Strafrecht overig

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 21 april 2016 een 20-jarige man wegens het plegen…

Rechtbank Noord-Nederland, 21 april 2016

Zaakgegevens

Op 21 april 2016 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
21 april 2016
Datum publicatie
2 september 2016
Zaaknummer
18.730266-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2016:4031
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 21 april 2016 een 20-jarige man wegens het plegen van poging tot een overval op een supermarkt en opzetheling van een auto veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Bij de overval hebben verdachte en zijn mededader een broodbezorger bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en hem door de supermarkt gesleurd op zoek naar geld. Daarbij hebben verdachte en zijn mededader op zeer intimiderende en bedreigende wijze opgetreden en bij het slachtoffer grote angst teweeggebracht. De rechtbank acht een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen nu verdachte reeds veelvuldig veroordeeld is terzake overvallen, diefstallen en geweldsdelicten en niet ontvankelijk is voor hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730266-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 april 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Opsterland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of (andere) goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen één of meer aldaar in die

supermarkt aanwezige personen, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

  • een personenauto heeft/hebben verworven en/of (vervolgens)

  • met die personenauto van Leeuwarden naar [pleegplaats 1] is/zijn gereden en/of (vervolgens)

  • voornoemde supermarkt zijn/is binnengegaan, zulks terwijl zij/hij (een) vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) bij zich droeg(en) en/of (vervolgens)

  • op de aldaar aanwezige [slachtoffer 1] zijn afgerend en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1]

heeft/hebben vastgepakt en/of in de houdgreep heeft/hebben genomen en/of (vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft/hebben gedrukt en/of (daarbij) een vuurwapen,

althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: “blijf naar beneden kijken,

geen geintjes of anders schiet ik”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

  • die [slachtoffer 1] verder de supermarkt in heeft/hebben meegenomen en/of daarbij (telkens) die [slachtoffer 1] heeft/hebben gevraagd: “waar is de kluis” en/of (vervolgens)

  • aangekomen bij de gesloten kantoordeur van die supermarkt, meermalen, althans

eenmaal, met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die kantoordeur heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 augustus 2015 te [pleegplaats 2] , (althans) in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

  • in/uit een woning, gelegen aan of bij de [adres 1] ), aldaar, een of meer sleutel(s) en/of (vervolgens)

  • een aldaar geparkeerd staande personenauto (merk BMW), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen sleutels en/of personenauto onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te [pleegplaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een personenauto (merk BMW),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij men/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1. ten laste gelegde - kort gezegd de overval op de [supermarkt] in [pleegplaats 1] - en 2. subsidiair ten laste gelegde - kort gezegd opzetheling van een in [pleegplaats 2] gestolen auto van het merk BMW - kan worden bewezen. De officier van justitie heeft vrijspraak van de onder 2. primair ten laste gelegde diefstal van die BMW gevorderd, nu hier geen bewijs voor is.

Het bewijs dat verdachte zich tezamen en in vereniging met (in ieder geval) [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van de gestolen BMW wordt gevormd door de bekentenis van verdachte, de aangifte van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en de verklaringen van [getuige 1] .

Het bewijs dat verdachte de overval op een supermarkt in [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd, wordt gevormd door de aangifte van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de verklaringen van getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 1] , in combinatie met het rijden van verdachte in de gestolen BMW voor en na de overval, het gebruik van een zilvergrijze BMW 1 serie als vluchtauto bij de overval, de gelijkenis tussen de als verdachte herkende man op camerabeelden van het [bedrijf] tankstation en een van de overvallers zoals te zien op camerabeelden van de overval en voorts het in de nabijheid van de BMW aantreffen van een jas en big shopper, gelijkend op de bij de overval gebruikte jas en big shopper.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde. De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 2. subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte een van de twee overvallers van de supermarkt was. Enkel de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wijzen op betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] en deze verklaringen zijn dusdanig onbetrouwbaar dat zij niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

Bovendien spraken de overvallers volgens [slachtoffer 1] onderling Arabisch met elkaar. Nu verdachte geen Arabisch spreekt, is het onmogelijk dat verdachte en [medeverdachte 1] de overvallers waren, aldus de raadsman.

Met betrekking tot het onder 2. primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte enige wegnemingshandeling ten opzichte van de BMW heeft gepleegd.

De door de rechtbank te bezigen bewijsmiddelen

1. De aangiften

1.1 De aangifte van [slachtoffer 1] , d.d. 19 augustus 2015, proces-verbaal nummer verbaalnummer PL0100-2015241995-1, opgenomen op pagina's 269-272 van het dossier, voor zover inhoudende:

Vanmorgen woensdag 19 augustus 2015, ben ik overvallen tijdens het bevoorraden van de [supermarkt] , gevestigd aan de [adres 2] te [pleegplaats 1] . Ik was omstreeks 06.30 uur bij de [supermarkt] in [pleegplaats 1] . Ik parkeerde mijn vrachtwagen met de klep richting de straat de [straat 1] . Ik liep richting de hoofdingang van de winkel. Ik was nog net binnen de winkel toen twee personen op mij af gerend kwamen. Ik zag dat de voorste persoon, een man, een wapen, gelijkend een vuurwapen, in een van zijn handen droeg. Deze man was donker gekleed, had handschoenen aan en droeg iets over zijn hoofd. Het wapen, gelijkend een vuurwapen, herkende ik als een pistool. Het pistool was zwart van kleur. Het was een echt pistool. De tweede persoon, een man, was ook donker gekleed. Deze man had ook iets over zijn hoofd getrokken. Dit kan een bivakmuts of een capuchon geweest zijn. Hij droeg iets in zijn handen. Mogelijk een tas. De lengte van beide personen schat ik tussen de 1.75 meter en de 1.80 lang. De leeftijd schat ik tussen de 17 jaar en de 24 jaar oud. Ik keek naar de voorste man en zag dat deze het pistool bij het op mij af rennen op mij gericht had. Ik zag dat hij het pistool volgens mij in zijn linker hand droeg. Het pistool was gekanteld. Deze voorste man pakte mij vast in een houdgreep en drukte het hoofd van mij naar beneden. Ik werd door deze man met zijn linkerhand vast gepakt in de houdgreep. Kennelijk is deze persoon links en heeft hij kennelijk het pistool in zijn rechterhand overgenomen. Het pistool werd hierbij tegen mijn hoofd gedrukt. Ik werd met mijn hoofd naar beneden gedrukt omdat ik kennelijk het gezicht van die man niet mocht zien. Ik hoorde die man tegen mij zeggen: “blijf naar beneden kijken, geen geintjes of anders schiet ik” of woorden van gelijke strekking. Hij vroeg ook aan mij waar die anderen waren. Ik heb geantwoord dat ik alleen de broden kwam bezorgen en dat ik niet wist waar de anderen waren. De tweede man bleef dicht in de buurt van mij en die eerste persoon met het pistool. Die tweede persoon hield alles in de gaten. Het pistool bleef tegen mijn hoofd gericht. Ik werd mee de winkel ingenomen en door de hele winkel gesleurd. Ik werd hierbij nog steeds in de houdgreep gehouden en het pistool was hierbij nog steeds tegen mijn hoofd gericht.

Dit sleuren door de winkel van mij gebeurde nogal hardhandig. Ik werd steeds gevraagd waar de anderen waren en waar is de kluis. Uiteindelijk kwamen wij bij een deur in de winkel die toegang geeft tot een steeg. Een van beide mannen opende deze deur. De tweede persoon liep terwijl ik door de winkel gesleurd werd met ons mee als een soort aanhangsel. Het initiatief was duidelijk bij de man met het pistool. In de winkel vlak voor die deur naar de steeg toonde die man die mij in de houdgreep vast hield zijn pistool en trok hierbij de slede naar achteren. Ik merkte aan die persoon met het pistool dat hij enigszins gefrustreerd was. Hij was boos omdat ik niet wist waar de kluis was. Bij het naar achteren trekken van de slede van het pistool zag ik een patroon liggen in de kamer. Ik maakte hierop uit dat het een echt pistool was. Na het openen van de deur van de steeg zijn wij met zijn drieën even in de steeg gegaan. De steeg bracht niet wat zij zochten en wij gingen weer terug de winkel in. Ik werd nog steeds in de houdgreep gehouden en had nog steeds het pistool tegen mijn hoofd gericht. Ik werd weer meegesleurd ditmaal naar de andere kant van de winkel.

