Strafrecht overig
Vrijspraak brandstichting. Voor een opzettelijke brandstichting zoals bedoeld in artikel 157 lid 1 Wetboek…
Rechtbank Noord-Nederland, 13 april 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:1841 · Rechtbank Noord-Nederland · 13 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2018-1841
Zaakgegevens
Op 13 april 2018 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 13 april 2018
- Datum publicatie
- 16 mei 2018
- Zaaknummer
- 18/830369-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2018:1841
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrijspraak brandstichting. Voor een opzettelijke brandstichting zoals bedoeld in artikel 157 lid 1 Wetboek van Strafrecht is vereist dat komt vast te staan dat door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor anderen te duchten was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de door verdachte gestichte brand daadwerkelijk gevaar heeft kunnen opleveren voor andere, aan derden toebehorende goederen of levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Uit het verrichte onderzoek is onvoldoende gebleken dat dergelijk gevaar te duchten is geweest. Er is derhalve onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van de bestanddelen 'gemeen gevaar voor goederen te duchten' en/of 'levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten'. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830369-17
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 april 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],
thans verblijvende te [verblijfsplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
30 maart 2018.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Ossentjuk, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 oktober 2017 te Groningen opzettelijk, in een woning
gelegen aan of bij de [straatnaam], brand heeft gesticht, door in
die woning open vuur in aanraking te brengen met papier en/of
(papieren/kartonnen) verpakkingsmateriaal en/of kabel(s)/snoer(en) en/of een
stekkerdoos en/of vuilnis en/of een koelkast, althans met (een) brandbare
stof(fen), ten gevolge waarvan dat papier, verpakkingsmateriaal,
kabels/snoeren, stekkerdoos, vuilnis en/of een koelkast geheel of gedeeltelijk
is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan A. gemeen gevaar voor die voornoemde goederen en/of (de rest van) de inventaris
van die woning aan of bij de [straatnaam] en/of die woning en/of de
aangrenzende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of B. levensgevaar voor in die (aangrenzende) woningen aanwezige personen, in elk
geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor in die woningen/percelen aanwezige personen, in elk
geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Verdachte heeft brand gesticht in zijn woning doordat hij een zak met afval in brand heeft gestoken. Hierdoor is gevaar ontstaan voor goederen in de woning van verdachte en aangrenzende woningen. Daarnaast is er levensgevaar te duchten geweest voor de in de aangrenzende woningen aanwezige personen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest, dan wel dat er sprake is geweest voor levensgevaar voor de in de aangrenzende woningen aanwezige personen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat vast staat dat verdachte op 16 oktober 2017 in zijn woning een zak met afval in brand heeft gestoken. Deze zak met afval lag op een, niet op het lichtnet aangesloten, kapotte op de achterkant liggende koelkast, die verdachte als vuilnisbak gebruikte. Verdachte heeft de brand uitgetrapt waarna er rookontwikkeling is ontstaan.
Voor een opzettelijke brandstichting zoals bedoeld in artikel 157 lid 1 Wetboek van Strafrecht is vereist dat komt vast te staan dat door de brandstichting gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor anderen te duchten was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de door verdachte gestichte brand daadwerkelijk gevaar heeft kunnen opleveren voor andere, aan derden toebehorende goederen of levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Uit het verrichte onderzoek is onvoldoende gebleken dat dergelijk gevaar te duchten is geweest. Er is derhalve onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van de bestanddelen 'gemeen gevaar voor goederen te duchten' en/of 'levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten'. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en
mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2018.