Strafrecht overig
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van het feit op basis waarvan het…
Rechtbank Midden-Nederland, 23 oktober 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:5967 · Rechtbank Midden-Nederland · 23 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2024-5967
Zaakgegevens
Op 23 oktober 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2024
- Datum publicatie
- 23 oktober 2024
- Zaaknummer
- 16/177231-22 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5967
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van het feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak kan niet worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie moet afwijzen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/177231-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 4 september 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie werd geschat op € 122.547,16.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering opgehoogd dient te worden en dat uitgegaan moet worden van de berekening zoals door de politie is gedaan in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 maart 2018. De officier van justitie heeft gelet op het vorenstaande ter terechtzitting gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 170.948,64.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dit feit.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat op basis van de aangetroffen situatie (een kale ruimte) geen beredeneerde schatting gemaakt kan worden van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Meer subsidiair voert de raadsman aan dat, gelet op het tijdsverloop, een compensatie zou moeten volgen ten aanzien van het ontnemingsbedrag.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/177231-22 bij vonnis van 23 oktober 2024 vrijgesproken van het (onder 4 ten laste gelegde) feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak kan niet worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie moet afwijzen.
3 BESLISSING
De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2024.
Mr. J. Wiersma en mr. G.S.M. van Duinkerken zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.