Strafrecht overig
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk teweeg…
Rechtbank Noord-Nederland, 8 juli 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:2678 · Rechtbank Noord-Nederland · 8 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2025-2678
Zaakgegevens
Op 8 juli 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 8 juli 2025
- Datum publicatie
- 8 juli 2025
- Zaaknummer
- 18.103873.24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2678
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing en het subsidiair ten laste gelegde uitlokken daarvan.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verdachte een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht heeft gehad aan de totstandkoming van de ontploffing noch is gebleken dat verdachte door gebruikmaking van enig uitlokkingsmiddel de uitvoerder van de ontploffing daartoe heeft aangezet.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het vervoer van de uitvoerder van de ontploffing heeft georganiseerd. Verdachte heeft aan de chauffeur het adres verstrekt waar de uitvoerder moest worden afgezet en haar opdracht gegeven een tussenstop te maken. Tijdens voornoemde tussenstop is door de uitvoerder van de ontploffing het explosief opgehaald. Ook heeft verdachte kort voor de ontploffing een chatgroep aangemaakt met daarin verdachte zelf, de chauffeur en de maker en verstrekker van het explosief en heeft verdachte de chauffeur geïnstrueerd om weg te rijden, nadat zij hem berichtte dat zij was staande gehouden door de politie. Verdachte heeft zowel vóór, tijdens en ná het teweegbrengen van de ontploffing met beide personen veelvuldig contact gehad. Daarnaast zijn er op de telefoon van verdachte berichten aangetroffen waarin de verdachte berichten heeft verstuurd die gaan over het veroorzaken van (andere) explosies en de organisatie en betaling daarvan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn en het verschaffen van inlichtingen als ook op het gronddelict, te weten het teweegbrengen van de ontploffing.
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens medeplichtigheid aan het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen voor goederen en levensgevaar te duchten was, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.103873.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 juli 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboorte datum] 2003 te [geboorte plaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juni 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Nelisse, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. von Bartheld.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te [plaats] , in de gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de [adres] ) door een brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan
-
gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en/of
-
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 14 maart 2024 te [plaats] , in de gemeente Coevorden, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de [adres] ) door een brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan
-
gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en/of
-
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was,
tot welk misdrijf, hij verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 13 maart 2024 tot en met 14 maart 2024, althans in (de maand maart) 2024, te Rotterdam en/of (elders) in Nederland, door giften, beloften of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk heeft uitgelokt, door:
-
voornoemde [medeverdachte] te benaderen om een explosie te plegen en/of
-
een geldbedrag, althans een beloning, te verstrekken, althans toe te zeggen aan voornoemde [medeverdachte] en/of
-
voornoemde fles met brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, te verstrekken aan voornoemde [medeverdachte] en/of
-
het adres te verstrekken waar voornoemde explosie zou moeten plaatsvinden en/of
-
vervoer te regelen voor voornoemde [medeverdachte] naar voornoemde woning te [plaats] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte] op of omstreeks 14 maart 2024 te [plaats] , in de gemeente Coevorden, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de [adres] ) door een brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan
-
gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en/of
-
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 13 maart 2024 tot en met 14 maart 2024, althans in de maand maart 2024, te Rotterdam en/of (elders) in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
-
voornoemde fles met brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, te verstrekken aan voornoemde [medeverdachte] en/of
-
het adres te verstrekken waar de explosie zou moeten plaatsvinden en/of
-
vervoer te regelen voor voornoemde [medeverdachte] naar voornoemde woning te [plaats] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het meer subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op de teweeg gebrachte ontploffing. Voorts heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat het bij een bewezenverklaring van medeplichtigheid moet gaan om door verdachte verschafte inlichtingen die de pleger van het misdrijf nog niet bekend waren. De omstandigheid dat verdachte een ander adres heeft verstrekt dan het adres waar de ontploffing heeft plaatsgevonden duidt er naar het oordeel van de raadsman op dat de dader van het gepleegde misdrijf het adres waar de ontploffing heeft moeten plaatsvinden van een ander dan verdachte heeft ontvangen. Tot slot moet naar het oordeel van de raadsman niet uit het oog worden verloren dat enkel het organiseren van een taxirit niet kan worden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan een misdrijf.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het strafdossier en hetgeen ter terechtzitting is behandeld gaat de rechtbank bij de beoordeling van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 14 maart 2024, omstreeks 03:00 uur, heeft er in de woning aan de [adres] te [plaats] een ontploffing plaatsgevonden. Door de kracht van de ontploffing en de ontstane brand in de woning is de betreffende woning ernstig beschadigd. De twee bewoners bevonden zich op het moment van de ontploffing in de slaapkamer op de benedenverdieping van de woning. Naar aanleiding van getuigenverklaringen, camerabeelden en de relatering van verbalisanten dat zij kort na de explosie nabij [plaats] een witte Seat hatchback stil hebben zien staan, is voornoemde witte Seat hatchback om 04:17 uur staande gehouden. In de auto zat als bestuurster [naam] (hierna: [naam] ). Kort na de ontploffing is in de directe omgeving ook uitgekeken naar andere betrokkenen en is [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) als uitvoerder van het teweegbrengen van de ontploffing aangehouden.
Na haar aanhouding heeft [naam] in haar verhoor op 14 maart 2024 verklaard dat zij op 13 maart 2024 om 23:00 uur door [verdachte] is gevraagd om een taxirit uit te voeren en diezelfde nacht een persoon van Rotterdam naar [plaats] te brengen. [naam] heeft voorts verklaard dat zij een tussenstop moest maken bij de [adres] te Rotterdam. Ook heeft [naam] verklaard dat [verdachte] gebruik maakte van het
snapchat-account [naam] en zij samen met [verdachte] en de gebruiker van het snapchat-account [naam] in een door [verdachte] aangemaakte groepschat met hen heeft gecommuniceerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die door (onder anderen) [naam] [verdachte] wordt genoemd.