Op de manier hoe ik de winkel doorgesleurd werd maakte ik op dat de mannen de winkel kenden. Ik werd namelijk rechtstreeks naar die deur aan de andere kant van de winkel gebracht. Ik werd nog steeds onder schot gehouden en vast gehouden. De mannen liepen de kassa voorbij en probeerden een kantoortje binnen te komen. Dit kantoor is voorbij de kassa en is afgesloten door een deur met een code slot. De man met het pistool probeerde de deur te openen. Hij sloeg hierbij met het pistool op de deur. Ik vermoedde dat hij dacht dat er iemand binnen was. Hij schreeuwde namelijk dat de deur open moest.

Kennelijk raakte de tweede man iets in paniek hij probeerde namelijk door de uitgangsdeur van de winkel de winkel te verlaten. Dit lukte echter niet omdat deze nog steeds gesloten was. Ik hoorde dat de tweede man riep: “ Habibi we moeten weg”. Hierop liepen de mannen naar de ingang van de winkel waar zij ook naar binnen waren gekomen. Aangekomen bij de ingang van de winkel liet de eerste man de nekklem los maar hield mij nog wel bij mijn kraag vast. Hierdoor kon ik hem nog steeds niet in zijn gezicht zien. Hij hield nog wel het pistool in mijn rug gedrukt. Daar zei de eerste man tegen mij: “Doe je handen naar beneden. Ga geen gekke dingen doen. En ga verder met je werk”. De man liet mij los. Ik hoorde nog wat stemmen van de mannen en ik zag dat ze beiden snel wegrenden en in een op het parkeerterrein staande

auto, een zilverkleurig BMW 1 serie, stapten en snel wegreden. Ik voelde mij tijdens dit voorval echt bedreigd met name op het moment dat de eerste man mij het pistool liet zien en dat hij mij toonde dat er kogels in het pistool zaten. Ook op de momenten dat de mannen in paniek raakten. De nekklem die de eerste man bij mij had aangelegd was wel zodanig dat ik op momenten bijna geen adem meer kon halen.

1.2 De aangifte van [slachtoffer 2] , d.d. 20 augustus 2015, proces-verbaalnummer PL0100-2015242021-1, opgenomen op pagina's 299-301 van het dossier, voor zover inhoudende:

Gisteravond 18 augustus 2015 omstreeks 21:00 uur ging ik de hond uitlaten. Ik pakte mijn sleutelbos van het haakje bij de voordeur. Aan deze sleutelbos zaten sleutels van de woning, de steeg en de autosleutel van mijn BMW l serie met [kenteken] Na ongeveer 10 minuten kwam ik thuis. Omstreeks 23:00 uur zou ik een laatste rondje met de hond lopen. Ik zag toen dat mijn sleutels niet aan het haakje hingen. Ik zag dat mijn auto er niet meer stond. Er zat nog ongeveer 13 liter benzine in de auto.

1.3 De verklaring van [slachtoffer 2] , d.d. 24 augustus 2015, proces-verbaalnummer 7, opgenomen op pagina's 312-314 van het dossier, voor zover inhoudende:

Toen ik omstreeks 23:00 uur weer ging wandelen met de hond, zag ik dat mijn sleutels niet aan het haakje hingen. Ik begin nu een beetje te twijfelen aan mijzelf en denk: ik zal ze toch niet aan de buitenkant in de deur hebben laten zitten. Toen ik de sleutels niet op het haakje zag hangen, heb ik nog gezocht in jaszakken. Ik vond ze niet.

2. De bevindingen met betrekking tot de camerabeelden en de kleding van de overvallers

2.1 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 augustus 2015, proces-verbaal nummer 2015241995-CAM-01, opgenomen op pagina's 391-410 van het dossier, onder meer inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :

06:40:40 Rechtsboven in beeld is op de camera een deel van het parkeerterrein te zien. Een persoon, gekleed in blauwe trainingsbroek en zwarte sweater (V1), verschijnt rechtsboven in beeld, gevolgd door een tweede persoon met een tas, gekleed in blauwe trainingsbroek en groene jas (V2). De personen rennen richting de entree van de winkel. Dit blijken later de daders van de overval te zijn.

06:40:48 [slachtoffer 1] komt met een stapel lege kratten op een trolley uit de winkel en ziet vanuit de entree de twee personen (V1 en V2) aan komen rennen, richting de entree.

06:40:48 V1 komt aanrennen vanaf het parkeerterrein naar de toegang van de winkel.

Met het vuurwapen vooruit gericht loopt hij de entree binnen. V2 volgt rennend op enkele meters afstand en loopt ook de entree binnen met een big-shopper.

06:40:51 V1 loopt met een vuurwapen gericht op [slachtoffer 1] de entree in. [slachtoffer 1] loopt achteruit met de handen omhoog. V1 doet zijn hand richting [slachtoffer 1] , waarna [slachtoffer 1] op zijn handen naar de grond bukt. V1 is over [slachtoffer 1] heen gebukt.

06:40:55 V2 komt ook de entree binnen.

In de entree wordt gesproken door V1 en [slachtoffer 1] :

V1: [praat zacht, niet te verstaan] [slachtoffer 1] : Ik ben alleen broodbezorger. V1: [praat zacht, niet te verstaan]

[slachtoffer 1] : Ik weet niet, Ik ben alleen broodbezorger.

06:40:58 t/m 06:42:35 De overvaller V1 heeft [slachtoffer 1] beet door middel van een nekklem. V1 heeft zijn linkerarm om de nek van [slachtoffer 1] heen geklemd en het vuurwapen met zijn rechter hand op [slachtoffer 1] gericht. V2 loopt er achteraan of voorop met zijn tas. Op de beelden van de verschillende camera's, geplaatst in het winkelgedeelte is dit te zien.

06:42:36 De overvallers zijn weer terug in de entree. 06:42:46 V1 heeft [slachtoffer 1] nog beet.

In de entree wordt gesproken door VI en [slachtoffer 1] :

V1: [praat zacht, onverstaanbaar]

[slachtoffer 1] : Ik ben alleen broodbezorger. Ik ben alleen met de bus.

V1: Ga door met je werk. Als je één stap weg rent, wola, dan schiet ik je dood. Niet doen. Ga door met je werk, motherfucker. Hierna laat V1 [slachtoffer 1] los en stuurt hem naar buiten. [slachtoffer 1] loopt buiten naar links. V1 heeft het vuurwapen in zijn rechter hand. De slede van het vuurwapen is naar achteren geschoven.

06:42:49 Buiten zie je [slachtoffer 1] met zijn handen omhoog richting zijn auto lopen, waarvan de laadklep met de lege kratten onder in beeld te zien is.

06:43:03 V1 en V2 blijven nog in de entree staan. V1 bukt en strikt de veters van zijn schoen. Daarna schuift hij de slede van het vuurwapen terug. V1 draait zich met zijn gezicht richting de camera en heeft met zijn hand zijn gezicht iets meer ontbloot. Nu is te zien dat Vi een blanke huidskleur heeft. In de entree wordt gesproken door VI en V2:

V1 en V2 praten zacht tegen elkaar, onverstaanbaar.

V1: Kijk (V1 wijst richting camera). We staan op beeld. Wola! V1: Kijk [onverstaanbaar] We moeten weg hier.

p.408 06:43:15 De overvallers verlaten rennend de winkel. Ze rennen weer naar de hoek van het parkeerterrein waar ze ook vandaan kwamen

06:43:40 Een zilvergrijze personenauto, lijkend op een BMW, model 1 serie rijdt het parkeerterrein af.

2.2 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 2 september 2015, proces-verbaal nummer 43, opgenomen op pagina's 415-422 van het dossier, onder meer

inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :

De gestolen personenauto op 18-08-2015 tussen 21:00 en 23:00 uur vanaf de [straat 2] te [pleegplaats 2] is een zilvergrijze BMW 1 serie met [kenteken]

Op de beelden bij de [bedrijf] is te zien dat er op 19-08-2015 omstreeks 02:24 een zilvergrijze BMW getankt wordt. Een deel van het kenteken is te lezen, nl. [deel kenteken] .

In de nacht voorafgaand aan de overval op de [supermarkt] is te zien dat er een zilvergrijze personenauto een aantal keren het parkeerterrein op rijdt en weer weg rijdt. Aan de voorkant van de auto is te zien dat het een BMW is. Later in de ochtend, als het buiten licht wordt is de kleur en het model steeds beter te zien.

