster patiënt was van verdachte en dat sprake was van regulier en frequent medisch contact. Deze stukken zien uitsluitend op de behandelrelatie en bevatten geen gegevens die betrekking hebben op het tenlastegelegde seksuele contact. De overgelegde foto’s van de huisartsenpraktijk en behandelruimten hebben evenmin voldoende bewijswaarde voor de tenlastegelegde gedragingen of de nog relevante periode.

Al met al blijft de rechtbank met onbeantwoorde vragen zitten over wanneer het seksuele contact of contacten tussen aangeefster en verdachte hebben plaatsgevonden en hoe ver dit ging. En die onbeantwoorde vragen betekenen dat de rechtbank niet de vereiste overtuiging heeft dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit in de nog relevante ten laste gelegde periode heeft begaan. Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit kan worden afgeleid dat zich toen (herhaald) seksueel contact heeft voorgedaan. Iemand kan alleen worden veroordeeld als dit buiten redelijke twijfel en met overtuiging kan worden vastgesteld. Dat is hier niet het geval, en daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken.

5 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] , bijgestaan door mr. P.P.E. Buchele, heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 32.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden

toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk

dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.

Overweging van de rechtbank

Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

5 De beslissing

De rechtbank:

? verklaart het Openbaar Ministerie ter zake het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van de periode 1 mei 2012 tot 15 oktober 2023;

? spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde; en

? verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. P.M. Lindeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.M. van Keulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juli 2026.