Strafrecht overig

Afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte is veroordeeld…

Rechtbank Noord-Nederland, 7 juli 2023

Zaakgegevens

Op 7 juli 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
7 juli 2023
Datum publicatie
4 juli 2023
Zaaknummer
18-322084-22 ontneming
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:2696
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van het in bezit hebben van een hoeveelheid hennep en hennepplanten. Nu, mede als gevolg van de wijze waarop de feiten aan veroordeelde en medeveroordeelde ten laste zijn gelegd, onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde uit de door medeveroordeelde gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen wordt de ontnemingsvordering afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Assen

parketnummer 18.322084.22

Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 07 juli 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 16 mei 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde hoofdelijk de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 354.074,80 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.149194.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ter terechtzitting van 23 juni 2023 heeft de officier van justitie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd in die zin dat de door [bedrijf] geleden schade, welk bedrag reeds door veroordeelde is vergoed, in mindering zal worden gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan veroordeelde hoofdelijk de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 334.457,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 juni 2023. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. N.B. Swart, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Standpunten

De officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door hem na een ter terechtzitting gedane wijziging wordt geschat op € 334.457,80. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het ‘Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’ d.d. 6 mei 2021.

De verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het te ontnemen bedrag aanzienlijk te matigen, omdat in het ‘Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’ d.d. 6 mei 2021 is uitgegaan van een onjuist aantal oogsten en hennepplanten. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht - mocht de rechtbank tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de officier van justitie komen - te bepalen dat geen vervangende hechtenis zal worden opgelegd.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 7 juli 2023 in de zaak met parketnummer

18.149194.21 veroordeeld ter zake het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. De vordering tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geen betrekking op dit handelen, maar op het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde zou hebben gehad uit de door haar partner (hierna: medeveroordeelde) geëxploiteerde hennepkwekerij.

De ontnemingsvordering is, gelet op het ‘Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’, gebaseerd op de verkoop van hennep uit eerdere oogsten door medeveroordeelde. De rechtbank overweegt dat medeveroordeelde is vrijgesproken van het op illegale wijze afnemen van stroom in de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 januari

2021. De rechtbank merkt op dat, zou de hennepkwekerij al vóór de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode in werking zijn geweest, daarvoor ook op illegale wijze stroom moet zijn afgenomen. Waarvan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken. Voornoemde vrijspraak strookt aldus niet met de mogelijkheid dat veroordeelde, samen met medeveroordeelde, wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij vóór de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode, te weten 1 maart 2021 tot en met 13 april 2021. Door het in de tenlastelegging ontbreken van het jaartal waarin het plegen van het strafbare feit moet zijn begonnen is de rechtbank uitgegaan van het jaar 2021. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel slechts aannemelijk geworden dat sprake is geweest van één eerdere oogst, waarvan de opbrengst in beslag is genomen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank ook op grond van de overige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten, kan veroordeelde om die reden, met inachtneming van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, niet worden veroordeeld tot betaling van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet hierop zal de rechtbank de ontnemingsvordering afwijzen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H. Supèr, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2023.

Mr. H. Supèr is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.