Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 1 juli 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3093 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 juli 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2022-3093
Zaakgegevens
Op 1 juli 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 juli 2022
- Datum publicatie
- 30 juli 2022
- Zaaknummer
- 1607197422 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3093
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/071974-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te [verblijfplaats] ,
(hierna te noemen: veroordeelde).
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.A. Bekke en van hetgeen veroordeelde en mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, naar voren hebben gebracht.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, door de officier van justitie geschat op € 8.268,00. Dit bedrag aan voordeel is volgens de officier van justitie verkregen doordat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen van harddrugs. De officier van justitie baseert zich hierbij op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, dat zich in het dossier bevindt.
De officier van justitie verzoekt om toewijzing van de ontnemingsvordering tot een bedrag van € 8.268,00 en om veroordeelde te verplichten tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering overeenkomstig de verklaring van veroordeelde dient te worden bijgesteld. Veroordeelde dealde vanaf eind januari/begin februari 2022 en uitsluitend op maandagen. De overige dagen werkte hij als bezorger. Hij was niet de enige dealer Voorts heeft de politie bij de berekening geen onderscheid gemaakt tussen uitgaande en inkomende oproepen. De uitgaande oproepen betreffen geen transacties. Ook de stellingen dat driemaal contact met een tegennummer als transactie kan worden gezien en dat het gemiddelde bedrag per transactie € 35,- bedraagt, wordt niet ondersteund door het dossier.
3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 1 juli 2022 veroordeeld voor, kort gezegd, de handel in cocaïne en heroïne in de periode van 6 december 2021 tot en met 21 maart 2022.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Gelet op de inhoud van voornoemd vonnis, is voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van het strafbare feit ter zake waarvan hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
Periode en omvang
Uit het rapport blijkt dat tijdens het politieonderzoek onder veroordeelde een mobiele telefoon in beslag is genomen. Uit onderzoek aan deze telefoon (sms-berichten, inkomende gesprekken en contacten) is gebleken dat deze telefoon uitsluitend werd gebruikt voor de verkoop van harddrugs.
In het rapport is bij de berekening van de dealperiode uitgegaan van de periode van 6 december 2021 tot en met 22 maart 2022, een totaal van 105 dealdagen. De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde gedurende die gehele periode heeft gedeald en zal daar bij de berekening dan ook vanuit gaan. De rechtbank heeft in haar vonnis van 1 juli 2022 reeds uiteengezet waarom de door de verdediging bepleite kortere dealperiode volgens de rechtbank niet aannemelijk is geworden. De rechtbank verwijst in het kader van deze ontnemingszaak kortheidshalve naar de in die uitspraak gegeven motivering.
In het rapport is vervolgens beschreven op welke wijze het aantal transacties gedurende de totale dealperiode is berekend, namelijk door een berekening te maken van het aantal unieke contacten per dag. Van een uniek contact is volgens het rapport sprake als het dealnummer meer dan twee keer contact heeft met een bepaald tegennummer. In dat geval kan er volgens het rapport van worden uitgegaan dat een succesvolle transactie heeft plaatsgevonden. Het dagelijkse datagebruik van het dealnummer wordt eveneens gezien als één uniek contact op die dag. De contacten met service- en voicemailnummers zijn bij de berekening buiten beschouwing gelaten.
In het rapport staat verder dat de historische verkeersgegevens van de dealertelefoon zijn verkregen over de periode van 19 december 2021 tot en met 20 maart 2022. In die 91 dagen zijn, blijkens het rapport, in totaal 417 unieke contacten geweest. Dat komt neer op een gemiddeld van 4,58 unieke contacten per dag. Dit getal is in het rapport in het voordeel van veroordeelde naar beneden afgerond en vastgesteld op 4,5 unieke contacten per dag. Dat komt neer op 4,5 drugstransacties per dag.
De rechtbank acht, gelet op de wijze van berekenen, aannemelijk geworden dat veroordeelde het genoemde aantal unieke contacten/drugstransacties per dag heeft gehad. De rechtbank ziet in wat de raadsman heeft aangevoerd geen reden om af te wijken van deze wijze van berekenen. Daarbij betrekt de rechtbank de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting dat gemiddeld drie contacten nodig zijn per transactie. Dat onderstreept de juistheid van de in het ontnemingsrapport gehanteerde berekening.
Bruto opbrengst
In het rapport staat dat 6 getuigen/afnemers zijn gehoord en op basis van hun verklaringen wordt in het rapport uitgegaan van € 35,- per transactie. De rechtbank zal ook dit bedrag per transactie aanhouden, nu de rechtbank, anders dan de raadsman, geen aanleiding heeft om te twijfelen aan wat de afnemers op dit punt hebben verklaard.
In het rapport wordt op basis van het totaal aantal dealdagen, het aantal unieke contacten per dag en het bedrag per transactie geconcludeerd dat het strafbare feit tot de volgende opbrengst heeft geleid:
105 (dealdagen) x 4,5 (unieke contacten) x € 35,- = € 16.537,50.
De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag heeft verdiend en rondt dat in haar verdere berekening af naar € 16.537,-.
Kosten
In het ontnemingsrapport is ten aanzien van de inkoopprijs van de cocaïne en heroïne uitgegaan van de helft van de verkoopprijs. Dat acht de rechtbank aannemelijk en is ook overigens niet betwist. Op grond hiervan worden de inkoopkosten door de rechtbank gewaardeerd op € 8.268,- (50% van € 16.537,-).
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op:
-
opbrengst: € 16.537,-
-
kosten: € 8.268,-
-
wederrechtelijk verkregen voordeel € 8.268,-
In het voorgaande ligt bovendien besloten dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat veroordeelde uitsluitend op maandagen heeft gedeald en hiermee over een periode van 2 maanden € 600,- heeft verdiend.
Een getuige ( [getuige] ) heeft verklaard dat als hij drugs bij veroordeelde kocht, veroordeelde ook wel eens een jonge jongen stuurde. Ook veroordeelde verklaarde dat iemand anders betrokken was bij het dealen. Nu het aannemelijk is dat veroordeelde de ‘hoofddealer’ was en de ‘jonge jongen’ een koerier die sporadisch drugs afleverde, en veroordeelde geen (aannemelijke) verklaring heeft afgelegd over de vergoeding die hij deze jongen zou hebben betaald, heeft de rechtbank deze kostenpost niet in de berekening betrokken.
Betalingsverplichting
De rechtbank ziet geen reden om de betalingsverplichting van veroordeelde op een lager bedrag vast te stellen, dan het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld.
De rechtbank stelt de betalingsverplichting van veroordeelde aan de Staat dan ook gelijk aan het wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 8.268,-.
4 HET TOEGEPASTE WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5 BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 8.268,- (zegge: achtduizend tweehonderd achtenzestig euro en nul eurocent;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 8.268,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 330 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Steijns, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2022.