Strafrecht overig
Toewijzen ontnemingsvordering.
Rechtbank Noord-Nederland, 4 april 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:1422 · Rechtbank Noord-Nederland · 4 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2019-1422
Zaakgegevens
Op 4 april 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 4 april 2019
- Datum publicatie
- 5 april 2019
- Zaaknummer
- 18/820322-14 Ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1422
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzen ontnemingsvordering.
Procesgang
Rechtbank Noord-Nederland · 4 april 2019deze uitspraak
ECLI:NL:RBNNE:2019:1422
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 februari 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:889
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/820322-14
beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 4 april 2019 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 20 september 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 158.756,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/820322-14 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 21 maart 2019.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat veroordeelde uit hoofde van gewoontewitwassen, op grond waarvan veroordeelde bij vonnis van 4 april 2019 is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De officier van justitie heeft de hoogte van de schriftelijke vordering gewijzigd in € 100.234,-. Hij baseert de vordering op de door de Belastingdienst vastgestelde onverklaarbare inkomsten van veroordeelde ter grootte van € 139.106,-, verminderd met € 38.872,-, zijnde de inkomsten uit witwassen die aan de medeveroordeelde zijn toegekomen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor afwijzing van de vordering gepleit.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2018, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2014081403, inhoudend als relatering dat de onverklaarbare inkomsten van veroordeelde € 139.106,- bedragen; dit bedrag is als compromis overeengekomen tussen de Belastingdienst en veroordeelde.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 139.106,- voordeel heeft genoten.
De rechtbank brengt voorts de kosten die in rechtstreeks verband staan met het strafbare feit in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt daartoe, dat uit het zaakdossier ter zake het gronddelict voldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde de goederen die hij heeft witgewassen heeft verworven via derden en dat hij daarvoor ook een prijs heeft betaald. De rechtbank begroot die kosten op 25% van de gegenereerde omzet; dat is € 34.776,50, zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 104.329,50.
Ten slotte neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat de inbeslaggenomen goederen, die door de rechtbank bij vonnis van 4 april 2019 verbeurd zijn verklaard, door veroordeelde zijn ingekocht met de opbrengst uit gewoontewitwassen. De waarde van de verbeurdverklaarde goederen dient in mindering te worden gebracht op de betalingsverplichting van veroordeelde. Bij deze verrekening moet in beginsel worden uitgegaan van de door de rechter te schatten waarde van de verbeurdverklaarde goederen ten tijde van de inbeslagneming, waarbij het aankomt op de omstandigheden van het geval. In dit geval is de winkelwaarde van de inbeslaggenomen goederen geschat op een bedrag tussen € 50.000,- en € 200.000,-. Nu een nadere toelichting op de waarde van de inbeslaggenomen goederen zijdens de officier van justitie ontbreekt en ook verdachte geen nadere toelichting heeft verstrekt, zal de rechtbank bij het gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid uitgaan van het gemiddelde van deze twee bedragen, en aldus de winkelwaarde van de verbeurdverklaarde goederen vaststellen op
€ 125.000,-. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat veroordeelde ook deze goederen heeft verworven tegen 25% van de winkelwaarde, gelijk aan het inkooppercentage van de reeds verkochte goederen; dat is € 31.250,-.
De rechtbank zal de terugbetalingsverplichting van veroordeelde vaststellen op het wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd met de prijs die veroordeelde heeft betaald voor de verbeurdverklaarde goederen. Dat is € 104.329,50 -/- € 31.250,- = € 73.079,50.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 104.329,50.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
€ 73.079,50,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 april 2019.