Op camerabeelden die zijn gemaakt aan de [adres] te Rotterdam is te zien dat op 14 maart 2024 er een persoon uit een witte auto stapt, die persoon uit beeld loopt en vervolgens met een witte vierkante tas terug in beeld komt lopen. Op camerabeelden van winkelcentrum [adres] en de [adres] te Rotterdam is te zien dat [naam] (hierna: [naam] ) op 13 maart 2024 een witte tas bij zich draagt en op 14 maart 2024 onder het raam van de kamer van [naam] (aan de [adres] ) een witte tas op de grond staat die wordt opgepakt door een persoon die vervolgens in de richting van de [adres] loopt. In onderzoeken van de politie Haaglanden en politie Rotterdam is [naam] reeds aangemerkt als verdachte in verband met betrokkenheid bij het teweeg brengen van ontploffingen. Kort voor de ontploffing te [plaats] is op camerabeelden van de [adres] te [plaats] een persoon te zien met hetzelfde signalement en een soortgelijke witte vierkante tas als de persoon die op 14 maart 2024 de witte tas onder het raam van [naam] heeft opgepakt.
Uit onderzoek aan de onder [naam] in beslag genomen telefoon blijkt dat de gebruiker van die telefoon gebruik heeft gemaakt van het snapchat-account met accountnaam [naam] en de gebruiker van dit account op 13 en 14 maart 2024 veelvuldig contact heeft gehad met de gebruiker van snapchat-account [naam] . Ook zijn er in de telefoon die onder [naam] in beslag is genomen twee videos aangetroffen met betrekking tot de ontploffing aan de [adres] te [plaats] . Op één video is te horen dat de maker van de video, die door meerdere verbalisanten wordt herkend als de stem van [naam] , zegt: “Die andere window hé. Vloeistof naar binnen, dopje eraf” en op enig moment roept “ [verdachte] !”. Verder zijn in de telefoon die onder [naam] in beslag is genomen videos aangetroffen waarop is te zien hoe [naam] in zijn woning vuurwerkbommen maakt.
De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of de verdachte een zodanige rol heeft gehad bij de ontploffing dat zijn handelen juridisch kan worden gekwalificeerd als medeplegen, dan wel als uitlokking, dan wel als medeplichtigheid.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd als bij het plegen van het strafbare feit sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen, waarbij zij ieder een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Verdachte is benaderd om een snorder te regelen die een taxirit kon uitvoeren en - naar later is gebleken - [medeverdachte] van Rotterdam naar [plaats] kon
vervoeren. Verdachte heeft daarop [naam] gevraagd of zij voornoemde taxirit kon uitvoeren en heeft haar het adres verstrekt waar [medeverdachte] moest worden afgezet. Ook heeft verdachte zowel vóór, tijdens als ná het teweegbrengen van de ontploffing contact onderhouden met [naam] en haar onder meer geïnstrueerd om een tussenstop te maken aan de [adres] en snel weg te rijden, kort nadat zij was staande gehouden door de politie.
Hoewel de inhoud van het strafdossier aanwijzingen bevat voor een grotere betrokkenheid van verdachte is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat uit voornoemd handelen door verdachte niet kan worden vastgesteld dat verdachte een zodanige rol heeft gehad in het teweegbrengen van de ontploffing dat gesproken kan worden van een gezamenlijke uitvoering. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de inhoud van het strafdossier niet gebleken dat verdachte een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht heeft gehad aan de totstandkoming van de ontploffing te [plaats] . Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Van strafbare uitlokking is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor die ander zelf kan worden gestraft en waarbij de uitlokker in beginsel zelf niet meewerkt aan de uitvoering van het delict. Hierbij moet het opzet van de uitlokker gericht zijn op zowel het aanzetten van een ander om een delict te begaan als de bestanddelen van dat delict. Bovendien moet de uitlokker de ander hebben aangezet het delict te begaan, door gebruikmaking van een of meer van de in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht genoemde uitlokkingsmiddelen.
De rechtbank leidt uit de inhoud van het strafdossier af dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de ontploffing. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken dat verdachte de uitvoerder van de ontploffing heeft benaderd, hem een beloning in het vooruitzicht heeft gesteld noch dat hij hem het explosief heeft verstrekt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door gebruikmaking van enig uitlokkingsmiddel [medeverdachte] heeft aangezet tot het teweegbrengen van de ontploffing. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 24 juni 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik ben benaderd met de vraag of ik een taxirit kon regelen. Ik heb daarop op 13 maart 2024 aan [naam] gevraagd of zij een persoon van Rotterdam naar [plaats] kon brengen. Ik heb aan [naam] ook het adres doorgestuurd waar de persoon heen moest worden gebracht. Ik ben de persoon die door [naam] [verdachte] wordt genoemd. Ik ben ook de persoon die op 10 april 2024 door de deurbelcamera aan de [adres] te Rotterdam is gefilmd. Ik ken [naam] al langer en ben op 10 april 2024 in zijn woning geweest. Op 13 en 14 maart 2024 heb ik aan drie of vier chatgroepen op snapchat deelgenomen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 maart 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024067365 (onderzoeksnummer NN3R024022) d.d. 4 juli 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 14 maart 2024 was ik omstreeks 03:00 uur samen met mijn man in onze woning aan de [adres] te [plaats] . Ik hoorde een klein sissend geluidje, waarop direct een enorme knal te horen was. Ik zag dat er iets in de brand stond. We bevonden ons in de slaapkamer beneden, aan de achterzijde van onze woning. De ramen aan de zijkant van het huis lagen eruit en daar sloegen de vlammen al uit. Toen de brandweer kwam sloegen de vlammen inmiddels ook uit het dak.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2024, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 14 maart 2024, omstreeks 03.00 uur, kregen wij het verzoek om te gaan naar de [adres] te [plaats] . Aldaar zou een explosie zijn geweest bij een woning. Toen wij aanreden zagen wij een witte Seat hatchback auto voorzien van kenteken [kenteken] half in de berm stilstaan. Wij zagen dat in die auto op de bestuurdersstoel een vrouw zat en dat op de bijrijdersstoel een vrouw zat. Wij vroegen hun om een identiteitsbewijs. Zij legitimeerde zich als mevrouw [naam] en mevrouw [naam] (de rechtbank begrijpt: [naam]). Wij hoorden op dat moment de centralist van de meldkamer zeggen dat er vanaf de plaats van het misdrijf een persoon in het donker gekleed met een muts, of een bivakmuts weg liep in de richting van de [adres] . Wij reden vervolgens verder om op zoek te gaan naar de persoon die in het donker gekleed zou zijn en een muts zou dragen. Wij zagen achter een bloembak een man zitten. Wij zagen dat deze persoon aan het signalement van de verdachte voldeed. Wij hoorden de persoon zeggen dat hij uit Rotterdam kwam. Wij troffen in zijn jaszak een aansteker aan. Wij schatten in dat de afstand tussen de plaats van het misdrijf en de aanhouding van de verdachte circa 250 meter is. Wij hoorden de verdachte zeggen dat hij [medeverdachte] heet.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 maart 2024, opgenomen op pag. 921 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] :
V: Wat gaan wij in jouw telefoon zien?
