Strafrecht overig

Verdachte is veroordeeld wegens onder meer drugshandel en gewoontewitwassen. De rechtbank stelt het bedrag…

Rechtbank Noord-Nederland, 11 mei 2023

Zaakgegevens

Op 11 mei 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
11 mei 2023
Datum publicatie
11 mei 2023
Zaaknummer
18-095747-21 ontneming
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:1894
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld wegens onder meer drugshandel en gewoontewitwassen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 76.354,00.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Groningen

parketnummer 18/095747-21

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 11 mei 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 18 november 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 76.354,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/095747-21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 april 2023, waarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. I. Kluiter, veroordeelde en zijn raadsman mr. J.P. Plasman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op € 76.354,00. Dit betreft het geldbedrag dat door veroordeelde is witgewassen met aftrek van de aanschafwaarde van de bij veroordeelde inbeslaggenomen heroïne en cocaïne.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de ontnemingsvordering geen verweer gevoerd.

Bewijsmiddelen

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:

  • de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 11 mei 2023 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;

  • het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 juli 2021.

Beoordeling

Bij vonnis van 11 mei 2023 in de strafzaak met parketnummer 18/095747-21 is veroordeelde onder meer veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en gewoontewitwassen.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde feiten.

In de hoofdzaak is bewezen verklaard dat veroordeelde gedurende ruim vijf jaar heeft gehandeld in heroïne en cocaïne. Ook is bewezen verklaard dat hij over dezelfde periode een bedrag van € 136.946,00 heeft witgewassen. Bij de berekening van dit bedrag zijn ook excessieve uitgaven meegenomen, namelijk de aanschaf van de heroïne en cocaïne die zijn aangetroffen in de woning van veroordeelde. Dit gaat tezamen om een waarde van

€ 60.592,44. Nu deze drugs in beslag zijn genomen en verbeurd zijn verklaard, zullen de kosten die veroordeelde hiervoor heeft gemaakt, afgetrokken worden van het wederrechtelijk voordeel.

Dit resulteert in de schatting van wat veroordeelde aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten op € 76.354,00 (€ 136.946,00 - € 60.592,00).

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 76.354,00.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 76.354,00 (zegge: zesenzeventigduizend driehonderd vierenvijftig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. J. Duiven, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 mei 2023.

Mr. H. van der Werff is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.