Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Midden-Nederland, 11 juli 2023
ECLI:NL:RBMNE:2023:6094 · Rechtbank Midden-Nederland · 11 juli 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2023-6094
Zaakgegevens
Op 11 juli 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 11 juli 2023
- Datum publicatie
- 15 november 2023
- Zaaknummer
- 16/254304-22 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6094
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming € 740,-
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/254304-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsvrouw, mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, door de officier van justitie geschat op € 740,-. De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van [medeveroordeelde 1] ter terechtzitting van 14 december 2021. Omdat [veroordeelde] minderjarig was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten waaruit het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, moet de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 0 dagen worden gesteld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming tot hoogstens € 200,- kan worden toegewezen, aangezien alleen de diefstal/afpersing voor dat bedrag bewezen kan worden.
3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1 en 2:
de voortgezette handeling van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Gepleegd op 20 oktober 2020.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die [veroordeelde] heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat [veroordeelde] deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in voornoemd proces-verbaal van de zitting van 14 december 2021.
Bruto opbrengst
Op 20 oktober 2020 is door [veroordeelde] en zijn mededaders een bedrag van € 2.200,-, toebehorende aan [benadeelde] , verkregen. [benadeelde] heeft € 200,- (contant geld), zijn pinpas en bijbehorende pincode aan [veroordeelde] en zijn mededaders afgegeven (feit 1). Met de verkregen pinpas en pincode is er een bedrag van €2.000,- gepind (feit 2). [medeveroordeelde 1] heeft op de zitting van 14 december 2021 verklaard dat hij en zijn mededaders, te weten [veroordeelde] en [medeveroordeelde 2] , het bedrag van € 2.200,- hebben verdeeld. Hij heeft verklaard dat [veroordeelde] een bedrag van € 740,- heeft meegenomen.
Kosten
Er is de rechtbank niet gebleken van enige gemaakte kosten.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen
voordeel wordt geschat vast op € 740,-.
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door [veroordeelde] dient te worden betaald aan de staat, vast op € 740,-.
4 TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5 BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 740,-;
- legt de [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 740,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling op 0 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2023.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.