A: Je gaat zien dat ik een jongen heb weggebracht. De persoon die mij benaderde en vroeg of ik hem weg wilde brengen ken ik wel. Op mijn snapchat kan je inloggen en kijk naar " [naam] .” Hij heeft ook een groepschat aangemaakt.
()
V: Wist je dat het om iemand anders ging?
A: Dat vroeg ik [verdachte] . Ik moest eerst naar [adres] . Hij zei aan de telefoon dat ik naar Zuid moest gaan. Daar heb ik die jongen bij [adres] opgehaald en ben toen naar de [adres] , [adres] gegaan.
()
V: Wat had hij bij zich?
A: Een tas. Een nette tas, wit, het leek op een Rituals tas. Die was het niet, maar het was zo'n kartonnen vierkante tas. Die tas had hij ineens toen hij om de hoek bij [adres] was geweest.
()V: Wie vertelde jou dat hij naar Drenthe moest?
A: [verdachte] .
V: Waar in Drenthe?
A: [verdachte] heeft mij een adres gegeven. Het was in [plaats] . [verdachte] heeft dat adres in de chat gezegd.
()
V: Wanneer werd je in die groepschat gezet?
A: Nadat ik door [verdachte] gevraagd werd, om het makkelijker te maken. Na 23.00 uur. [naam] , [naam] en ik zaten in de groepschat.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 maart 2024, opgenomen op pag. 949 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] :
V: Je had het ook over een groepsapp. Wat kun je daar over zeggen?
A: Dit was met [verdachte] en [naam] . Ze vroegen of ik naar Drenthe kon rijden. Ik typte dat ik wel kon. Ik heb toen ook gebeld met [naam] . Ik zat in deze groepsapp met [naam] en [verdachte] . De persoon die ik sprak was niet [verdachte] en dus moet het [naam] geweest zijn.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2024, opgenomen op pagina 572 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
De telefoon van verdachte [naam] is in beslag genomen. Ik heb de Iphone 11 onderzocht en het volgende zaak dienend bewijs gevonden.
Chats:
Chat met [naam] en de gebruiker van de telefoon via snapchat:
[naam] 14-3-2024 00:28:25 Witte seat
[naam] 14-3-2024 00:28:26 Ben er
[naam] 14-3-2024 00:52:36 stuur adje
rara wiebenik 14-3-2024 00:54:40 [adres] [plaats]
rara wie benik 14-3-2024 00:54:50 3
14-3-2024 02:57:21 Call Ended
2:39
14-3-2024 02:58:28 Call Ended
0:16
[naam] 14-3-2024 03:31:09 Politie is in die buurt daar ze zochten iets rara wiebenik 14-3-2024 03:31:20 Neeee serieus?
rara wiebenik 14-3-2024 03:31:36 Je bent al weg?
[naam] 14-3-2024 03:31:39 Jaa waren aangehouden maar ze moesten snl weg [naam] 14-3-2024 03:31:39 Jaa
rara wiebenik 14-3-2024 03:32:01 Je bent wel safe? [naam] 14-3-2024 03:32:08 Ja zws
rara wiebenik 14-3-2024 03:32:27 Kkkk man oké nee fuck it rij weg hoor
Op 13-03-2024 omstreeks 22.45 uur wordt er een snapchat aangemaakt met de volgende namen: Participants (3)
-
[naam]
-
[naam] *
- 5608 a5cc-9aca-4715-9b9a-05dff125d07b
De inhoud van de chat is gewist en de groep wordt op 13-03-2024 23.07 uur gesloten. De gebruiker van de telefoon heeft als accountnaam op Snapchat [naam] .
Op 13 maart 2024 om 22.16.57 is er een inkomend gesprek van accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 1 min en 22 sec.
Op 14 maart 2024 om 00.12.01 is er een uitgaand gesprek naar accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 0 min en 33 sec.
Op 14 maart 2024 om 00.22.10 is er een uitgaand gesprek naar accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 1 min en 7 sec.
Op 14 maart 2024 om 00:48.15 is er een uitgaand gesprek van accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 0 min en 37 sec.
Op 14 maart 2024 om 00.48.15 is er een uitgaand gesprek naar accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 0 min en 37 sec.
Op 14 maart 2024 om 02.54.42 is er een uitgaand gesprek naar accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 2 min en 39 sec.
Op 14 maart 2024 om 02.58.12 is er een uitgaand gesprek naar accountnaam [naam] Dit gesprek duurt 0 min en 16 sec.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2024, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Gedurende het onderzoek kwam de naam [naam] * meerdere keren naar voren, door mij werd onderzoek gedaan naar de identiteit van de persoon die gebruik maakte van deze naam.
De telefoon van verdachte [medeverdachte] werd onderzocht. Daaruit bleek dat er op 13 maart 2024 om 23:17:35 uur een chatgroep werd aangemaakt waarin [naam] , iemand die gebruik maak van het account 94899ca2-43c5-a743-75c133b123f3 en [naam] deelnamen. Op 14 maart 2024 om 01:55:34 uur werd er een gesprek gestart via Snapchat waarin werd gebeld via een videoverbinding met de gebruiker van het account: 94899ca2-43c5-a743-75c133b123f3. Het gesprek duurde 7 minuten en 3 seconden.
Door de Districtsrecherche Den Haag-West in onderzoek PORT_LOUIS werd het Snapchat account [naam] gekoppeld aan [naam] .
Op 16 april 2024 werden tijdens de doorzoeking in de woning van [naam] meerdere
gegevensdragers in beslag genomen, waaronder een iPhone 13. In de gebruikersgegevens van de telefoon was te zien dat de iPhone 13 vanaf begin september 2023 dag dagelijks werd gebruikt door ' [naam] . In het overzicht van de accountsgegevens welke waren ingelogd op het toestel was te zien dat [naam] , [naam] en [naam] werden gebruikt in drie verschillende accounts. Deze accounts behoren tot de applicatie Snapchat, Instagram en Whatsapp waaraan de verdachte zijn naam of telefoonnummer was gekoppeld.
