Strafrecht overig

Vordering tot ontneming afgewezen. Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:2021:2845.

Rechtbank Noord-Nederland, 29 juni 2021

Zaakgegevens

Op 29 juni 2021 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
29 juni 2021
Datum publicatie
9 juli 2021
Zaaknummer
18/750063-18 ontneming
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:2857
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vordering tot ontneming afgewezen.

Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:2021:2845.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750063-18

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 29 juni 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde],

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 1 maart 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 147.920,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750063-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 15 juni 2021.

Tijdens de behandeling heeft de officier van justitie verzocht de vordering af te wijzen.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering op nihil te stellen.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 29 juni 2021 in de zaak met parketnummer 18/750063-18 veroordeeld ter zake verduistering.

Aangezien in de civiele procedures de betalingsverplichting van veroordeelde jegens het slachtoffer is vastgesteld en bij vonnis van heden ter zake van dezelfde vordering een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, is toewijzing van de ontnemingsvordering naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun.

De rechtbank zal gelet op de eis van de officier van justitie, de vordering afwijzen.

Beslissing

Wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. K.A. de Groot, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 juni 2021.

Mr. Jongsma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.