Direct na de overval rijdt bij de [supermarkt] een zilvergrijze BMW 1 serie het parkeerterrein af. (6:43:40-41)

Op 19-08-2015 omstreeks 07:10 rijdt de BMW met [kenteken] met hoge snelheid over de [straat 4] te [pleegplaats 2] . Omstreeks 08:11 wordt de gestolen BMW aangetroffen op een parkeerplaats bij [locatie 1] te [pleegplaats 2] .

Op de beelden bij de [bedrijf] is te zien dat er op 19-08-2015 omstreeks 02:24 een zilvergrijze BMW getankt wordt. De man die uitstapt en daarna de shop van het tankstation in loopt, draagt een zwarte sweater of jack. Over het midden van zijn romp lopen 2 verticale witte lijnen, met daarboven een horizontale witte lijn en een wit logo op zijn linker borst. De man draagt een blauw/paarse baseball pet. De man heeft een blanke huidskleur. De man draagt een blauwe trainingsbroek met verticale witte strepen op de zijkant, volledig van boven naar beneden en een Adidas logo.

In de nacht voor de overval op de [supermarkt] rijdt om 02:52 een zilvergrijze BMW over het parkeerterrein bij de [supermarkt] , Om 02:59 loopt een persoon vanaf het parkeerterrein richting de stoep voor de winkel. De persoon draagt een donkere sweater of jack en een blauwe trainingsbroek met verticale witte strepen/streep op de zijkant, volledig van boven naar

beneden.

Omstreeks 06:40 overvallen twee mannen de [supermarkt] . De eerste man die aan komt lopen heeft een vuurwapen in zijn hand. De man draagt een zwarte sweater met capuchon over zijn hoofd. Over het midden van zijn romp lopen 2 verticale witte lijnen, met daarboven een horizontale witte lijn en een wit loge op zijn linker borst. Alleen zijn ogen en een deel van zijn neus zijn zichtbaar. De man heeft een blanke huidskleur. De man draagt een blauwe trainingsbroek met verticale strepen op de zijkant, volledig van boven naar

beneden. Op de achterzij op kuithoogte zit een rode en een witte streep. De man draagt zwarte schoenen met een rode streep aan de zijkant van de schoen. Deze rode streep zit aan beide zijkanten en in het midden van beide schoenen. De man draagt aan beide handen zwarte handschoenen.

De tweede man die aan komt lopen heeft een grote boodschappentas in zijn hand, een big-shopper. De man draagt een groene (kakikleurige) jas, gladde stof, gewatteerd en horizontaal doorgestikt. De man draagt een grijze capuchon over zijn hoofd, met daaronder een zwarte bivakmuts. De man draagt een blauwe trainingsbroek met een wit logo op zijn linker bovenbeen. De man draagt zwarte schoenen met zwarte veters. De man draagt aan beide handen zwarte handschoenen. De big-shopper heeft als basis een witte kleur en heeft een ruitjespatroon met de kleuren blauw en rood. De rode lijnen op foto 15 komen door de beweging van de beelden, deze strepen zitten niet op de kleding.

Bij de parkeerplaats aan [locatie 1] te [pleegplaats 2] , waar de gestolen BMW is aangetroffen op 19-08-2015 omstreeks 08:11, loopt een sloot. In deze sloot lag een jas en een big-shopper.

De jas is een groene (kakikleurige) jas, gladde stof, gewatteerd en horizontaal doorgestikt. De binnenzijde van de jas is zwart. De jas is van het merk America Today.

De big-shopper heeft als basis een witte kleur en heeft een ruitjespatroon met de kleuren blauw en rood.

3. De verklaringen omtrent het zien van de BMW

3.1 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 25 september 2015, proces-verbaal nummer 58, opgenomen op pagina's 437-439 van het dossier, onder meer inhoudende:

V: Wij zijn bezig met een onderzoek o.a. naar diefstal van een personenauto gepleegd in de avond/nacht van 18 op 19 augustus 2015 op de [straat 2] . Wat kunt u daarover

vertellen?

A: Ik ben een dag na de diefstal naar [slachtoffer 3] toegegaan om hem te vertellen dat ik die avond ervoor zijn auto had zien wegrijden. Ik herken die auto door de aparte bouw. Volgens mij was het omstreeks 22.30 uur. Het was al donker, maar in de straat is het altijd behoorlijk licht, o.a door een lantarenpaal voor mijn huis zodat ik gemakkelijk ken zien wat er op de paralelweg rijdt. Ik zag dus dat die auto van buurman [slachtoffer 3] met gedoofde lichten over de paralelweg van de [straat 2] reed in de richting van de rotonde en de [straat 5] . Dit is vreemd omdat deze paralelweg een eenrichtingsweg en die auto tegen het verkeer in reed. Dat de autolichten gedoofd waren vond ik ook heel vreemd.

3.2 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 1 september 2015, proces-verbaal nummer 33, opgenomen op pagina's 371-372 van het dossier, onder meer inhoudende:

V: Ik wil graag met u praten over een gebeurtenis op de avond/nacht van 18 op 19 augustus 2015.

A: Het was, als ik het goed heb op een dinsdagavond. Ik ging die avond rond 22.30 uur naar buiten om nog een sigaretje te roken. [voornaam 1] , de vader van [voornaam 2] kwam bij mij toen ik voor mijn deur stond te roken. Toen wij daar stonden, zag ik een auto de parkeerplaats van onze straat oprijden. Ik zag dat iemand bij die auto wegkwam. Ik zag dat het [medeverdachte 1] was. [medeverdachte 1] vroeg [voornaam 1] of [voornaam 2] thuis was. Ik zie dan dat [voornaam 2] aan komt lopen. [medeverdachte 1] was alweer naar die auto op de parkeerplaats gelopen en [voornaam 2] liep daar ook heen en stapte in de auto. Ik zag de auto vanaf het parkeerterreintje wegrijden met gierende banden.

4. De verklaringen omtrent het zien van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na de overval

4.1 Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 19 augustus 2015, proces-verbaal nummer PL0100-2015241995-33, opgenomen op pagina's 330-331 van het dossier, onder meer

inhoudende:

[medeverdachte 1] is vannacht niet thuis geweest. Vanmorgen zou ik omstreeks 07:00 uur naar Amsterdam. [medeverdachte 1] was toen nog niet thuis. Ik reed vanmorgen omstreeks 07:00 uur langs het [zwembad] over de [straat 6] te [pleegplaats 2] . Ik zag [medeverdachte 1] lopen met twee jongens.

4.2 Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 26 augustus 2015, proces-verbaal nummer 15, opgenomen op pagina's 240-260 van het dossier, onder meer inhoudende:

0: Vervolgens verdachte herhaaldelijk geconfronteerd met de bevindingen van het observatieteam en de fotos die kort daarna genomen zijn. Tevens aan verdachte meegedeeld dat het onderzoek nog in volle gang is en dat bijvoorbeeld de broer van [medeverdachte 1] nog gehoord kan worden om aan te geven met wie zijn broer woensdagochtend vroeg op de [straat 6] te [pleegplaats 2] liep. Dat de beelden van het tankstation [bedrijf] aan de [straat 7] te Leeuwarden nog bestudeerd worden om te kijken wat daar op staat. Woordelijke reactie:

A: Ik kwam alleen van [locatie 2] bij die auto weg, snap je. V: Met wie was je daar dan.

A: Ik ben gewoon een paar keer bij die auto geweest. Twee keer. V: Waarom.

A: Gewoon om schoon te maken. V: Waarom.

A: Vingerafdrukken misschien toch. V: Waarom moet jij dat doen.

A: Helpen.

V: Van wie moest dat.

A: Gewoon van mij zelf, heb zo vaak in dat ding gereden toch. Ik bedoel ik heb er ingezeten. V: Wanneer dan.

A: Toen die overval nog niet was gebeurd. Gewoon zo de auto aangeraakt. V: Waarom moesten jouw vingerafdrukken er uit.

A: Omdat ik daarvoor gepakt kon worden later. Die overval is was er toch.

V: Dus als ik jou goed begrijp wilde jij jouw vingerafdrukken uit de auto halen door hem schoon te maken en dat je dit deed omdat je wist dat er met de auto een overval gepleegd was. Klopt dat?

A: Ja. Anders kon ik ook wel gewoon zeggen, ik was er bij.

V: Dat is stap één, nu moeten we het nog over de verdenking dat jij bij die overval bent geweest hebben. Zoals die broer van [medeverdachte 1] , die zegt ik zie mijn broer daar met twee jongens lopen. Stel hij zegt dat jij er ook bij was.

A: Ik liep daar ook bij, ik was daar toch. V: s Ochtends?

A: Ja, toen ben ik gewoon weer gekomen. V: Dat was heel vroeg he.

