Strafrecht overig
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in cocaïne en hasjiesj.
Rechtbank Noord-Nederland, 7 februari 2020
ECLI:NL:RBNNE:2020:474 · Rechtbank Noord-Nederland · 7 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2020-474
Zaakgegevens
Op 7 februari 2020 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 7 februari 2020
- Datum publicatie
- 7 februari 2020
- Zaaknummer
- 18/830048-19 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2020:474
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in cocaïne en hasjiesj.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/830048-19
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 7 februari 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [straatnaam].
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 19 december 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.840,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer
18/830048-19 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 24 januari 2020. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. L.I. Veenstra, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.
Standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde tot een bedrag van
€ 3.840,-. De officier van justitie heeft dat bedrag gebaseerd op de inhoud van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij ten aanzien van de verkoop van cocaïne wordt uitgegaan van een periode van 6 maanden.
Ten aanzien van de verkoop van hasjiesj wordt op grond van de verklaring van veroordeelde uitgegaan van een periode van 24 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering voor wat betreft de handel in cocaïne moet worden afgewezen omdat veroordeelde niet in cocaïne heeft gehandeld. Veroordeelde heeft [medeverdachte 1] enkel doorverwezen naar een derde, die wel handelde in cocaïne. Veroordeelde heeft hiervan geen voordeel genoten.
Met betrekking tot de verkoop van hasjiesj heeft de raadsvrouw betoogd dat veroordeelde niet 24 maanden maar maximaal gedurende 6 maanden 25 gram hasjiesj per maand heeft verkocht.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 7 februari 2020 in de zaak met parketnummer 18/830048-19 veroordeeld ter zake medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 11 augustus 2019.
Verkoop cocaïne
De veroordeelde heeft bij de politie verklaard dat hij 4 à 5 maanden cocaïne aan [medeverdachte 1] heeft verkocht. Voor 1 gram kreeg hij € 70,- en betaalde hij de dealer € 50,-.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij bij veroordeelde ongeveer een jaar, 3 of 4 keer per maand cocaïne kocht. [medeverdachte 1] betaalde voor 1 gram € 40,- en voor een halve gram € 25,-.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovenstaande bewijsmiddelen voldoende dat veroordeelde heeft gehandeld in cocaïne en is het aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van cocaïne heeft genoten.
Dit levert ten aanzien van de verkoop van cocaïne de volgende berekening op:
[medeverdachte 1] verklaart 12 maanden 4 keer per maand cocaïne gekocht te hebben.
[veroordeelde] verklaart 4 à 5 maanden verkocht te hebben.
Voor de berekening wordt een gemiddelde genomen van 6 maanden.
Volgens beiden 4 keer per maand
Voor de berekening wordt uitgegaan van 4x een halve gram, totaal 2 gram per maand.
1. gram werd gekocht voor € 50,- , verkocht voor € 70,- (voordeel € 20,- per gram)
2 gram wordt gekocht voor € 100,-, verkocht voor 140 euro (voordeel van 40 euro per 2 gram per maand)
6 maanden x 2 gram per maand is totaal 12 gram cocaïne
12 gram cocaïne wordt ingekocht voor € 600,- en verkocht voor € 840,-.
€ 840,- minus inkoop van 600 euro = € 240,- winst.
Verkoop hasjiesj
Veroordeelde heeft verklaard dat hij 25 gram hasjiesj per maand verkocht. Hij betaalde € 4,- per gram voor de inkoop. Hij verkocht de hasjiesj voor € 10,- per gram. Uit de verklaring van het broertje van veroordeelde volgt dat hij 24 maanden hasjiesj voor veroordeelde heeft verkocht.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat het aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van hasjiesj heeft genoten gedurende een periode van 24 maanden.
Dit levert ten aanzien van de verkoop van hasjiesj de volgende berekening op:
De berekening is gebaseerd op een verkoop van 25 gram per maand en een winst van € 150,- per maand.
Als periode voor de berekening wordt een periode aangehouden van 24 maanden, gemiddeld 25 gram per maand verkoop.
24 maanden x gemiddeld 25 gram per maand = 600 gram wiet en/of hasj totaal
1. gram inkoop is € 4,- werd verkocht voor € 10,- = € 6,- voordeel per gram
Inkoop: 600 gram x € 4,- per gram = € 2.400,-
Verkoop: 600 gram x € 10,- per gram = € 6.000,-
€ 6.000,- - inkoop van € 2.400,- = € 3.600,- winst in 24 maanden
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde (€ 240,- + € 3.600,-) = € 3.840,- wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.840,-
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 3.840,- (zegge: drieduizend achthonderd veertig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 30 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. T.M.L. Veen en
mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 februari 2020.