Daarnaast waren er meerdere foto's van illegaal vuurwerk en provisorisch gefabriceerde explosieven gemaakt in de woning van [naam] . Er werd toestemming gegeven om de telecommunicatie van verdachte [naam] op te nemen in de periode van 5 april 2024 tot 20 juni 2024. Uit meerdere tapgesprekken bleek dat verdachte [naam] zichzelf [naam] en [naam] noemde ten tijde van het telefoongesprek.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2024, opgenomen op pagina 207 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij bekeken de beelden van de beveiligingscamera opgenomen in en bij het pand [adres] te Rotterdam.
Het betrof het beeldmateriaal van 13 maart 2024
van 08.00 uur tot en met 13 maart 2024 om 23.30 uur. Op de camerabeelden van de deurbel van 13 maart 2024 om 21.21.59 uur zien wij een persoon naar de voordeur van 34 te Rotterdam lopen. Wij zien dat deze persoon een grote witte tas met hengsels bij zich draagt. De persoon menen wij te herkennen als zijnde [naam] .
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2024, opgenomen op pagina 183 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Na het incident op 14 maart 2024 werd in de omgeving van de woning alwaar de ontploffing had plaatsgevonden [medeverdachte] als verdachte aangehouden. [medeverdachte] werd op 14 maart 2024 door [naam] opgepikt op de [adres] in Rotterdam en zij zijn daarna doorgereden naar de locatie [adres] / [adres] in Rotterdam.
Onderzoek camerabeelden [adres] en winkelcentrum [adres] Rotterdam:
Op camerabeelden is te zien dat op 14 maart 2024 een witte Seat Ibiza aan komt gereden vanuit de richting van de [adres] en vervolgens parkeert op de aldaar gelegen parkeerplaats. Te zien is dat er een manspersoon uitstapt die wegloopt in de richting
van de [adres] . Te zien is dat dezelfde manspersoon terug komt gelopen
met een witte vierkante tas. Deze man stapt met de witte vierkante tas rechtsachter in de witte Seat Ibiza. Op de camerabeelden van winkelcentrum [adres] is te zien dat op 14 maart 2024 een witte tas op straat ligt en dat deze wordt opgepakt door een manspersoon die daarmee terugloopt in de richting van de [adres] . Een soortgelijke witte vierkante tas is te zien op camerabeelden van de [adres] in [plaats] waarop een persoon is te zien met een soortgelijke witte vierkante tas die korte voor de explosie in de richting van de plaats delict loopt. Deze persoon komt qua signalement en kleding overeen met de persoon die op de camerabeelden [adres] / [adres] is te zien en met het signalement en kleding waarin verdachte [medeverdachte] kort na het incident werd aangehouden.
Onderzoek herkomst tas:
Zoals vermeld is op de camerabeelden van winkelcentrum [adres] te zien dat er opeens een witte vierkante tas op de grond ligt. De betreffende beveiligingscamera neemt alleen
beelden op bij bewegingsdetectie. Op basis van deze camerabeelden lijkt het dat de tas daar werd neergegooid omdat er geen personen te zien zijn die deze tas daar hebben neergelegd. Ook is er op de camerabeelden te zien dat er, kort na het in beeld komen van de tas, een brandende sigarettenpeuk van boven naar beneden op de straat wordt gegooid. Wij vernamen dat de kamer deel uitmaakte van de woning [adres] te Rotterdam. [naam] is woonachtig in de slaapkamer met het raam waaronder de witte vierkante tas werd opgehaald.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juni 2024, opgenomen op pagina 699 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
In de woning van [naam] werden diverse goederen in beslag genomen waaronder meerdere telefoons: iPhone 13, IMEI-nummer 358288944110658 / 358288944479814
In de gebruikersgegevens van de iPhone 13 is te zien dat vanaf 1-9-2023 dagelijks wordt gebruikt door een Snapchat account met accountnaam [naam] * en gebruikersnaam
[naam] . Ik heb vervolgens gezocht op [naam] . Ik zag dat het account [naam] op de Iphone 13 als snapchat-contact is opgeslagen met weergavenaam Werk. Ik vond op de iPhone 13 een Snapchat-account
genaamd [naam] , gebruikersnaam [naam] . Dit betreft een Snapchat [naam] sinds 22 februari 2024. Opvallend is dat er tijdens en rond de explosie in de [adres] te [plaats] van 13 op 14 maart 2024 veelvuldig contact plaatsvond. Zo is er via Snapchat ge(video)beld. Ook vond er een gesprek plaats op 13- 3-2024 22:52 waarbij naast [naam] tevens het Snapchat account [naam] deelnam. De gebruiker van het toestel, [naam] , gebruikte het Snapchat account [naam] *.
Videos
Er zijn videos aangetroffen met betrekking tot de explosie te [adres] te [plaats] . filtered-F62A75CA-41 B1-47D8-9D8A-E2CC6635B987
De duur van de video is 01:18. De gehele video wordt het scherm van een iPhone, vermoedelijk type SE, gefilmd. Op het scherm staat de applicatie Snapchat open en vindt er een videogesprek plaats. De filmer betreft vermoedelijk verdachte [naam] gezien de ruimte is te herleiden tot zijn verblijfplaats. De andere filmer, nader te noemen uitvoerder, filmt vanaf het plaats delict. Wat opvalt is dat [naam] zegt "vloeistof naar binnen, dopje eraf, wat erop duidt dat een explosief kennelijk binnenin de woning moet worden gegooid.
()
A: "vloeistof naar binnen, dopje eraf” A: Kijk die staan daar, soldaat man ()
A: Ja toch, die andere window hé. Vloeistof naar binnen, dopje eraf. Schakelen man bro. ()
00:54-00:56
A: [verdachte] ! U: Jo
A: Rijden dan nigga, fakka ()
01:04-01:06
U: hoor je me?
A: Ja ik hoor je
filtered-23A2B33F-0825-4438-B9AF-08219595B872 00:12
Op dit moment is te zien en horen dat de uitvoerder wegrent van de woning. Hierbij is een deel van de voet zichtbaar. Even hiervoor was gerinkel te horen, vermoedelijk werd een explosief gegooid.