A: Ja was wel vroeg, dat wel. V: Wat deed je daar dan.

A: Die auto schoon maken. V: Nee, dat was s middags. A: Ochtend ook.

4.3 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 24 augustus 2015, proces-verbaal nummer 10, opgenomen op pagina 353 van het dossier, onder meer

inhoudende als verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Wij hoorde [naam 1] , de moeder van [verdachte] , vertellen dat zij [verdachte] op woensdag 19 augustus 2015 omstreeks 7:00 uur nog buiten voor haar woning aan de [adres 3] te [plaats 1] , had gezien. [naam 1] vertelde dat zij waarschijnlijk door het bellen van de voordeurbel is wakker geworden. [naam 1] vermoedt dat het omstreeks 7.00 uur was omdat zij gewoonlijk de wekker om 7:15 uur heeft gezet en [verdachte] , voordat de wekker afging, bij de woning was.

5. De verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]

5.1 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 7 april 2016, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Ik werd op 19 augustus 2015 in [pleegplaats 2] met twee anderen aangehouden in de BWM. Ik wist dat de auto gestolen was. We wilden de auto verkopen.

5.2 Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 2 september 2015, proces-verbaal nummer 36, opgenomen op pagina's 125-130 van het dossier, onder meer inhoudende:

V: Die BMW zeg ik, is dezelfde BMW, die schoenen, ja hoe toevallig is het. Die BMW, [verdachte] , die trainingsbroek en dat Nike jasje, hij rekent af bij het tankstation de [bedrijf] [straat 7] .

A: Ja dat is [verdachte] , dat ben ik niet.

6. De verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

6.1 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 19 augustus 2015, proces-verbaal nummer 2015241995- [getuige 1] -A, opgenomen op pagina's 175-179 van het dossier, onder meer inhoudende:

Tijdens een WhatsApp gesprek schreef [medeverdachte 1] aan mij dat hij een BMW had. Gisteravond rond 23:00 uur ben ik met die BWM opgehaald. [medeverdachte 1] en die onbekende jongen zaten toen in de auto. Mijn ouders hebben ook gezien dat ik door hun met die auto opgehaald werd. Daarna zijn we rondjes door de wijk gaan rijden en zijn we uiteindelijk in [locatie 3] beland. Zij vroegen aan de jongens waarmee we in de wijk stonden geld voor benzine gekregen. Rond drie uur gingen [medeverdachte 1] , [verdachte] en die derde onbekende jongen weg.

V: Waar stond die auto vanmiddag?

A: In de wijk [locatie 2] . Toen wij onderweg waren naar de auto, heb ik [verdachte] en [medeverdachte 1] horen vertellen dat ze 'iets' hadden gedaan maar dat ze geen buit hadden.

Ik had al een vermoeden dat ze zoiets gingen doen. Ik zag dat ze twee neppistolen in de auto op de achterbank hadden liggen. Die pistolen lagen om 23:00 uur niet in de auto. Zij zijn met z'n drieën even weggeweest en toen ze om 3:00 uur weer terugkwamen in [locatie 3] zag ik door de verlichting in de auto twee neppistolen op de achterbank liggen. In de auto zag ik verder twee zwarte maskers liggen, het leken bivakmutsen. Verder zag ik dat [medeverdachte 1] zwarte handschoenen droeg.

V: Goed, onderweg naar de auto zeiden zij dat ze iets gedaan hadden?

A: Dat vertelden zij en ze vertelden ook dat het niet gelukt was. Ze zeiden ook dat het al op de [krant] en alle nieuwssites. Ook weet ik, dat zij de kleding die ze aan hadden, weggegooid hebben.

6.2 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 20 augustus 2015, proces-verbaal nummer 2015241995- [getuige 1] -B, opgenomen op pagina's 181-186 van het dossier, onder meer inhoudende:

[verdachte] en [medeverdachte 1] bespraken dat de overval is mislukt en dat ze het anders aan hadden moeten pakken. Ze bespraken ook dat ze in de winkel waren geweest en geen geld hadden buitgemaakt.

Toen de jongens in de vroege ochtend van woensdag 19 augustus rond drie uur uit de wijk [locatie 3] wegreden zat [medeverdachte 1] achter het stuur met stoffen handschoenen aan. [bijnaam

medeverdachte 2] zat als passagier voorin en [verdachte] zat achterin. Het benzinepeil in de BMW was heel laag. Ik zat die nacht eerder rechts achter in en ik zag dat het benzinelampje brandde. Toen ik thuis werd opgepikt brandde het lampje al. In de wijk [locatie 3] ( [pleegplaats 2] ) vroegen [medeverdachte 1] en [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 2] om benzine geld aan de andere jongens. Ik hoorde later dat ze geld hadden gekregen.

Ik hoorde van [medeverdachte 1] en [bijnaam medeverdachte 2] dat ze in de kofferbak van de BMW hadden gekeken en dat ze spullen hebben weggegooid.

Toen ik [medeverdachte 1] gistermiddag op het pleintje in de [straat 8] ontmoette, vertelde [medeverdachte 1] mij al direct dat ze een overval hadden gepleegd en dat ze geen buit hadden gemaakt. [medeverdachte 1] vertelde mij toen ook al dat de overval op internet stond. [medeverdachte 1] pakte zijn Iphone 5 en zocht het persbericht op. We keken op de internetsite van de [krant] . Ik zag dat er een bericht over een gewapende overval op stond, dat er geen buit was gemaakt en dat de overvallers in een grijze auto waren vertrokken. [medeverdachte 1] reageerde als het ware emotieloos op het incident. Hij kwam “leeg “over. Ik moest lachen zei dat het zeker een grapje was wat hij mij vertelde. Hij werd serieus en zei dat dit geen grapje was.

Ik hoorde van [medeverdachte 1] dat [verdachte] en hij in de winkel waren geweest en dat [bijnaam medeverdachte 2] bang was en niet mee durfde de winkel in. [medeverdachte 1] vertelde mij dat [bijnaam medeverdachte 2] in de auto achterbleef.

De wapens kwamen in ieder geval uit de woning van [bijnaam medeverdachte 2] . Het plastic wapen zag er van dichtbij plasticachtig uit maar ik kan me voorstellen als je er mee wordt bedreigd niet ziet of het nep of echt is. Bij het plastic wapen kon je geen munitie zien. Althans ik heb het niet gezien. Het andere wapen was qua afmeting ongeveer even groot. Het zag er echter en zwaarder uit. Ik zag ook dat er munitie in de patroon houder zat. Deze munitie was zilver- of goudkleurig en ziet eruit als echte munitie.

V: Hoe zit het nu met de diefstal van de BMW.

A: Ik zat thuis en kreeg een whatsapp bericht van [medeverdachte 1] . Dit was omstreeks 22.00-23.00 uur. In dit bericht stond Ik heb een BMW. Het is mij bekend dat [medeverdachte 1] niet in het bezit is van een rijbewijs. Ik ben naar buiten gegaan en ik zag dat er verderop een auto stond van het merk BWM type

1. Ik stapte in de BMW. Ik ging rechts achterin zitten. We reden een rondje en uiteindelijk vertelde [medeverdachte 1] mij dat hij de auto had gestolen. [bijnaam medeverdachte 2] zat toen ook in de auto. [bijnaam medeverdachte 2] bevestigde het verhaal ook dat ze een auto hadden gestolen. Beiden vertelden eigenlijk dat ze over straat liepen en dat er een sleutel in een voordeur zat. Aan die bos/bij die sleutel zat ook een sleutel van een BWM auto.

V: Wat herken je van deze fotos F en G

A: De tas ken ik niet. De jas is zeer waarschijnlijk van [medeverdachte 1] want hij heeft had zon jas. Op het een jas is van het merk America Today ga ik ervan uit dat het zijn jas is.

V: Ik toon je nu de foto's van camerabeelden die zijn gemaakt ten tijde van de overval.

A: Op de foto's herken ik zeker [medeverdachte 1] en [verdachte] . Volgens mij draagt [medeverdachte 1]

hier de jas van de vorige foto (foto bijlage F en G) Wat ik verder met zekerheid herken zijn mijn eigen schoenen. Ik zie dat [medeverdachte 1] dus mijn schoenen aan heeft op het moment van de overval. Ik herken [medeverdachte 1] ook aan zijn houding. Ik herken [verdachte] aan de kleding. De kleding die [verdachte] draagt op de foto's is volgens mij dezelfde kleding die hij eerder die avond/nacht droeg.

Volgens mij is het een Nike teken wat er op het trainingsjack zit.

