Strafrecht overig
De rechtbank wijst de vordering ontneming af.
Rechtbank Limburg, 27 februari 2024
ECLI:NL:RBLIM:2024:912 · Rechtbank Limburg · 27 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-limburg/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rblim-2024-912
Zaakgegevens
Op 27 februari 2024 heeft de Rechtbank Limburg in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank LimburgRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Roermond
- Datum uitspraak
- 27 februari 2024
- Datum publicatie
- 28 februari 2024
- Zaaknummer
- 03.866111.19 ont.
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBLIM:2024:912
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank wijst de vordering ontneming af.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.866111.19 (ontnemingsvordering)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 27 februari 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 29 en 30 januari 2024. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 13 februari 2024 gesloten.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.866111.19. Op 27 februari 2024 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2 De vordering van de officier van justitie
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 203.100,00.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 29 en 30 januari 2024 heeft de officier van justitie bij voordracht van de zaak de vordering gewijzigd in die zin dat het geschatte bedrag is vastgesteld op een bedrag van € 21.385,56.
3 De beoordeling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting van 29 en 30 januari 2024 bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Dit gelet op het feit dat in de strafzaak de verbeurdverklaring is gevorderd van het bedrag dat [verdachte] heeft verworven door witwassen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering afwijzen gelet op het ter terechtzitting ingenomen standpunt van de officier van justitie.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] , af.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. G.H. Hermanides, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Klompe en mr. M.L.L. Ruijters, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 februari 2024.
Buiten staat
Mr. Van de Winkel is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.