Strafrecht overig
Onderzoek Narwal. Grootschalige hennepteelt in een bedrijfspand in Foxhol. Verdachte is veroordeeld wegens…
Rechtbank Noord-Nederland, 13 april 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:1470 · Rechtbank Noord-Nederland · 13 april 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2023-1470
Zaakgegevens
Op 13 april 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 13 april 2023
- Datum publicatie
- 13 april 2023
- Zaaknummer
- 18/850025-18 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1470
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Narwal. Grootschalige hennepteelt in een bedrijfspand in Foxhol. Verdachte is veroordeeld wegens schuldwitwassen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 126.850,00.
Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/850025-18
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], wonende te [adres], hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 7 juli 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 156.850,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/850025-18 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 21 maart 2023, waarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. S.M. von Bartheld, veroordeelde en zijn raadsvrouw mr. J.E. Versluis.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op € 156.850,00. Uit het onderzoek naar de bankrekening van veroordeelde is gebleken dat hij dit bedrag aan huurpenningen heeft ontvangen voor de verhuur van het pand aan de [adres] te Foxhol.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de door haar bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden.
Bewijsmiddelen
Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
-
de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 13 april 2023 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
-
het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 3 april 2019.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 13 april 2023 in de zaak met parketnummer 18/850025-18 veroordeeld voor schuldwitwassen.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van het ingevolgde dat vonnis bewezenverklaarde feit.
Veroordeelde heeft het pand aan de [adres] te Foxhol in november 2016 gekocht en hij ontving maandelijks € 10.000,00 aan huur. In het pand is op 4 juni 2018 een grootschalige hennepkwekerij aangetroffen. De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 april 2023 vastgesteld dat de huur die veroordeelde heeft ontvangen afkomstig is uit enig misdrijf. Veroordeelde heeft in totaal € 156.850,00 aan huurpenningen ontvangen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat veroordeelde pas vanaf 27 januari 2017 redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de huurpenningen uit enig misdrijf afkomstig waren. De rechtbank zal derhalve de eerste drie huurtermijnen van in totaal € 30.000,00 in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank komt derhalve uit op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 126.850,00 (€ 156.850,00 - € 30.000).
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 126.850,00.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 126.850,00 (zegge: honderd zesentwintigduizend achthonderd vijftig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2023.
Mr. H.R. Bracht is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.