Het wapen wat [verdachte] in zijn hand heeft is het zwaarste van de beide wapens. Ik herken dit wapen als het wapen of een soortgelijk wapen wat eerder in de BMW lag.

6.3 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 13 oktober 2015, proces-verbaal nummer 63, opgenomen op pagina's 205-208 van het dossier, onder meer inhoudende:

Heb ik al verteld hoe de auto gestolen was? De sleutel zat in de deur en zoals mij is verteld pakte [bijnaam medeverdachte 2] die sleutel uit de deur. Ze zeiden dat beiden. Ik heb dat niet gezien.

Door naar [locatie 3] en daar wachten [medeverdachte 1] op [verdachte] die hij over had gehaald samen de overval te doen. [medeverdachte 1] legde het [verdachte] voor en [verdachte] stemde daarmee in. [verdachte] stond namelijk op het balkon, [medeverdachte 1] zei ik weet iets en [medeverdachte 1] , [bijnaam medeverdachte 2] en [verdachte] hebben toen samen gesproken.

Ze zijn toen even weggeweest in de auto, de BMW en ze kwamen vanaf de rechterkant weet heel hard aanrijden en toen vroegen ze om tankgeld.

Ze kregen een tientje van de broer van [bijnaam medeverdachte 2] . De volgende dag zeiden ze dat ze wisten dat het benzine was, want dat wisten ze eerst niet. Dus ze hebben wel ergens getankt.

6.4 Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 oktober 2015, proces-verbaal nummer 62, opgenomen op pagina's 534-539 van het dossier, onder meer inhoudende als verklaring van verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

De getuige [getuige 2] vertelde ons het volgende, dat:

Hij al vijf dagen samen met [medeverdachte 1] op één cel zat.

[medeverdachte 1] hem alles van begin tot het eind had verteld met betrekking tot de gewapende overval op een [supermarkt] in Friesland.

Hij nog geen processtukken van [medeverdachte 1] had gelezen, maar dat zijn advocaat deze week de procestukken zou opsturen of brengen en dat [medeverdachte 1] hem dan een en ander zou laten lezen. [medeverdachte 1] hem had verteld dat er 1 man buiten was gebleven en twee man de supermarkt binnen waren gegaan.

Er bij de overval gebruik was gemaakt van een BMW, 1-serie.

[medeverdachte 1] van de namen van andere daders ook tegenover hem heeft genoemd.

Op het moment dat ik, verbalisant [verbalisant 4] , opsomde wat hij tot op heden ons had verteld met betrekking tot de overval in Friesland, voegde getuige [getuige 2] daar de volgende zaken aan toe:

Verbalisant: Een gewapende overval. [getuige 2] : Ja

Verbalisant: Een BMW 1 serie die erbij betrokken was.

[getuige 2] : Ja, bij een inbraak ja. Die is van een inbraak gestolen toch? Verbalisant: Je hebt gezegd ik noem de voorletters [voorletter 1] en [voorletter 2]

[getuige 2] : Ja de [voorletter 2] van ' [afkorting naam] '. Dan weten jullie wel wie ik bedoel.

Het oordeel van de rechtbank

1. Overweging met betrekking tot het bezigen van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]

Door de raadsman is aangevoerd dat de door [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen niet gebezigd mogen worden in de bewijsconstructie, kort gezegd omdat deze onbetrouwbaar zouden zijn.

De rechtbank overweegt omtrent de verklaringen van [getuige 1] als volgt.

[getuige 1] is op 19 augustus 2015 met verdachte en [medeverdachte 1] aangehouden terwijl ze reden in de van [slachtoffer 3] gestolen personenauto van het merk BMW met het [kenteken] (hierna: de BMW). [getuige 1] is diezelfde dag verhoord en heeft meteen aangegeven dat hij het hele verhaal wilde vertellen. [getuige 1] heeft in totaal vier verklaringen bij de politie afgelegd en is tevens bij de rechter-commissaris gehoord. [getuige 1] heeft telkens verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] hem hebben verteld dat zij verantwoordelijk waren voor de overval op de supermarkt. De rechtbank constateert dat de verklaringen van [getuige 1] op meerdere onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De rechtbank bespreekt de volgende onderdelen.

- Met betrekking tot het contact met [medeverdachte 1] op 18 augustus 2015 heeft [getuige 1] het volgende verklaard:

"V: Hoe zit het nu met de diefstal van de BMW.

A: Ik zat thuis en kreeg een WhatsApp bericht van [medeverdachte 1] . Dit was omstreeks 22.00-23.00 uur. In dit bericht stond "Ik heb een BMW". Ik ben naar buiten gegaan en ik zag dat er verderop een auto stond van het merk BWM type 1. Ik stapte in de BMW." 1

De rechtbank constateert dat de verklaring van [getuige 1] op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1]2, inhoudende dat hij een WhatsApp bericht heeft gestuurd waarin hij zegt een BMW te hebben. Ook heeft een buurman van [getuige 1] , [getuige 3]3, verklaard dat [medeverdachte 1] op 18 augustus 2016 rond 22:30 uur in een BMW aan kwam rijden in de [straat 8] in [pleegplaats 2] , alwaar hij naar [getuige 1] vroeg en waarna [getuige 1] kwam aanlopen en eveneens in de BMW stapte.

- Met betrekking tot het stelen van de BMW en het tanken heeft [getuige 1] het volgende verklaard:

"Het benzinepeil in de BMW was heel laag. Ik zat die nacht eerder rechts achterin en ik zag dat het benzinelampje brandde. Toen ik thuis werd opgepikt brandde het lampje al. In de wijk [locatie 3]

( [pleegplaats 2] ) vroegen [medeverdachte 1] en [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 2] om benzinegeld aan de andere jongens.

We reden een rondje en uiteindelijk vertelde [medeverdachte 1] mij dat hij de auto had gestolen. [bijnaam medeverdachte 2] zat toen ook in de auto. [bijnaam medeverdachte 2] bevestigde het verhaal ook dat ze een auto hadden gestolen. Beiden vertelden eigenlijk dat ze over straat liepen en dat er een sleutel in een voordeur zat. Aan die bos/bij die sleutel zat ook een sleutel van een BWM auto." 4

Deze passages uit de verklaring van [getuige 1] worden ondersteund door de verklaringen van aangever [slachtoffer 3]5, waaruit blijkt dat er weinig benzine in de BMW zat, dat hij zijn sleutels mogelijk in de voordeur had laten zitten en dat de sleutel van de voordeur en de sleutel van de BMW aan dezelfde sleutelbos zaten.

Voorts heeft [medeverdachte 1]6 zelf verklaard dat verdachte degene is die op de camerabeelden van het [bedrijf] pompstation staat. Op deze camerabeelden7 is te zien dat er op 19 augustus 2015 rond 02:25 uur met een zilverkleurige BMW 1 serie met kenteken [deel kenteken] wordt getankt. Er wordt getankt en betaald door een manspersoon gekleed in een blauwe trainingsbroek van het merk Adidas en zwarte bovenkleding met witte stiksels en een wit logo op de linkerborst.

Deze kleding komt overeen met de kleding die een van de overvallers in de supermarkt draagt blijkens camerabeelden.

- Met betrekking tot de kleding en het schoeisel heeft [getuige 1] het volgende verklaard:

"V: Wat herken je van deze fotos F en G.

A: De tas ken ik niet. De jas is zeer waarschijnlijk van [medeverdachte 1] want hij heeft had zon jas. Op het een jas is van het merk America Today ga ik ervan uit dat het zijn jas is.

V: Ik toon je nu de foto's van camerabeelden die zijn gemaakt ten tijde van de overval.

A: Op de foto's herken ik zeker [medeverdachte 1] en [verdachte] . Volgens mij draagt [medeverdachte 1]

hier de jas van de vorige foto (foto bijlage F en G). Wat ik verder met zekerheid herken zijn mijn eigen schoen. Ik zie dat [medeverdachte 1] dus mijn schoenen aan heeft op het moment van de overval. Ik herken [medeverdachte 1] ook aan zijn houding." 8

"Ook weet ik, dat zij de kleding die ze aan hadden, weggegooid hebben."9

De verklaring van [getuige 1] wordt ten aanzien van de schoenen ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1]10, die bij de politie heeft bevestigd dat hij zwarte schoenen van het merk Balenciaga van [getuige 1] heeft geleend op de avond voor de overval. Dat de bij de overval gedragen kleding inderdaad is weggegooid, wordt ondersteund door het aantreffen van de kakikleurige jas (en een big shopper, lijkend op de big shopper gebruikt bij de overval) in een sloot nabij de plek waar de gestolen BMW is aangetroffen.

