Strafrecht overig
Ontneming, zie ook ECLI:NL:RBMNE:2022:3726.
Rechtbank Midden-Nederland, 19 september 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:3727 · Rechtbank Midden-Nederland · 19 september 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2022-3727
Zaakgegevens
Op 19 september 2022 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 september 2022
- Datum publicatie
- 19 september 2022
- Zaaknummer
- 16.217639.20 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3727
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming, zie ook ECLI:NL:RBMNE:2022:3726.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.217639.20 (ontneming)
Uitspraak van de meervoudige kamer van 19 september 2022 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 september 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.A. Nieli en van hetgeen veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. N.J. Hos, advocaat te Amersfoort naar voren hebben gebracht.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 9 mei 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting
tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van
€ 59.418,07.
Ter terechtzitting van 5 september 2022 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verlaagd en kan worden toegewezen tot een bedrag van € 58.121,07. Dit betreft het totaal van de bedragen die veroordeelde volgens de officier van justitie wederrechtelijk zou hebben weggenomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het ontnemingsbedrag te verlagen. Verdachte heeft bekend het bedrag van € 26.511,07 wederrechtelijk weggenomen te hebben door middel van het doen van overboekingen. Het overige aan hem toe te schrijven weggenomen geldbedrag van € 31.610 dat verdachte zou hebben gepind van rekeningen van de heer [slachtoffer] moet worden verlaagd. De veroordeelde is van mening dat hij niet dit gehele bedrag heeft weggenomen. De raadsvrouw heeft bepleit een bedrag toe te wijzen tot maximaal € 34.000,-
3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 19 september 2022 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het strafbare feit:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel valse sleutels, meermalen gepleegd,
in de periode van 29 november 2018 tot en met 25 mei 2019.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Sr.)
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het vonnis van de rechtbank van 19 september 2022 in de strafzaak tegen veroordeelde.
De rechtbank overweegt dat uit het veroordelend vonnis blijkt dat veroordeelde een bedrag van in totaal € 58.121,07 heeft gestolen door middel van een valse sleutel. Dit is onder feit 1 primair bewezen verklaard. Veroordeelde heeft een geldbedrag van € 26.511,07 gestolen door zonder toestemming van de rechthebbende overboekingen te doen van de rekening van benadeelde partij naar zijn eigen rekening en naar de rekening van een vriend van hem, genaamd [A] . Ook heeft hij een geldbedrag van € 31.610 gepind van rekeningen van de benadeelde partij zonder diens toestemming. Veroordeelde heeft verklaard dat hij het wederrechtelijk weggenomen geldbedrag voor zichzelf heeft gehouden en daarmee is gaan gokken. Dit maakt dat veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank heeft geprofiteerd van het wederrechtelijk verkregen bedrag.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 58.121,07.
Uit de stukken in het procesdossier is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt die van voormeld bedrag moeten worden afgetrokken.
Toerekening van het voordeel
De veroordeelde is de enige persoon die van de diefstal heeft geprofiteerd. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan veroordeelde toerekenen.
Betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal verdachte dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 58.121,07 aan de staat.
4 TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5 BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 58.121,07.
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 58.121,07 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. P.C. Quak, en mr. M.E. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2022.