Afbeeldingen
Onderstaande afbeeldingen zijn aangetroffen op de Iphone 13 en hebben betrekking op de explosies in [plaats] . Ook deze staan net als de videos in een forensisch pad welke is te herleiden naar de tijdelijke opslaglocatie (cache) van de applicatie Snapchat. Op de afbeelding is te zien dat er een foto is opgeslagen (13-3-2024) van ogenschijnlijk een explosief. Verder vertoont de afbeelding gelijkenissen met de verblijfplaats (kruk, vloer, meubelrand) en hand van verdachte [naam] .
Op bovenstaande afbeelding is te zien dat er een foto is opgeslagen (14-03-2024) van een scherm van ander toestel. Deze toont overeenkomsten met een iPhone SE. Op het scherm is
ogenschijnlijk de applicatie Snapchat geopend waarmee een afbeelding is gemaakt van weer het scherm van een ander toestel. Dit andere toestel heeft een notitie aangemaakt met onderstaande tekst:
[adres] (brandje) [adres]
[plaats]
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2024, opgenomen op pagina 732 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] :
FILMPJE filtered-F62A75CA-41 B1-47D8-9D8A-E2CC6635B987
Op 23 mei 2024 kregen wij een filmpje te zien Op het filmpje zagen wij de explosie aan de [adres] te [plaats] .
()
FILMPJE filtered-23A2B33F-0825-4438-B9AF-08219595B872
Daarnaast kregen wij een filmpje doorgestuurd, op dit filmpje was glasgerinkel te horen en was te zien dat een persoon wegrent. Op beide filmpjes hoorden wij een mannenstem die wij alle drie meteen herkenden als de stem van verdachte [naam] .
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2024, opgenomen op pagina 210 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Wij bekeken de beelden van de beveiligingscamera opgenomen in en bij het pand [adres] te Rotterdam. Op de camerabeelden van 10 april 2024 zien wij een persoon naar de voordeur van [adres] te Rotterdam lopen en binnengaan.
De bovengenoemde persoon menen wij op basis van screenshots en bevindingen in combinatie met zijn foto uit het politiesysteem BVI-IB te herkennen als zijnde [verdachte] . Vanuit een opgemaakt proces- verbaal van bevindingen kon blijken dat op 9 juni 2022, op de [adres] te Rotterdam, [naam] samen met [verdachte] sprak terwijl zij samen in een personenauto zaten. Op basis van deze registratie kan blijken dat [verdachte] , bijgenaamd [verdachte] en [naam] elkaar kennen.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2024, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 621 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 16 april 2024 werd aangehouden de verdachte [verdachte] ,
geboren op [geboorte datum] -2003 te Rotterdam. Bij zijn aanhouding in een woning aan de [adres] te Rotterdam werden mobiele telefoons in beslag genomen. Dit betreffen de volgende toestellen:
IBN-code Omschrijving
C.01.03.001 Telefoon Grijze Apple Iphone in doorzichtig hoesje op bed
C.03.01.001 Telefoon Zwarte Samsung in doorzichtig hoesje. Aangetroffen in het voertuig [kenteken] Telefoongegevens iPhone (C.01.03.001)
De volgende useraccounts werden aangetroffen op dit toestel.
Username Accountname Entries Medium [naam] User ID-Previous Username Snapchat [naam]
Instagram [naam] -Email [naam] Google Fit Chats op [naam]
Ik zag op het toestel een chatgesprek op de berichtendienst [naam] . Dit betreft een gesprek op 25-03- 2024 tussen:
-
Identifier + [telefoonnr:] Name: [naam] (owner)
-
Identifier: A76607B9-CEB7-49EB-ABF7-C86F57A2D6F4
Name: Onbekend Onbekend
In het gesprek wordt gesproken over of de bullys vervoer hebben, 10 adressen (onder andere in ' [naam] (Amsterdam)), dat er gefilmd moet worden en dat de orga' pas betaalt als ze alle 10 lukken.
Chats op Snapchat
Ik zag op het toestel een chatgesprek middels de berichtendienst Snapchat tussen de gebruikers:
-
Identifier: [naam] Name: [naam] (owner)
-
Identifier: untaxedkid Name: [naam]
Ik zag dat de naam, de geboortedatum en de geboorte- c.q. woonplaats van verdachte [verdachte] wordt doorgegeven in het chatgesprek.
/ [naam]
Ik zag op het toestel een chatgesprek middels de berichtendienst Snapchat. Dit betreft een gesprek op 13- 03-2024 tussen:
-
Identifier: [naam] Name: [naam] (owner)
-
Identifier: [naam]
Name: [naam]
Het Snapchat-account nonnstopO betreft het Snapchat-account van medeverdachte [naam] , geboren op [geboorte datum] -2000 te Rotterdam.
[naam]
Ik zag op het toestel een chatgesprek middels de berichtendienst Snapchat. Dit betreft een gesprek op 13- 03-2024 tussen:
-
Identifier: [naam] Name: [naam] (owner)
-
Identifier: [naam]
Name: [naam]
Het Snapchat-account [naam] betreft een van de Snapchat-accounts welke is aangetroffen op een toestel van medeverdachte [naam] , geboren op [geboorte datum] 1995 te Rotterdam. In dit Snapchat-gesprek is vooral veel gebeld. Maar er wordt door [naam] gezegd dat hij naar [naam] komt. Hier kan uit opgemaakt worden dat [verdachte] op 24 maart 2024 bij [naam] is geweest.
Zwarte Samsung uit voertuig - C.03.01.001
In een ander toestel wat onder [verdachte] in beslag genomen werd, de zwarte Samsung (C.03.01.001), werden een aantal opvallende zoekslagen aangetroffen. Namelijk naar een adres in Vlaardingen waarvan binnen de politiesystemen maar ook in de media, bekend is dat hier meerdere explosies zijn geweest, de [adres] in Vlaardingen. In een report is te zien dat er op het toestel voorafgaand bomaanslag is gezocht naar het adres [adres] . Naast de zoekopdrachten zijn er in de data van de telefoon ook 2 weergaven van
Google streetview te zien waarop de straat in Vlaardingen te zien is.
14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 9 juli 2024, proces- verbaal nummer PL0100-2024067051, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Melding: 14 maart 2024
Locatie: [adres] , [adres] [plaats] , gemeente Coevorden.
