Strafrecht overig
De vordering tot ontneming wordt afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland, 22 oktober 2024
ECLI:NL:RBMNE:2024:7958 · Rechtbank Midden-Nederland · 22 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2024-7958
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2024 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2024
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 16-706386-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2024:7958
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De vordering tot ontneming wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/706386-17 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
1 PROCESVERLOOP
Op 29 januari 2019 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland
veroordeelde veroordeeld voor onder andere het deelnemen aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van woninginbraken.
De officier van justitie heeft eerder schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in artikel 36°, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht) wordt geschat en aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 76.604,74 ter ontneming van het uit de zaak met
parketnummer 16/706386-17 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op de regiezitting van 15 januari 2021 heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot
een bedrag van € 59.546.05, vanwege een toegewezen verzoek tot schadevergoeding in de
zaken van veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] . Volgens de officier van justitie
moest het bedrag hoofdelijk aan alle vier de veroordeelden, te weten veroordeelde,
[medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] , worden ontnomen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 januari 2021 het onderzoek in de ontnemingszaak aangehouden tot 25 juni 2021 voor nader onderzoek.
Het onderzoek is vervolgens hervat ter terechtzitting van 25 juni 2021. Op deze zitting heeft
de officier van justitie laten weten dat inmiddels een ontnemingsschikking met veroordeelde
was getroffen en dat de zaak niet inhoudelijk behandeld hoefde te worden. Gelet hierop heeft de rechtbank op 6 augustus 2021 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid kreeg om de zaak opnieuw aan te brengen indien veroordeelde onverhoopt niet zou voldoen aan de schikkingsvoorwaarden.
De schikkingsovereenkomst van 24 juli 2021, welke veroordeelde op 8 juli 2021 heeft ondertekend, houdt in dat veroordeelde de Staat der Nederlanden een geldbedrag van
€ 1.500,- moet betalen, met aftrek van de waarde van de motorfiets van veroordeelde
(€ 500,-), waarop conservatoir beslag is gelegd. Veroordeelde is ermee akkoord gegaan om het restant van voornoemd bedrag, te weten € 1.000,-, te betalen in 10 termijnen van € 100,-.
Uit een brief van het CJIB van 2 mei 2024 is gebleken dat de schikking van € 1.500,- niet is afgedaan.
De officier van justitie heeft op 10 september 2024 alsnog schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in artikel 36°, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.151,11 ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 16/706386-17 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat veroordeelde de betalingsregeling op basis van de overeengekomen schikking van € 1.500,- niet volledig heeft voldaan. Er staat nog een geldbedrag van € 400,- open. Het Openbaar Ministerie heeft meerdere pogingen gedaan veroordeelde hierop te attenderen. Hij was een gewaarschuwd mens, nu de rechtbank in haar vonnis van 25 juni 2021 expliciet heeft vermeld het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, zodat zij de mogelijkheid kreeg de ontnemingsvordering alsnog aan te brengen indien veroordeelde niet aan de schikkingsvoorwaarden zou voldoen. De officier van justitie vordert dan ook opnieuw de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak.
De officier van justitie van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berekening in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 2 september 2019 kan worden gevolgd, met dien verstande dat het bedrag van de vordering ontneming moet worden verlaagd, nu veroordeelde inmiddels een bedrag van € 6.336,93 aan het CJIB heeft betaald ten behoeve van de toegewezen vordering van de benadeelde partij Schuiling. De officier van justitie heeft de ontnemingsvordering daarom bijgesteld naar een bedrag van
€ 12.814,18. Dat is het op 10 september 2024 gevorderde bedrag van € 19.151,11 (de opbrengst van € 76.604,74 (uitgaande van een winst van 20 %) / 4 (de veroordeelden: [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 2] en veroordeelde) minus het aan het CJIB betaalde bedrag van
€ 6.336,93. De officier van justitie heeft de rechtbank verder verzocht de verplichting tot betaling aan de Staat van dit geschatte voordeel op te leggen.
De officier van justitie heeft verzocht het geldbedrag dat veroordeelde aan het CJIB heeft overgemaakt ten behoeve van de nakoming van de schikkingsovereenkomst (€ 600,-) en de opbrengst van de vervreemding van de motorfiets (€ 500,-) niet in mindering te brengen en voert hiertoe het volgende aan. Het CJIB had na de terugmelding geen executoriale titel meer om de twee bedragen onder zich te houden. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens conservatoir beslag moeten leggen op deze twee bedragen. Dit betekent dat deze bedragen worden verrekend nadat de rechtbank een beslissing heeft genomen over de ontnemingsvordering.
3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van 29 januari 2019 van deze rechtbank veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, én voor twee woninginbraken, betreffende de woningen gelegen aan de [adres 2] en de [adres 3] in [plaats] . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in haar arrest van 13 maart 2020 geoordeeld dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist, en zij heeft het vonnis voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigd. Dit arrest is op 29 maart 2020 onherroepelijk geworden.
Veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dat betekent dat op grond van artikel 36e lid 3 Sr aan veroordeelde de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten “op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 2 september 2019
In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een wederrechtelijk verkregen voordeel van 56 woninginbraken. Het rapport baseert dat aantal niet alleen op de in totaal 16 aan de verschillende veroordeelden (die ook allen veroordeeld zijn als behorend tot dezelfde criminele organisatie) ten laste gelegde woninginbraken, maar ook op 40 andere gepleegde woninginbraken met volgens de politie dezelfde modus operandi. In het rapport wordt daarnaast genoemd dat het aannemelijk is dat veroordeelden hierbij betrokken waren omdat een forse daling is waargenomen van het aantal woninginbraken na hun aanhoudingen. In totaal wordt de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op 56 gepleegde woninginbraken.
De weggenomen goederen betreffen veelal sieraden, contant geld en digitale gegevensdragers. In het rapport is per woninginbraak inzichtelijk gemaakt welke goederen er zijn weggenomen en wat daarvan de geschatte- of nieuwe waarde betreft. Op basis van dit overzicht is het volgens de politie aannemelijk dat er voor een bedrag van € 218.938,26 aan goederen is toegeëigend met het plegen van de woninginbraken. Ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op basis van de jurisprudentie uitgegaan van een gemiddelde opbrengstpercentage van 20% ten aanzien van de dagwaarde van de weggenomen goederen.
De politie komt dan ook tot het volgende totale geschatte voordeel: € 76.604,47
(€ 218.938,26 / 5 = € 76.604,47 = 20%). Verdachten hebben volgens de politie ieder een wederrechtelijk voordeel verkregen van € 19.151,11. (€ 76.604,47 / 4 verdachten).
opbrengst
De rechtbank zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet uitgaan van 56 gepleegde woninginbraken. De rechtbank is van oordeel dat de modus operandi (klimmen naar de eerste verdieping, openbreken van een raam met 2 breekwerktuigen, sluiten van gordijnen en dezelfde buit) genoemd in het ontnemingsrapport onvoldoende specifiek is om tot de conclusie te komen dat het aannemelijk is dat een van de veroordeelden hierbij betrokken was en dat de criminele organisatie van de veroordeelden hier telkens voordeel van heeft gehad. Het feit dat het aantal inbraken is gedaald na de aanhoudingen van veroordeelden maakt dit niet anders.
Nu de veroordeelden wel allen deel uitmaakten van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (woning)inbraken, zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel berekenen over de woninginbraken waarvoor de veroordeelden (veroordeelde, [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 2] ) zijn veroordeeld.
Volgens het overzicht gemaakt door de politie op pagina 3 van het ontnemingsrapport zijn onderstaande personen veroordeeld voor de volgende woninginbraken:
Veroordeelde
-
inbraak [adres 2] ;
-
inbraak [adres 3] ;
[medeveroordeelde 1]
-
inbraak aan de [adres 4] ;
-
inbraak [adres 5] ;
-
inbraak [adres 6] ;
-
inbraak [adres 7] ;
-
inbraak [adres 3] ;
[medeveroordeelde 3]
? medeplichtig inbraak [adres 5] ;
[medeveroordeelde 2]
? medeplichtig inbraak [adres 5] .
Wanneer de rechtbank de (geschatte) geldbedragen van de weggenomen goederen (opgenomen in bijlage 2 van de ontnemingsrapport) bij deze woninginbraken optelt, gaat het om een bedrag van € 32.943,-. Een deel van dit bedrag bestaat uit de dag- dan wel geschatte waarde van weggenomen goederen (€ 15.743,-) en een deel bestaat uit weggenomen geldbedragen (€ 17.200,-). Van de weggenomen goederen zal de rechtbank rekenen met een opbrengstpercentage van 20%. Van het weggenomen geld zal de volledige waarde worden meegenomen in de berekening. De rechtbank komt, uitgaande van een opbrengstpercentage van 20%, op een totale (geschatte) opbrengst van € 20.348,60 (€ 15.743 / 5 = € 3148,60 + 17.200 = € 20.348,60).
Kosten
Er zijn geen kosten berekend, welke de veroordeelden eventueel ten behoeve van het plegen van de feiten zouden hebben gemaakt. Volgens de politie is er, mede gelet op het feit dat de veroordeelden geen openheid hebben gegeven over de gepleegde delicten en/of gemaakte kosten, niet aan te tonen is welke kosten er daadwerkelijk zijn gemaakt bij het plegen van de delicten.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel verdachte
De rechtbank heeft op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden het wederrechtelijk verkregen als volgt berekend. De opbrengst van de woninginbraken betreft een bedrag van € 20.348,60. De veroordeelden hebben daarmee ieder een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 5.087,15. (€ 20.348,60 / 4 veroordeelden).
Op grond van artikel 36e, negende lid, worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f, voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht. Veroordeelde heeft ten behoeve van de benadeelde partij Schuiling reeds een bedrag van € 6.336,93 aan het de Staat (CJIB) betaald. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil.
4 BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil.
- wijst de vordering tot ontneming af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mrs. N.P.J. Janssens
en J.B. Duinkerken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.