Strafrecht overig
De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de officier van…
Rechtbank Noord-Nederland, 17 juni 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:3137 · Rechtbank Noord-Nederland · 17 juni 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2016-3137
Zaakgegevens
Op 17 juni 2016 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 17 juni 2016
- Datum publicatie
- 4 juli 2016
- Zaaknummer
- 18-820331-14 Ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2016:3137
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de officier van justitie af. Na aftrek van gemaakte kosten blijft er geen voordeel meer over.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/820331-14
beslissing van de meervoudige kamer voor behandeling van strafzaken d.d.
17 juni 2016 op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
hierna ook: veroordeelde,
raadsman: mr. H.J. Veen.
Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
3 juni 2016.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft d.d. 1 maart 2016 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 34.978,- ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 18/820331-14 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op € 2.500,-, nu veroordeelde en medeveroordeelde [naam] samen een bedrag van € 5.000,- hebben gekregen. Op dat voordeel dient de door veroordeelde aan Enexis betaalde factuur in mindering te worden gebracht. De raadsman gaat er daarbij vanuit dat veroordeelde een bedrag van € 4.200,- aan Enexis heeft betaald.
Beoordeling
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het volgende bewijsmiddel:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie
Noord-Nederland d.d. 24 april 2014, opgenomen op pagina 63 e.v. van het dossier met nummer 2014044348 d.d. 5 september 2014, inhoudende als verklaring van [naam] :
Bij mijn vader en mij is een hennepkwekerij opgezet. We hebben € 5.000,- gekregen voor 5 oogsten.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 17 juni 2016 in de zaak met parketnummer 18/820331-14 veroordeeld ter zake het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennep, meermalen gepleegd.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van bovenstaand bewijsmiddel het oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde door middel van het begaan van de feiten een opbrengst heeft verkregen van € 2.500,- (waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat het bedrag van
€ 5.000,- gelijkelijk is verdeeld tussen veroordeelde en medeveroordeelde [naam] ).
De rechtbank gaat hierbij uit van een ander bedrag dan de officier van justitie in zijn berekening heeft gehanteerd, omdat de rechtbank veroordeelde heeft veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en de officier van justitie is uitgegaan van het medeplegen van telen van hennep.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat veroordeelde kosten heeft gemaakt ten behoeve van de hennepkwekerij, bestaande uit kosten voor elektriciteitsverbruik. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde een bedrag van
€ 7.792,54 aan Enexis heeft voldaan. Nu dit laatste bedrag hoger is dan de door veroordeelde verkregen opbrengst stelt de rechtbank vast dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Gelet hierop zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil;
- wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mrs. M. Haisma en
N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juni 2016.
Mr. Vlietstra is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.