Strafrecht overig

Vrijspraak voor brandstichting. De rechtbank stelt dat het forensisch onderzoek geen duidelijke conclusie…

Rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
18-000112-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4494
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak voor brandstichting. De rechtbank stelt dat het forensisch onderzoek geen duidelijke conclusie bevat over hoe de brand precies is ontstaan. Er is daarnaast geen enkel rechtstreeks bewijs aanwezig voor betrokkenheid van verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-000112-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. van Slooten.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 december 2025 en/of 1 januari 2026 te [plaats] , gemeente Pekela, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door middel van vuurwerk, althans een brandbare stof, in aanraking te brengen met (de inhoud) van een restafvalbak/ container en/of vervolgens deze (brandende) restafvalbak/ container tegen de achtergevel van de woning gelegen aan de [adres 2] , te plaatsen, althans in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking gebracht en/of laten komen met (de inhoud van) een restafvalbak/ container, ten gevolge waarvan één of meerdere woningen aan de [straatnaam] (onder meer huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

  • gemeen gevaar voor goederen, te weten één of meerdere woningen aan de [straatnaam] (onder meer huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) in [plaats] en/of goederen in en/of bij voornoemde huizen, en/of

  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van één of meerdere woningen aan de [straatnaam] (onder meer huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) in [plaats] te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 december 2025 te [plaats] , gemeente Pekela, althans in Nederland, zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend vuurwerk, althans een brandbare stof, in aanraking heeft gebracht met de (inhoud) van een restafvalbak / container en/of vervolgens deze (brandende) restafvalbak / container tegen de achtergevel van de woning gelegen aan de [adres 2] te plaatsen, althans in elk geval open vuur in aanraking heeft gebracht en/of laten komen met (de inhoud van) een restafvalbak / container, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor één of meer goederen is ontstaan, te weten één of meerdere woningen aan de [straatnaam] (onder meer huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] ,

[nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van één of meer woningen aan de [straatnaam] (onder meer huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ) in [plaats] ontstond.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde tot het opleggen van een werkstraf in de vorm van een leerstraf, te weten So-Cool verlengd voor de duur van 50 uren. Voorts heeft de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren gevorderd. Aan het voorwaardelijke deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 18 september 2026.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat volgens de forensische opsporing de brand is ontstaan in de vuilcontainer rond 02:02 uur. De politie arriveerde rond 02:15 uur. Het staat vast dat verdachte tussen 01:02 uur en 01:38 uur bij de vuurton was in de buurt van zijn woning. Het is onbekend waar hij daarna was. De moeder van verdachte stuurt hem nog een berichtje om 01:47 uur om te vragen waar hij was. Zij zag haar zoon op dat moment niet bij de vuurton staan. De buurtbewoners kregen op een gegeven moment meldingen op hun telefoon dat er een brand woedde aan de [straatnaam] en zijn daar samen heen gelopen. Op het moment dat ze naar de brand toeliepen, was verdachte daar niet bij. Zo verklaren

getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] dat [verdachte] reeds bij de brand stond toen zij kwamen aanlopen.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte hem had verteld dat hij de

restafvalbak had aangestoken en daarbij naar de ouderenwoningen had gewezen. Daarop is getuige [getuige 4] naar de politie gestapt om dit te vertellen. Ook getuige [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij vuurwerk in een container heeft gegooid. De politie confronteerde verdachte vervolgens met de uitspraken van [getuige 4] waarop verdachte reageerde dat ze dat niet konden bewijzen. Vervolgens is er consternatie ontstaan rondom verdachte en is gezien dat [getuige 2] hem vastpakte. De bevelvoerder van de brandweer deelde aan de politie mede dat uit hun eerste bevindingen was gebleken dat de brand was ontstaan doordat een brandende container tegen de achtergevel van de woning was geplaatst, waardoor de woning vlam vatte. Gelet op het feit dat de oorzaak van de brand overeenkwam met hetgeen verdachte tegen getuige [getuige 4] zou hebben verklaard, is verdachte aangemerkt als verdachte.

Op grond van de getuigenverklaringen, in samenhang met het onderzoek van de forensische opsporing, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten was, zoals primair ten laste gelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van hetgeen hem wordt ten laste gelegd, nu er zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden om tot een bewezenverklaring te komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht al hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank neemt op grond van het procesdossier en het behandelde ter terechtzitting als vaststaand aan dat er in de nacht van 31 december 2025 op 1 januari 2026 een brand heeft gewoed in de seniorenwoningen aan de [straatnaam] [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] te [plaats] . De politie heeft, met hulp van buurtbewoners, de bewoners van de woningen geëvacueerd.

Drie woningen moeten geheel worden gesloopt en opnieuw worden gebouwd.

Verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend dat hij de brand heeft veroorzaakt. De rechtbank moet beoordelen of er desondanks voldoende bewijs in het dossier aanwezig is voor zijn betrokkenheid bij de brand.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het rapport over het forensisch onderzoek geen duidelijke conclusie bevat over hoe de brand precies is ontstaan. Door de forensische opsporing is vastgesteld dat het zeer waarschijnlijk is dat de brand op, in of nabij de containers bij de achtergevel is begonnen en dat het, gelet op het brandbeeld en het ontbreken van ontstekingsbronnen, aannemelijk is dat er vuur ter plaatse, bij, in of op de containers werd gebracht, dan wel is achtergelaten. De rechtbank kan hierdoor niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het ontstaan van de brand is geweest

Er is daarnaast in het dossier geen enkel rechtstreeks bewijs aanwezig voor betrokkenheid van verdachte bij het ontstaan van de brand. Er zijn geen getuigen die het ontstaan van de brand hebben gezien of die verdachte in de buurt van de betreffende containers hebben gezien. Het enige concrete bewijs dat er is, betreft verklaringen van horen zeggen. Het gaat daarbij om getuigen die verklaren dat zij verdachte hebben horen zeggen dat hij een container in brand heeft gestoken dan wel vuurwerk in een container heeft gegooid. De rechtbank acht deze getuigenverklaringen, waarvan verdachte dus beweerdelijk de enige bron is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Ander concreet bewijs ontbreekt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van zowel opzettelijke als culpoze brandstichting.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [benadeelde 1] , tot een bedrag van 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

  2. [benadeelde 2] , tot een bedrag van 1.000,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] volledig toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [benadeelde 2] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege het ontbreken van een onderbouwing.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft zij zich gerefereerd ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] . Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] heeft zij het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van een onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Verklaart de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partijen hun eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. drs. J.V. Nolta en

mr. M.B.W. Venema, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door J. Kunst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2026.

mr. drs. J.V. Nolta en mr. M.B.W. Venema zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.