Omschrijving plaats delict
De brand had op twee bouwlagen gewoed. Op de begane grond werd brandschade aangetroffen in de woonkamer en op de bovenverdieping op één van de slaapkamers. Door de explosie was grote structurele schade ontstaan aan met name de voor- en linkergevel en het dak. Feitelijk waren gevels 'ontzet', dat wil zeggen naar buiten 'gedrukt' als het gevolg van drukwerking. De serre aan de achterzijde van het object was zwaar beschadigd waarbij diverse ruiten beschadigd waren geraakt. De schuifpui, inclusief kozijn, welke in de achtergevel van het woonhuis was gemonteerd, was door de drukgolf naar buiten 'geblazen' en bevond zich in de serre.
Gevaarzetting
Personen
Tijdens het incident waren er twee volwassen personen (senioren) aanwezig in het object. Zij sliepen in een slaapkamer aan de achterzijde (begane grond) van het object.
Conclusies
Ontstaansgeschiedenis en brandoorzaak
Gelet op het aangetroffen explosie-, brand- en schadebeeld, daarbij rekening houdend met
informatie met betrekking tot het brandbeeld evenals de opgedane expertise op het gebied van brandgedrag en -ontwikkeling en gelet op tactische informatie worden vastgesteld dat de brand was ontstaan in de woonkamer van het object. Daarnaast zijn binnen het ontstaansgebied delen van een flacon en label aangetroffen die een indicatie geeft richting een bepaalde flacon. Deze specifieke sporendragers zijn richtinggevend in relatie tot een brandbevorderend middel.
Brandverloop
Na het ontstaan van de brand in de voorzijde van de woonkamer volgde een snelle brandontwikkeling, mede onder invloed van een brandbevorderend middel dat geheel deelnam aan verbrandingsprocessen. De brand zelf ontwikkelde zich vanuit de woonkamer richting het plafond waardoor de brand zich naar boven (slaapkamer en dak) toe zich kon uitbreiden. Roethoudende rookgassen hadden zich in de woon-, eetkamer en keuken verspreid.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een strafbaar feit is vereist dat niet alleen kan worden bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.
Op grond van de door verdachte afgelegde verklaringen stelt de rechtbank allereerst vast dat verdachte opzet heeft gehad op het organiseren van vervoer van een persoon, te weten [medeverdachte] , naar [plaats] . Verdachte heeft daartoe [naam] benaderd om een taxirit uit te voeren en heeft aan haar het adres verstrekt waar [medeverdachte] - degene die het explosief heeft geplaatst en de ontploffing aan de [adres] te [plaats] teweeg heeft gebracht - moest worden afgezet. Zoals reeds overwogen ziet de rechtbank zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte ook opzet heeft gehad op het gronddelict, te weten het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het snapchat-account [naam] . Middels dit account heeft verdachte zowel vóór, tijdens als ná het teweegbrengen van de ontploffing veelvuldig contact onderhouden met [naam] . In dat contact heeft verdachte aan [naam] het adres verstrekt waar [medeverdachte] moest worden afgezet en haar opdracht gegeven een tussenstop te maken. Ook heeft verdachte die [naam] geïnstrueerd om weg te rijden, nadat zij hem berichtte dat zij was staande gehouden door de politie. Gelet op de inhoud van voornoemde berichten en de snelheid waarmee over en weer op elkaar wordt gereageerd, acht de rechtbank het onaannemelijk dat de door verdachte verstuurde berichten in opdracht van een ander zijn doorgestuurd, zoals hij verklaart. Uit de door [naam] afgelegde verklaring kan voorts worden afgeleid dat verdachte op 13 maart 2024 op snapchat een chatgroep heeft aangemaakt met daarin [naam] , de gebruiker van het account [naam] en verdachte zelf.
Uit de resultaten van het onderzoek in de telefoon van [naam] stelt de rechtbank vast dat die [naam] de gebruiker is geweest van het snapchat-accounts [naam] en [naam] . Ook kan op grond van voornoemde onderzoeksresultaten worden vastgesteld dat verdachte in de tijd rond de ontploffing in [plaats] middels snapchat veelvuldig contact heeft gehad met die [naam] . Verdachte heeft bovendien verklaard [naam] al langere tijd te kennen en ook op 10 april 2024 nog in de woning van die [naam] te zijn geweest. Uit onderzoek in de telefoon van [medeverdachte] kan voorts worden vastgesteld dat verdachte op 13 en 14 maart 2024 ook samen met die [medeverdachte] en [naam] op snapchat in een chatgroep heeft gezeten.
Verder is op camerabeelden te zien dat [naam] op 13 maart 2024 in de avond met een witte vierkante tas zijn woning aan de [adres] binnengaat en op 14 maart 2024 onder het raam van de kamer van [naam] een soortgelijke witte vierkante tas staat. Deze witte vierkante tas is kort daarna opgepakt door een persoon die vervolgens in een witte auto stapt. Op camerabeelden van de [adres] te [plaats] is vervolgens te zien dat [medeverdachte] op 14 maart 2024 in [plaats] een soortgelijke witte vierkante tas bij zich draagt. Voorts zijn in de telefoon van [naam] afbeeldingen aangetroffen van explosieven, welke afbeeldingen zijn gemaakt in de kamer waar [naam] woont. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [naam] de persoon is geweest die op 14 maart 2024 een witte tas, met daarin het explosief, aan [medeverdachte] heeft verstrekt.
Op de onder [naam] in beslag genomen telefoon is een video aangetroffen waarop een videogesprek met [medeverdachte] plaatsvindt. [medeverdachte] filmt in dit videogesprek vanaf de plaats delict te [plaats] . Door een drietal verbalisanten is op de video de stem van [naam] herkend. De rechtbank stelt vast dat op de video is te horen hoe [naam] in het videogesprek aan [medeverdachte] aanwijzingen geeft die zien op het teweegbrengen van de ontploffing. Voorts stelt de rechtbank vast dat [naam] in voornoemde video op enig moment [verdachte] aanroept. De rechtbank acht het onder de gegeven omstandigheden onaannemelijk dat [naam] daarmee een andere persoon heeft bedoeld dan verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat [naam] , tijdens het videogesprek dat die [naam] ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing met [medeverdachte] heeft, op datzelfde moment ook in contact heeft gestaan met verdachte.