- Met betrekking tot spullen in de BMW heeft [getuige 1] het volgende verklaard:

"Ik hoorde van [medeverdachte 1] en [bijnaam medeverdachte 2] dat ze in de kofferbak van de BMW hadden gekeken en dat ze spullen hebben weggegooid." 11

Dit onderdeel van de verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door het aantreffen van verschillende goederen in de berm van het Kalverdijkje in Leeuwarden, nabij de plaats waar de BMW is aangetroffen op 19 augustus 2015. Deze spullen werden door [slachtoffer 3]12 herkend als spullen die in zijn BMW lagen.

- Met betrekking tot het zoeken op internet heeft [getuige 1] het volgende verklaard:

"Toen ik [medeverdachte 1] gistermiddag op het pleintje in de [straat 8] ontmoette, vertelde [medeverdachte 1] mij al direct dat ze een overval hadden gepleegd en dat ze geen buit hadden gemaakt. [medeverdachte 1] vertelde mij toen ook al dat de overval op internet stond. [medeverdachte 1] pakte zijn iPhone 5 en zocht het persbericht op. We keken op de internetsite van de [krant] . Ik zag dat er een bericht over een gewapende overval op stond, dat er geen buit was gemaakt en dat de overvallers in een grijze auto waren vertrokken." 13

Dit wordt bevestigd door onderzoek14 aan de telefoon (iPhone 5) van [medeverdachte 1] . Hieruit blijkt dat op deze telefoon op 19 augustus 2015 om 13:21 uur op de website van de [krant] is gezocht met als onderwerp "gewapende overval [pleegplaats 1] ".

Verschillen in de verklaring van [getuige 1]

De rechtbank constateert - met de raadsman - dat [getuige 1] niet op alle onderdelen telkens hetzelfde heeft verklaard. Zo valt op dat [getuige 1] op 19 april en 28 augustus 2015 kort gezegd heeft verklaard dat hij de wapens (opeens) in de BMW zag liggen, terwijl hij op 20 augustus en 13 oktober 2015 heeft verklaard dat hij zelf buiten bleef en zag dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , bijnaam [bijnaam medeverdachte 2] , (hierna: [medeverdachte 2] ) met de wapens uit de woning van [medeverdachte 2] kwamen. Vervolgens heeft [getuige 1] op 21 maart 2016 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zelf ook in de woning van [medeverdachte 2] was en dat hij de wapens heeft vastgehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verschillende verklaringen op dit onderdeel niet zozeer inconsistent, maar lijkt [getuige 1] telkens iets meer te vertellen over (de herkomst van) de wapens. De rechtbank houdt het voor mogelijk dat [getuige 1] zijn eigen rol, maar ook die van [medeverdachte 2] (die hij eerst nog als "de onbekende jongen" aanduidde) in eerdere verklaringen buiten beschouwing of zo beperkt mogelijk probeerde te houden.

Gelet op het feit dat [getuige 1] uiteindelijk heeft verklaard dat hij de wapens zelf in handen heeft gehad en zichzelf derhalve belast, valt moeilijk in te zien waarom hij bij zijn latere verhoren op dit punt een leugenachtige verklaring zou afleggen. De rechtbank acht de (uiteindelijke) verklaringen van [getuige 1] derhalve eveneens betrouwbaar als het gaat om het halen van de wapens uit de woning van [medeverdachte 2] .

Tot slot merkt de rechtbank op dat op geen enkele wijze is gebleken dat [getuige 1] er belang bij heeft om verdachte en [medeverdachte 1] valselijk te beschuldigen. Uit het dossier blijkt dat [getuige 1] en [medeverdachte 1] elkaar al van jongs af aan kennen en dat zij bevriend waren. Niet is gebleken dat er bijvoorbeeld ruzie zou zijn tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [getuige 1] . Bovendien had [getuige 1] een (bevestigd) alibi en was het derhalve niet nodig om iemand anders te belasten om zelf vrij te

worden gelaten.

De verklaring van [getuige 2]

Met betrekking tot de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] , de celgenoot van [medeverdachte 1] in de PI [plaats 2] , heeft de raadsman aangevoerd dat [getuige 2] in het dossier van [medeverdachte 1] zou kunnen hebben gekeken, daar [medeverdachte 1] zijn dossier op hun gezamenlijke cel bewaarde.

De rechtbank constateert dat [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte 1] , samen met een jongen met een voornaam beginnend met de letters [afkorting naam] een overval op een supermarkt in Friesland had gepleegd, waarbij een buit was gemaakt.

De rechtbank stelt (op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de camerabeelden van de supermarkt) vast dat er niets was buitgemaakt bij de overval op de supermarkt in [pleegplaats 1] en dat de door [getuige 2] gegeven informatie (op dit punt) derhalve onjuist is.

Dit maakt dat [getuige 2] zijn informatie niet uit het dossier van [medeverdachte 1] kan hebben verkregen; dan had hij immers geweten dat er niets was buitgemaakt. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat de door [getuige 2] geleverde informatie rechtstreeks van [medeverdachte 1] afkomstig is, waarbij [medeverdachte 1] zijn verhaal kennelijk iets heeft aangedikt.

Voorts merkt de rechtbank op dat [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte vertelde dat er twee man de supermarkt in gingen en dat één man buiten bleef. Dit past bij de verklaring van [getuige 1] , inhoudende dat verdachte en [medeverdachte 1] vertelden dat zij de overval hadden gepleegd en dat [medeverdachte 2] bang was en in de auto bleef. Tevens past dit bij het gegeven dat [broer van medeverdachte 1]15, de broer van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat hij verdachte (kort na de overval) samen met twee andere jongens in [pleegplaats 2] zag lopen op 19 augustus rond 7:00 uur in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 2] waarin hij aangeeft dat hij daar samen met [medeverdachte 1] liep. Gevraagd wat hij daar deed, gaf [medeverdachte 2] aan dat hij de auto had schoongemaakt. Nu [medeverdachte 2] tevens heeft verklaard dat hij de auto wilde schoonmaken omdat met de auto een overval was gepleegd en dat zijn vingerafdrukken erin konden zitten, begrijpt de rechtbank dit antwoord aldus dat [medeverdachte 2] op 19 augustus 2015 rond 7:00 uur bij de BMW vandaan kwam.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor gebezigde verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] de betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

2 Overweging met betrekking tot het spreken van Arabisch door de overvallers

Door de raadsman is aangevoerd dat de overvallers volgens [slachtoffer 1] onderling in een Arabische taal spraken, terwijl verdachte geen Arabisch spreekt en de overval dus niet door verdachte kan zijn gepleegd.

De rechtbank wijst allereerst op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het bekijken van camerabeelden door verbalisanten, waaruit onder meer het volgende met betrekking tot hetgeen de overvallers (in het proces-verbaal V1 en V2 genoemd) zeggen:

"06:43:03 V1 en V2 blijven nog in de entree staan. V1 bukt en strikt de veters van zijn schoen. Daarna schuift hij de slede van het vuurwapen terug. V1 draait zich met zijn gezicht richting de camera en heeft met zijn hand zijn gezicht iets meer ontbloot. Nu is te zien dat V1 een blanke huidskleur heeft. In de entree wordt gesproken door V1 en V2:

V1 en V2 praten zacht tegen elkaar, onverstaanbaar.

V1: Kijk (V1 wijst richting camera). We staan op beeld. Wola!

V1: Kijk [onverstaanbaar] We moeten weg hier." 16

De camerabeelden van de overval zijn ter terechtzitting vertoond. De rechtbank constateerde dat niet alles te verstaan was, maar dat duidelijk hoorbaar was dat de overvallers (in ieder geval) Nederlands tegen elkaar spraken.

Voorts wijst de rechtbank op de reeds opgenomen aangifte van [slachtoffer 1] , waaruit blijkt dat de overvallers Nederlands tegen hem spraken en dat een van de overvallers " Habibi we moeten weg" tegen de ander zei. Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer 1] hierover als volgt:

"Ik spreek geen Arabisch. Ik heb wel Arabische vrienden en ik weet ongeveer hoe die taal klinkt. Ik ken bepaalde Arabische woorden. Die overvaller zei bijvoorbeeld habibi tegen mij, en dan weet ik het al gelijk."

