Strafrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 11 juli 2023

Zaakgegevens

Op 11 juli 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
11 juli 2023
Datum publicatie
15 november 2023
Zaaknummer
16/254293-22 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:6093
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming van € 720,-

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/254293-22 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2023.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht.

2 VORDERING

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, door de officier van justitie geschat op € 720,-. De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van [mededader 1] ter terechtzitting van 14 december 2021.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte integraal vrij moet worden gesproken van de ten laste gelegde feiten. Het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van 14 december 2021 tegen [mededader 1] moet worden uitgesloten van het bewijs. Bij bewijsuitsluiting van dit proces-verbaal moet vrijspraak volgen en moet dus de vordering tot ontneming worden afgewezen.

3 BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1

De grondslag van de vordering

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:

feit 1 en 2:

de voortgezette handeling van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Gepleegd op 20 oktober 2020.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).

3.2

Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in voornoemd verkort proces-verbaal van de zitting van 14 december 2021. De rechtbank heeft in het gelijktijdig uitgesproken vonnis in de stafzaak uiteengezet waarom het verkorte proces-verbaal van 14 december 2021 bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank oordeelt dat het verkorte proces-verbaal van 14 december 2021 om dezelfde redenen gebruikt kan worden als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verwijst voor de onderbouwing naar het vonnis in de strafzaak.

3.2.1.

Bruto opbrengst

Op 20 oktober 2020 is door veroordeelde en zijn mededaders een bedrag van € 2.200,-, toebehorende aan [benadeelde] , verkregen. [benadeelde] heeft € 200,- (contant geld), zijn pinpas en bijbehorende pincode aan veroordeelde en zijn mededaders afgegeven (feit 1). Met de verkregen pinpas en pincode is er een bedrag van € 2.000,- gepind (feit 2). [mededader 1] heeft op de zitting van 14 december 2021 verklaard dat hij en zijn mededaders, te weten veroordeelde en [mededader 2] , het bedrag van € 2.200,- hebben verdeeld. Hij heeft verklaard dat veroordeelde een bedrag van € 720,- heeft meegenomen.

3.2.2.

Kosten

Er is de rechtbank niet gebleken van enige gemaakte kosten.

3.2.3.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen

voordeel wordt geschat vast op € 720,-.

3.4

Betalingsverplichting

De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 720,-.

4 TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 720,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 720,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 28 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen , voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2023.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Een (verkort) proces-verbaal ter terechtzitting van 14 december 2021 in de zaak tegen [mededader 1] , pagina 3.