Hoewel er - gelet op de wijze waarop verdachte zowel vóór, tijdens als ná de ontploffing contact onderhoudt met zowel [naam] als [naam] - naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten zijn om te stellen dat het handelen van verdachte en diens betrokkenheid bij de ontploffing als medeplegen kan worden gekwalificeerd, is de rechtbank toch tot het oordeel gekomen dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen nu kan worden vastgesteld dat [naam] de persoon is geweest die aan [medeverdachte] zowel het explosief heeft verstrekt als ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing aan die [medeverdachte] aanwijzingen en instructies heeft gegeven, en de directe betrokkenheid van verdachte bij deze handelingen niet kan worden vastgesteld.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het echter onaannemelijk dat verdachte slechts een tussenpersoon is geweest en dat hij niet heeft geweten dat er in [plaats] een ontploffing teweeg zou worden gebracht. Daar komt bij dat de stelling dat verdachte slechts een tussenpersoon is geweest -in die zin dat verdachte enkel berichten tussen zijn opdrachtgevers en derden zou hebben doorgegeven aan [naam] - niet te rijmen is met het feit dat [naam] op enig moment rechtstreeks contact heeft gehad met [naam] en ook [medeverdachte] tijdens het teweegbrengen van de ontploffing middels snapchat rechtstreeks contact heeft met [naam] . Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op een verdergaand samenwerkingsverband tussen deze betrokkenen.
Uit de aanwijzingen en instructies die [naam] in voornoemd videogesprek geeft aan [medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat het adres aan de [adres] te [plaats] op dat moment bij [medeverdachte] bekend was. Uit openbare bronnen volgt dat het door verdachte verstrekte adres, te weten de [adres] te [plaats] , op slechts 100 meter afstand ligt van de [adres] te [plaats] . Dat [medeverdachte] niet moest worden afgezet op het adres waar ook de ontploffing teweeg moest worden gebracht acht de rechtbank niet meer dan logisch. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het verweer van de raadsman, inhoudende dat [medeverdachte] het adres waar de ontploffing moest plaatsvinden van een ander dan verdachte heeft ontvangen en om die reden niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op de teweeg gebrachte ontploffing, dan ook niet.
De rechtbank overweegt in dat verband voorts dat verdachte ook als gebruiker kan worden gekoppeld aan het [naam] -account [naam] en het snapchat-account [naam] . Voornoemde accounts zijn als useraccounts aangetroffen in een telefoon die op het moment van binnentreden in de woning van verdachte op diens bed lag. Daarnaast is in diezelfde telefoon het e-mailadres van verdachte gekoppeld aan een Google Fit-account en wordt in een chatgesprek door de gebruiker van het toestel de naam, geboortedatum en geboorte- c.q. woonplaats van verdachte doorgegeven. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden ongeloofwaardig dat voornoemde telefoon niet aan verdacht heeft toebehoord.
De gebruiker van de accounts [naam] en [naam] - van wie de rechtbank op grond van het voorgaande vaststelt dat dit verdachte is geweest - bericht omstreeks dezelfde periode als waarin onderhavige ontploffing heeft plaatsgevonden in een chat over het vervoeren van bullys naar diverse adressen. Ook wordt er door de gebruiker van het toestel genoemd dat er gefilmd moet worden en de orga pas betaald (sic) als alle 10 lukken. Gelet op de inhoud van deze berichten en de context waarin deze zijn verstuurd stelt de rechtbank vast dat voornoemde berichten gaan over het veroorzaken van (andere) explosies en de organisatie en betaling daarvan. Voorts is op een andere onder verdachte in beslag genomen telefoon meermalen gezocht naar een adres te Vlaardingen waar eveneens ontploffingen hebben plaatsgevonden. Ook op basis van deze onderzoeksbevindingen acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte geen weet heeft gehad van wat er zich in [plaats] zou gaan afspelen en hij enkel een illegale taxirit heeft geregeld.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte op de hoogte is geweest van het plan om in een woning in [plaats] een ontploffing teweeg te brengen en ten behoeve daarvan handelingen heeft verricht die dat hebben gefaciliteerd. Anders dan de raadsman en met de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn en het verschaffen van inlichtingen als ook op het gronddelict, te weten het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Gevaarzetting bij de explosie
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of er door de ontploffing en de daaropvolgende brand, naast gemeen voor goederen, ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht. Voor de beantwoording van deze vraag is het van belang of het uit de gedraging voortvloeiende levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel op het moment van het verrichten van die gedraging naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in het bijzonder het proces-verbaal van
brandonderzoek - volgt dat de ontploffing in de woning dusdanig krachtig is geweest dat de gevels van de betreffende woning zijn ontzet en de schuifpui in de achtergevel door drukgolf naar buiten is geblazen. Op het moment van de ontploffing bevonden de twee bewoners zich op de benedenverdieping in de slaapkamer aan de achterzijde van de woning. De brand die als gevolg van de ontploffing in de woonkamer van de betreffende woning is ontstaan heeft zich, mede onder invloed van een brandbevorderend middel, voorts snel ontwikkeld naar de bovengelegen vertrekken van de woning.
Daarbij hebben roethoudende rookgassen zich ook verspreid naar de achtergelegen vertrekken, alwaar de bewoners van de woning lagen te slapen.
De combinatie van de kracht van de ontploffing - die is af te leiden uit de ontstane schade -, de ontstane brand, het tijdstip waarop de ontploffing heeft plaatsgevonden en de aanwezigheid van de twee bewoners in de woning, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat levensgevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door het teweegbrengen van de ontploffing en de daaropvolgende brand zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar te duchten was.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
[medeverdachte] op 14 maart 2024 te [plaats] , in de gemeente Coevorden, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de [adres] ) door een brandbare (vloei)stof en (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning
en
- levensgevaar voor anderen, te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was,
bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 13 maart 2024 tot en met 14 maart 2024, te Rotterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en inlichtingen heeft verschaft, door:
-
het adres te verstrekken waar de explosie zou moeten plaatsvinden en
-
vervoer te regelen voor voornoemde [medeverdachte] naar voornoemde woning te [plaats] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplichtigheid in vereniging aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleitte integrale vrijspraak heeft de raadsman geen standpunt ingenomen ten aanzien van een eventueel aan verdachte op te leggen straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 2 juli 2024, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, te weten medeplichtigheid aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een woning. De slachtoffers - bewoners van de betreffende woning - waren op leeftijd en hebben midden in de nacht de woning moeten ontvluchten. Eén van hen is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht, omdat hij mogelijk in shock verkeerde. Gelet op de kracht van de ontploffing en de daarop volgende brand mag van geluk worden gesproken dat er bij de slachtoffers geen ander letsel is ontstaan. Ook de materiële schade als gevolg van de ontploffing is groot. De muren van de woning van de slachtoffers zijn deels ontzet en de woning is gedeeltelijk afgebrand. Omdat de woning niet langer bewoonbaar was moest deze deels herbouwd worden, waardoor de slachtoffers werden gedwongen tijdelijk elders te verblijven. Ook zijn veel (dierbare) bezittingen van de slachtoffers verloren gegaan. De ontploffing heeft daarnaast een grote impact gehad op de bewoners, zo blijkt ook uit de onderbouwing bij de vorderingen benadeelde partij en de bij monde van hun raadsvrouw ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring.