Blijkens deze verklaring was de conclusie van [slachtoffer 1] dat de overvallers met elkaar een andere taal spraken, gebaseerd op het horen van enkele Arabische woorden. De rechtbank heeft met [slachtoffer 1] geconstateerd dat de overvallers enkele woorden uit de Arabische taal hebben gebruikt, te weten in ieder geval habibi en wollah. Het is de rechtbank echter bekend dat de genoemde woorden ook in de straattaal gebezigd worden. Nu niet is gebleken dat er overigens door de overvallers in een Arabische taal werd gesproken, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] geen contra-indicatie vormen voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval.

3 Conclusies ten aanzien van de bewezenverklaring

De rechtbank ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of verdachte zich op 18 augustus 2015 schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de BMW, zoals ten laste gelegd onder 2. primair. De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, nu hier geen bewijs voor is.

De rechtbank is - eveneens met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat de onder 2. subsidiair ten laste gelegde opzetheling bewezen kan worden op basis van de bekentenis van verdachte, de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaringen van [getuige 1] .

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte één van de daders van de gewapende overval op de supermarkt in [pleegplaats 1] was. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben zelf aan [getuige 1] (en [medeverdachte 1] aan [getuige 2] ) verklaard dat zij de overval hebben gepleegd. Dit wordt op verschillende onderdelen en door diverse onderzoeksbevindingen en getuigenverklaringen bevestigd.

De rechtbank wijst op de gelijkenis tussen de als verdachte herkende man op camerabeelden van het [bedrijf] tankstation en een van de overvallers zoals te zien op camerabeelden van de overval.

De rechtbank constateert voorts dat door de daders van de overval in [pleegplaats 1] een zilverkleurige BMW 1 serie is gebruikt. Verdachte kon - samen met [medeverdachte 1] - in de periode van 18 augustus 2015 tot aan zijn aanhouding in de middag van 19 augustus 2015 beschikken over een zilverkleurige BMW

1. serie.

Uit de camerabeelden van de overval blijkt dat de overvallers omstreeks 06:43 uur vanaf het parkeerterrein van de supermarkt in [pleegplaats 1] vluchtten in de zilverkleurige BMW.

[medeverdachte 1] is ongeveer 20 minuten later samen met [medeverdachte 2] en een andere jongen in de buurt van de later vindplaats van de van [slachtoffer 3] gestolen zilverkleurige BMW 1 serie in [pleegplaats 2] gezien. Verdachte is vroeg in de ochtend voor de woning van zijn moeder in Leeuwarden gezien.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en gelet op hetgeen hierover is vermeld in deze overweging, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte de overval op de supermarkt in [pleegplaats 1] heeft gepleegd.

Met betrekking tot de overtuiging dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, merkt de rechtbank het volgende op. Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting regelmatig beroepen op zijn zwijgrecht.

Dat recht komt de verdachte toe, gelet op het fair hearing-beginsel van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 14 lid 3, sub g Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Het zwijgen van de verdachte kan hierdoor, mede gelet op het bepaalde in artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, niet als zelfstandig bewijsmiddel worden gebruikt.

Desalniettemin kan het stilzwijgen van verdachte worden betrokken in de bewijsvoering indien er omstandigheden zijn die zodanig wijzen op betrokkenheid van verdachte, dat ten aanzien van deze omstandigheden enige verklaring van verdachte mag worden verlangd. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) formuleerde dit in de Murray-zaak17 als volgt: “It is only if the evidence against the accused “calls” for an explanation which the accused ought to be in a position to give that a failure to give any explanation “may as a matter of common sense allow the drawing of an inference that there is no explanation and that the accused is guilty”.”

Gevolgtrekkingen uit het stilzwijgen van een verdachte op een omstandigheid waar juist de verdachte een specifieke toelichting op kan geven, kunnen slechts dan worden getrokken indien de zaak bewijsbaar is zonder hierbij rekening te houden met het zwijgen van verdachte. Er dient aldus sprake te zijn van een prima facie zaak.

De rechtbank is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat er in de onderhavige zaak gesproken kan worden van een prima facie zaak. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op de supermarkt.

Verdachte beriep zich tijdens de politieverhoren veelvuldig op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting gevraagd naar waar hij was in de nacht van 18 op 19 augustus 2016, antwoordde verdachte dat hij bij een scharrel sliep. Gevraagd naar wie deze scharrel was, beriep verdachte zich op zijn zwijgrecht, omdat hij de persoon in kwestie hier niet in wilde betrekken, nu zij een relatie met een ander heeft.

Zoals reeds overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de overval heeft gepleegd. Nu verdachte ervoor heeft gekozen te zwijgen in plaats van toe te lichten waarom de toedracht wel anders geweest zou kunnen zijn, komt de rechtbank niet tot een ander standpunt. In

zoverre zal de rechtbank het op cruciale punten zwijgen van verdachte dan ook in zijn nadeel in de bewijsvoering betrekken.

Alles overwegend zal de rechtbank het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. ?

hij op 19 augustus 2015, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Opsterland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, toebehorende aan [supermarkt] , en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en bedreiging met geweld tegen één of meer aldaar in die supermarkt aanwezige personen, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededader

  • met een personenauto van [pleegplaats 2] naar [pleegplaats 1] zijn gereden en vervolgens

  • voornoemde supermarkt zijn binnengegaan, zulks terwijl zij op vuurwapens gelijkende voorwerpen bij zich droegen en vervolgens

  • op de aldaar aanwezige [slachtoffer 1] zijn afgerend en vervolgens die [slachtoffer 1] hebben vastgepakt en in de houdgreep hebben genomen en het hoofd van die [slachtoffer 1] naar beneden hebben gedrukt en daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gedrukt en gedrukt gehouden en vervolgens

  • die [slachtoffer 1] dreigend de woorden hebben toegevoegd: “blijf naar beneden kijken, geen geintjes of anders schiet ik”, en vervolgens

  • die [slachtoffer 1] verder de supermarkt in hebben meegenomen en daarbij die [slachtoffer 1] hebben gevraagd: “waar is de kluis” en vervolgens

  • aangekomen bij de gesloten kantoordeur van die supermarkt met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die kantoordeur hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

hij in de periode van 18 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen een personenauto, merk BMW, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. subsidiair Medeplegen van opzetheling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden teneinde verdachte ter observatie op laten te nemen in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), omdat er onvoldoende duidelijkheid omtrent zijn geestesgesteldheid bestaat. De officier van justitie heeft in dit verband aangevoerd dat hij zich ernstig zorgen maakt om verdachte, dat verdachte kennelijk niets heeft geleerd van eerdere straffen en dat er een groot gevaar op herhaling bestaat.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde volgens het volwassenenstrafrecht wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. De officier van justitie is uitgegaan van de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor strafoplegging bij een overval met meer dan licht geweld. Dat verdachte geen buit heeft gemaakt en dat juridisch gezien dus sprake was van een poging, doet volgens de officier van justitie niet af aan de impact die het feit op het slachtoffer heeft gehad. De officier van justitie ziet in het uitgebreide justitiële verleden van verdachte, alsmede in het feit dat eerdere (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen en hulpverleningstrajecten kennelijk geen baat hebben gehad, reden om ten nadele van verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor afwijzing van het verzoek tot aanhouding, nu er reeds tweemaal een pro forma zitting is geweest en het nu niet meer opportuun is om verdachte nog naar het PBC te sturen. De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie afwijzen. De rechtbank deelt de zorgen die de officier van justitie omtrent verdachte heeft. Blijkens de nader te noemen rapportages en het uittreksel uit de justitiële documentatie is het verleden van verdachte doorspekt met hulpverlening en veroordelingen, waarbij de delicten steeds ernstiger lijken te worden. Hoewel een observatie in het Pieter Baan Centrum in de rede ligt, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het feit dat verdachte in alle opzichten zijn medewerking weigert te verlenen, een dergelijke observatie weinig kans van slagen heeft.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte

zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapporten d.d. 1 september 2015 en 29 oktober 2015, het schrijven van het NIFP d.d. 10 september 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 maart 2016, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van een poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Bij de overval hebben verdachte en zijn mededader een broodbezorger bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en hem door de supermarkt gesleurd op zoek naar geld.

Daarbij hebben verdachte en zijn mededader op zeer intimiderende en bedreigende wijze opgetreden en bij het slachtoffer grote angst teweeggebracht.

