Strafrecht overig
Verdachte is veroordeeld tot betaling van € 49.170,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk…
Rechtbank Noord-Nederland, 1 maart 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:781 · Rechtbank Noord-Nederland · 1 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2019-781
Zaakgegevens
Op 1 maart 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 1 maart 2019
- Datum publicatie
- 28 februari 2019
- Zaaknummer
- 18/830238-18 ontnemingsvordering
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2019:781
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte is veroordeeld tot betaling van € 49.170,00 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830238-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 1 maart 2019 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [woonplaats],
thans gedetineerd te PI Leeuwarden.
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 7 december 2018 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 49.170,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830238-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 februari 2019. De officier van justitie, veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr. R.P van der Graaf, zijn gehoord.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2019, voor zover inhoudende:
Ik heb het geld dat bij mij thuis is aangetroffen, verdiend met de handel in hennep.
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 4 oktober 2018, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier met nummer 2018261773 d.d. 4 november 2018, inhoudende een verklaring van verbalisanten:
Op 4 oktober 2018 waren wij op het adres gelegen aan de [straatnaam] te Groningen ten einde de externe opslagruimte behorende bij de woning voornoemd te doorzoeken. Ik zag in de hoek linksachter in de opslagruimte, een oude groene stalen kast staan. Toen ik de deur opende zagen wij dat er een zwartkleurige rugzak op de onderste plank van de kast stond. Toen wij de rugzak opende zagen wij een groen metalen geldkistje. Toen ik het geldkistje opende met deze sleutel zagen wij, dat hier minstens tienduizend euro in verschillende coupures in zat. (…) In de lade van de keukenblok vond ik tweehonderdtien euro aan coupures.
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 oktober 2018, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een verklaring van verbalisanten:
Op vrijdag 5 oktober 2018 hebben wij het inbeslaggenomen geld opnieuw geteld middels een geldtelmachine.
Hierop hebben wij alle in beslag genomen biljetten onder goednummer 1057942 benoemd in de kennisgeving van inbeslagname en voorzien van proces-verbaal nummer 2018261773-18, laten tellen door de hierboven genoemde telmachine. Wij zagen dat de telmachine de volgende telling had uitgevoerd:
- 4 keer 100 eurobankbiljetten;
-735 keer 50 eurobankbiljetten;
-493 keer 20 eurobankbiljetten;
-239 keer 10 eurobankbiljetten;
-12 keer 5 eurobankbiljetten.
Totaal 1473 keer eurobankbiljetten met een totaalwaarde van 48.960 euro.
Hierop hebben wij alle in beslag genomen biljetten onder goednummer 1057940 benoemd in de kennisgeving van inbeslagname en voorzien van proces-verbaal nummer 2018261773-18, laten tellen door de hierboven genoemde telmachine. Wij zagen dat de telmachine de volgende telling had uitgevoerd:
- 2 keer 50 eurobankbiljetten;
-4 keer 20 eurobankbiljetten;
-2 keer 10 eurobankbiljetten;
-2 keer 5 eurobankbiljetten.
Totaal 10 keer eurobankbiljetten met een totaalwaarde van 210 euro.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 1 maart 2019 in de zaak met parketnummer 18/830238-18 onder meer veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Op grond van de inhoud van de hierboven genoemde wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2019 en voornoemd proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland van 5 oktober 2018 als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van het voormelde strafbare feit wordt geschat.
Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland van 5 oktober 2018 blijkt dat onder verdachte een bedrag van € 48.960,00 in beslag is genomen en een bedrag van € 210,00. In totaal is er dan ook een bedrag van € 49.170,00 in beslaggenomen. Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij het gehele bedrag heeft verdiend met de handel in wiet.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 49.170,00 voordeel heeft genoten.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 49.170,00.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 49.170,00;
- legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 49.170,00 (zegge: negenenveertigduizend eenhonderd zeventig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. A. Jongsma en
mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2019.