Hoewel verdachte niet betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoering van het teweegbrengen van de ontploffing, is hij hierbij wel behulpzaam geweest. De rechtbank rekent verdachte de gevolgen die de teweeg gebrachte ontploffing heeft gehad dan ook aan. Te meer nu verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen, geen openheid van zaken heeft willen geven en de bewoners achterlaat met de vraag waarom juist zij slachtoffer zijn geworden van deze ontploffing. De slachtoffers leven nog altijd in angst en zullen de gevolgen van deze traumatische ervaring nog lang met zich mee moeten dragen. Bovendien zorgen dergelijke strafbare feiten voor gevoelens van angst en onveiligheid bij buurtbewoners en de maatschappij in het algemeen, nu dergelijke ontploffingen steeds vaker voorkomen en dikwijls worden ingezet om conflicten in het criminele milieu te beslechten. Door het handelen van verdachte heeft hij er geen blijk van gegeven zich te bekommeren om andermans veiligheid, leven en eigendom en bijgedragen aan het creëren van die angstgevoelens en het aantasten van de veiligheid.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 2 juli 2024 volgt dat de reclassering bij verdachte een delictpatroon aangaande delicten met een geweldscomponent signaleert. Waar de reclassering schrijft dat verdachte ten tijde van het opmaken van het rapport samenwoont met zijn vriendin en dochter en een structurele dagbesteding heeft in de vorm van betaald werk, heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij thans geen relatie, geen vaste woon- of verblijfplaats en geen dagbesteding of betaald werk meer heeft. De reclassering schrijft voorts dat verdachte in het verleden niet heeft willen meewerken aan behandeling bij De Waag en derhalve onvoldoende informatie heeft over het psychosociaal functioneren van verdachte. De reclassering concludeert dat verdachte slechts ontvankelijk is voor interventies indien hij daar zelf meerwaarde in ziet. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen adviseert zij oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen
contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.
In overleg met de Raad voor de Kinderbescherming adviseert de reclassering voorts het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet zowel op het gebied van handelingsvaardigheden als op het gebied van pedagogische mogelijkheden geen indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank neemt het wegingskader adolescentenstrafrecht in aanmerking en volgt de conclusies van de reclassering. Het beeld dat de rechtbank van de verdachte heeft gekregen ter zitting geeft geen aanleiding om tot een andersluidende conclusie te komen. De rechtbank zal derhalve het volwassenstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de impact van een ontploffing als de onderhavige voor de slachtoffers en de maatschappij, geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, dan ook passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslag
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een taser, zal worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen en onder verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten een taser, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit een voorwerp is waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet.
Gelet op het voorgaande beveelt de rechtbank de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een taser.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
-
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 157,37 ter zake van materiële schade en 25.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
-
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 157,37 ter zake van materiële schade en 25.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en (deels) hoofdelijk voor toewijzing vatbaar zijn. De officier van justitie heeft voor wat betreft de hoogte van de toe te wijzen bedragen geen standpunt ingenomen en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Indien en voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen heeft de officier van justitie gevorderd tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleitte integrale vrijspraak heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partijen zowel op 13 maart 2024 als op 14 maart 2024 slachtoffer zijn geweest van een ontploffing en onvoldoende kan worden vastgesteld in welke mate de ontploffing op 14 maart 2024 heeft bijgedragen aan het psychisch leed en de geleden schade. Omdat schorsing van het onderzoek, teneinde de benadeelde partijen de hoogte van de geleden schade en het aandeel daarin van verdachte alsnog te laten aantonen, naar het oordeel van de raadsman zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding heeft de raadsman bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen ook om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat er door de (gemachtigde van de) benadeelde partijen geen vergelijkbare zaken zijn aangevoerd waaruit kan blijken dat in soortgelijke gevallen dergelijke bedragen aan schadevergoeding wordt toegekend.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. Nu de gevorderde materiële schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd en niet gemotiveerd door de verdediging betwist, zal de rechtbank beide vorderingen - voor zover deze zien op geleden materiële schade - toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank overweegt dat van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid onder b, van het Burgerlijk Wetboek in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In zon geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank acht de aard en ernst van de normschending in het onderhavige geval zodanig ernstig dat van een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden gesproken. De benadeelde partijen zijn in de nacht opgeschrikt door een ontploffing in hun woning, als gevolg waarvan brand is ontstaan en zij hun woning hebben moeten ontvluchten. De woning van de benadeelde partijen is lange tijd onbewoonbaar geweest en veel dierbare bezittingen zijn verloren gegaan. Uit de toelichting op de vorderingen, de schriftelijke slachtofferverklaring en de medische informatie blijkt welke impact de ontploffing op hen heeft gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte door zijn handelen een dusdanige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partijen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij de schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal vaststellen op 7.500,00 per benadeelde partij.
De vorderingen van de benadeelde partijen zullen elk dan ook worden toegewezen tot een totaalbedrag van 7.657, 37 per benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 48, 49 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair ten lasten gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Beslag
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven goed, te weten een taser (goednummer: PL0100-2024067051-1710473).
Vorderingen van de benadeelde partijen
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
-
het bedrag van 7.657,37 (zegge: zevenduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenendertig eurocent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.657,37 (zegge: zevenduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 157,37 aan materiële schade en 7.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 73 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
-
het bedrag van 7.657,37 (zegge: zevenduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenendertig eurocent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.657,37 (zegge: zevenduizend zeshonderdzevenenvijftig euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 157,37 aan materiële schade en 7.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 73 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Venema-Dietvorst, voorzitter, mr. R. Baluah en
mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2025.
Mr. C. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.