Naar de ervaring leert, ondervinden slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd gevoelens van onveiligheid. Dit blijkt ook uit de verklaring die het slachtoffer heeft toegevoegd aan zijn vordering als benadeelde partij. Het slachtoffer heeft zich wekenlang angstig gevoeld en heeft uiteindelijk zijn baan opgezegd ten gevolge van de overval.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzetheling ten aanzien van een gestolen auto.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan is veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hier aangewezen. Voor wat betreft de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een overval op een winkel wordt daar een gevangenisstraf van twee jaren gehanteerd in het geval van licht geweld en bedreiging en een gevangenisstraf van drie jaren in het geval van ander geweld. Als definitie van licht geweld wordt een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel gegeven.

De rechtbank constateert dat het door verdachte en zijn mededader gebruikte geweld, te weten onder meer het slachtoffer in een nekklem nemen en onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp door de winkel sleuren, veel verder gaat en houdt derhalve een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren aan als uitgangspunt.

Dat in het onderhavige geval geen buit is gemaakt en dat het derhalve formeel is gebleven bij het in vereniging plegen van een poging tot diefstal met geweld, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de ernst van het feit. Dat de overvallers niet bij het geld van de supermarkt konden komen, maakt de impact van de gebeurtenis voor het slachtoffer er niet minder om.

Als strafvermeerderende factoren worden in de oriëntatiepunten onder andere genoemd recidive, samenwerkingsverband en het soort wapen dat is gebruikt.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor meerdere diefstallen met geweld/bedreiging met geweld. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank sprake van recidive. Voorts weegt de rechtbank als strafvermeerderende factoren mee het gebruik van op vuurwapens gelijkende voorwerpen en het feit dat verdachte samen met een mededader handelde.

Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank zijn jonge leeftijd mee.

De rechtbank ziet - evenals de officier van justitie - geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat gezien de leeftijd van verdachte het volwassenenstrafrecht van toepassing is.

De rechtbank maakt zich ernstige omtrent de verdere ontwikkeling van verdachte. Op de strafdocumentatie komen al vanaf jonge leeftijd veertien gevallen voor van diefstal en geweldpleging. Ten tijde van de onderhavige delicten was verdachte nog maar net uit detentie ontslagen. De eerste delicten dateren al uit de periode dat verdachte nog maar veertien jaar oud was. Op zestienjarige leeftijd was verdachte al veelpleger.

Uit het trajectconsult en de diverse rapportages blijkt dat verdachte diverse keren uitgebreid is onderzocht en dat verschillende behandelingen en uithuisplaatsingen tijdens zijn jeugd geen blijvend effect hebben gehad.

Al eerder heeft de reclassering gerapporteerd dat zij zich ernstige zorgen maakte omdat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had, torenhoge schulden en dat het onduidelijk was waar hij verbleef en wat hij deed. Verdachte zet zich af tegen officiële instanties, voelt zich opgejaagd en heeft verkeerde, criminele contacten. Voorafgaande aan de overval was verdachte omringd door allerlei personen die met een dergelijke actie maar weinig moeite leken te hebben. Ambulante begeleiding wordt door de reclassering niet meer zinvol geacht.

Zeer zorgelijk is ook de bevinding van de reclassering dat verdachte in staat is zeer ernstige delicten te plegen en dat hij niet onder de indruk is van politie en justitieel ingrijpen wat tot nu toe vrijwel alle reguliere sancties omvatte. De contouren van de maatregel van TBS beginnen zich af te tekenen. De rechtbank begrijpt in dat licht de vordering van de officier van justitie om verdachte in het Pieter Baan Centrum te laten observeren. Vooralsnog wil de rechtbank de samenleving tegen verdachte beschermen door een forse vrijheidsstraf met daarbij de hoop dat verdachte enig inzicht zal verwerven in de zinloosheid van de weg die hij gekozen heeft. Mocht verdachte nog gemotiveerd raken voor hulpverlening, dan kan dit in het kader van de regeling voor vervroegde invrijheidstelling worden ingezet.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank zal derhalve aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting eveneens als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder

2. subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De vordering behelst kort gezegd schade aan de door verdachte geheelde en bij de overval als vluchtauto gebruikte personenauto van het merk BMW, alsmede goederen die op het moment van diefstal in de auto lagen en eruit zijn gegooid door verdachte en/of zijn mededader.

De rechtbank acht het aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte 1] - niet in bezit van een rijbewijs - schade heeft veroorzaakt aan de auto. Blijkens verklaringen in het dossier heeft [medeverdachte 1] onder meer met een snelheid van 200 kilometer per uur gereden en negeerde hij verkeersregels. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schadeposten met betrekking tot schade aan de auto met uitzondering van de schade aan het dashboard voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

Het causale verband tussen het handelen van verdachte en de geclaimde kosten voor het herstellen van het dashboard is aan de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden. De rechtbank kan deze schade niet plaatsen bij het rijgedrag van verdachte, noch bij de aan de auto gepleegde vernielingen aan de achteruitkijkspiegel en het ventilatierooster.

De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is welke schade reeds door de verzekeraar is vergoed en dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, hetgeen tot het niet-ontvankelijk verklaren in de vordering dient te leiden, nu nader onderzoek tot een onevenredige belasting van het strafrecht zou leiden.

De rechtbank constateert dat verzekeraar Schadenet reeds kosten voor reparaties ad

4.504,79 heeft vergoed. Blijkens de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting was de opgelopen schade aan de auto echter niet volledig verholpen met deze (vergoede) reparaties. Raadpleging van de garage die de reparaties heeft uitgevoerd bracht geen oplossing, waarna de benadeelde partij een andere garage heeft benaderd. Deze garage heeft aangegeven de resterende schade te willen verhelpen, waarbij de kosten blijkens de bijgevoegde offerte 2.706,09 zullen bedragen. Dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten door de verzekeraar, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk, nu het gaat om dezelfde schade als waarvoor de verzekeraar reeds reparaties heeft vergoed.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de nog te repareren schade aan de auto derhalve toewijzen, met uitzondering van de reeds genoemde schade aan het dashboard à 402,87. Dit levert een resterend bedrag op van ( 2.236,45 - 402,87 x 21% BTW = ) 2.218,63.

Met betrekking tot de gevorderde vergoeding voor de optische zonnebril à 440,00 merkt de rechtbank op dat het blijkens de bijgevoegde factuur ging om een ruim zes jaar oude zonnebril. De rechtbank hanteert - met gebruikmaking van de afschrijvingslijst van het SVC (het samenwerkingsverband voor financiële dienstverlening) - een percentage van 10% afschrijving per half jaar, ingaande na het eerste jaar. Dit betekent dat de restwaarde van de bril op het moment van de diefstal nihil was. De rechtbank zal de benadeelde partij op dit punt dan ook niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.

De rechtbank wijst toe de overige gevorderde schade, zijnde een bedrag van 289,75, nu de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De overige schadeposten zijn niet dan wel onvoldoende door de raadsman en verdachte betwist.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van 1.560,00 (zegge: duizendvijfhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2015 en in dier voege dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van 1.560,00 (zegge: duizendvijfhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2015 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte of diens mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of diens mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van 2.508,38 (zegge: tweeduizendvijfhonderdacht euro en achtendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2015 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van 2.508,38 (zegge: tweeduizendvijfhonderdacht euro en achtendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte of diens mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of diens mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 april 2016.

Mr. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[afbeelding niet beschikbaar]

1. De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.2.

2 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 20 augustus 2015, proces-verbaal nummer 2015241995-B,

opgenomen op pagina's 116-118 van het dossier.

3 De verklaring van [getuige 3] , als bewijsmiddel opgenomen onder 3.2.

4 De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.2.

5 De verklaringen van [slachtoffer 3] , als bewijsmiddel opgenomen onder 1.2 en 1.3.

6 De verklaring van [medeverdachte 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 5.1.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, als bewijsmiddel opgenomen onder 2.2.

8 De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.2.

9 De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.1.

10 De verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 27 augustus 2015, proces-verbaalnummer 20, opgenomen op

pagina's 121-123 van het dossier.

11 De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.2.

12 De verklaring van [slachtoffer 3] , d.d. 24 augustus 2015, proces-verbaalnummer 7, opgenomen op

pagina's 312-314 van het dossier.

13 De verklaring van [getuige 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 6.2.

14 Het proces-verbaal van onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] d.d. 25 augustus 2015, proces-

verbaal nummer 13, opgenomen op pagina's 442-433 van het dossier, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2015 me proces-verbaal nummer 38, opgenomen op pagina's 428-430.

15 De verklaring van [medeverdachte 1] , als bewijsmiddel opgenomen onder 4.1.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, als bewijsmiddel opgenomen onder 2.1.

17 EHRM 8 februari 1996, NJ 96/725.

[afbeelding niet beschikbaar]