Strafrecht overig
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen…
Rechtbank Midden-Nederland, 9 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7360 · Rechtbank Midden-Nederland · 9 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2025-7360
Zaakgegevens
Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Lelystad
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 23 januari 2026
- Zaaknummer
- 16/189598-21 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7360
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De kosten die de veroordeelde heeft gemaakt, de schade die is ontstaan, zijn hoger dan het gestelde ontvangen bedrag voor het ter beschikking stellen van de woning ten behoeve van de exploitatie van de hennepkwekerij.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/189598-21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 december 2025 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[de veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [plaats] ,
hierna: de veroordeelde.
1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De officier van justitie heeft bij vordering van 23 oktober 2025 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen de veroordeelde en mr. J.M. Keizer naar voren hebben gebracht.
2 VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 23 oktober 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 98.943,09.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de veroordeelde heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op nihil en dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen.
3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 9 december 2025 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: medeplichtigheid aan het handelen in strijd met de Opiumwet. Voornoemd feit is gepleegd op 20 april 2021.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Sr).
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank oordeelt dat op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde tijdens de zitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de bewezen verklaarde feiten.
De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde meer dan de door hem gestelde € 6.000,- heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn woning ten behoeve van de exploitatie van de hennepkwekerij. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde, hoewel hij is vrijgesproken van de diefstal van elektriciteit, de schade van Liander N.V. die is ontstaan als gevolg van de diefstal met behulp van een betaalregeling heeft vergoed. Dit betreft een bedrag van € 9.137,86. Dit bedrag is aanzienlijk hoger dan het gestelde bedrag van € 6.000,- dat de veroordeelde in verband met de exploitatie van de hennepkwekerij heeft ontvangen.
Het voorgaande afwegende, stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen.
4 BESLISSING
De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. R.B. Eigeman en mr. H.J. van Woudenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 december 2025.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.