Socialezekerheidsrecht
Hersteloperatie toeslagenaffaire. Weigering overname geldschuld. De minister moet zich dienstbaar opstellen…
Rechtbank Oost-Brabant, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7424 · Rechtbank Oost-Brabant · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7424
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/548
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7424
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Hersteloperatie toeslagenaffaire. Weigering overname geldschuld. De minister moet zich dienstbaar opstellen. De minister had navraag bij de schuldeisers moeten doen.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/548
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres]
, uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),
en
de minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: mr. V.N. Giang).
Samenvatting
Deze uitspraak van de rechtbank gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de minister van de aanvraag van eiseres om geldschulden over te nemen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres niet voldoende zorgvuldig heeft behandeld. De minister is er ten onrechte van uit gegaan dat het om een aanvraag voor al afgeloste schulden gaat en de minister heeft daardoor geen informatieverzoek verstuurd naar de betreffende schuldeisers. De rechtbank doet een tussenuitspraak en draagt de minister op nader onderzoek te doen naar de aanvraag van eiseres.
Procesverloop
1. Met het besluit van 29 augustus 2025 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de minister de aanvraag van eiseres om overname van twee geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
1.1. Met het besluit van 15 januari 2026 heeft de minister het door eiseres tegen het besluit van 29 augustus 2025 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Daarmee is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 januari 2026 (het bestreden besluit).
1.3. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De minister heeft een nader stuk ingediend.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Op 27 september 2023 heeft zij in verband daarmee het forfaitaire bedrag van € 30.000,00 ontvangen (de Catshuisregeling).
3. Eiseres heeft in april 2025 een aanvraag ingediend om overname van geldschulden. In de e-mail van 14 april 2025 wijst eiseres erop dat zij nog twee schulden heeft, één bij Vodafone en één bij kinderopvang [naam 1] (ook bekend als [naam 2]; de rechtbank zal dit hierna steeds aanduiden met [naam 2]). Van de schuld bij Vodafone noemt eiseres een referentienummer ([nummer 1]) maar geen bedrag, en van de schuld bij [naam 2] heeft eiseres een aanmaning en een factuur overgelegd (de aanmaning correspondeert met de factuur met factuurnummer [nummer 2]) en stelt ze zelf dat het om een schuld van € 500,- gaat.
4. Op 7 juli 2025 heeft SBN bij eiseres per e-mail verzocht om informatie over de schulden en over de betaling van die schulden.
5. Met het besluit van 29 augustus 2025 heeft SBN de aanvraag van eiseres afgewezen. Wat betreft de beide schulden heeft SBN in het besluit “code 13” vermeld. Gelet op de bijlage bij het besluit betekent dit dat de schulden niet worden terugbetaald omdat de schuld niet goed kan worden beoordeeld. Er is om extra bewijs gevraagd, maar dat bewijs is niet op tijd of niet compleet aangeleverd.
6. De minister heeft in de bezwaarfase bij brief van 15 oktober 2025 – verstuurd per e-mail – de gemachtigde van eiseres een hersteltermijn geboden om aanvullende informatie aan te leveren over de twee schulden. De gemachtigde van eiseres heeft per e-mail op 24 november 2025 een aantal stukken aangeleverd, te weten een uitdraai van SBN omtrent een schuld bij Vodafone en de hiervoor genoemde aanmaning van de schuld bij [naam 2].
Het bestreden besluit
7. Verkort weergegeven is dit besluit als volgt gemotiveerd. De Wht stelt enkele voorwaarden voor al afbetaalde schulden om gecompenseerd te kunnen worden. De schulden moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schulden waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en de schulden moeten zijn voldaan na ontvangst van het bedrag uit de Catshuisregeling of Integrale Beoordeling. Verder wijst de minister erop dat de regeling van schuldovername niet bedoeld is om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen of te compenseren voor alle gedane betalingen. Wat betreft de schulden bij Vodafone en [naam 2] geeft de minister aan dat eiseres op 7 juli 2025 per e-mail een termijn is geboden om ontbrekende informatie aan te leveren, wat niet is gebeurd. Daarom beschikte SBN over onvoldoende informatie om de schulden te kunnen beoordelen. In de fase van bezwaar is nogmaals om de ontbrekende informatie gevraagd. De minister heeft van iedere schuld tenminste een schuldbewijs en een betaalbewijs nodig, zoals een bankafschrift, om te kunnen beoordelen of de schuld voldoet aan de wettelijke eisen. Ten aanzien van de schuld bij Vodafone is er geen schuldbewijs verstrekt, waardoor niet beoordeeld kan worden wanneer de schuld is ontstaan en ook niet of deze opeisbaar was voor 1 juni 2021. Daarnaast ontbreekt een betaalbewijs, zodat de minister niet kan beoordelen of de schuld is betaald na ontvangst van het compensatiebedrag. Ook over de schuld bij [naam 2] is geen betaalbewijs verstrekt. De minister legt verder uit dat in de besluitvorming de twee schulden zijn vermeld met een hoogte van € 1,-, als gevolg van de omstandigheid dat er geen onderbouwd schuldbedrag is aangeleverd. De minister vindt tenslotte dat een ruimhartige toepassing en de menselijke maat niet betekenen dat de vereisten van het bestaan en de opeisbaarheid van een schuld niet meer gelden.
Standpunt eiseres
8. Eiseres vindt het onterecht dat de schulden bij Vodafone en [naam 2] niet worden overgenomen. Op dat wat zij heeft aangevoerd zal de rechtbank hierna ingaan.
Beoordeling rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de argumenten – de beroepsgronden – die eiseres heeft aangevoerd.
Juridisch kader
10. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor schuldovername- en compensatie. Artikel 4.1 gaat over het overnemen van schulden die nog niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag is voldaan, en bevat de algemene voorwaarden voor schuldovername, zoals het vereiste dat de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005 en het vereiste dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste schulden. Kort gezegd wordt op grond van deze bepaling een afgeloste schuld overgenomen die op grond van artikel 4.1 van de Wht voor overname in aanmerking zou komen als deze niet was voldaan.
11. Het gaat in deze procedure om een aanvraag van een voor de betrokkene begunstigend besluit. In die situatie ligt het in de eerste plaats op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan. Deze regel van bewijslastverdeling volgt ook uit artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ligt vervolgens op weg van het bestuursorgaan om voldoende zorgvuldig onderzoek te verrichten naar (de inwilligbaarheid van de) aanvraag en – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – in dat kader zo nodig aanvullende gegevens op te vragen bij de aanvrager dan wel bij derden, en deze gegevens te onderzoeken.
Bespreking beroepsgronden
Communicatie per e-mail
12. Eiseres voert allereerst aan dat zij niet heeft medegedeeld dat de digitale weg openstaat voor communicatie met de minister. Daarom heeft zij ook geen acht hoeven slaan op de communicatie per e-mail. Dit geldt te meer omdat zij niet kan weten wie de afzender van het bericht is en of het veilig is om dit bericht te openen. Ook gemachtigde heeft geen e-mail ontvangen. Eiseres vindt om deze reden dat het besluit (de rechtbank begrijpt: het bestreden besluit) onzorgvuldig tot stand is gekomen.
13. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat eiseres zich beroept op artikel 2:8, eerste lid, van de Awb. Op grond van die bepaling kan een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, slechts elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
14. De rechtbank vindt niet dat de minister in strijd met deze wetsbepaling heeft gehandeld door met eiseres via de e-mail te communiceren over de aanvraag. Uit de wetsgeschiedenis valt namelijk af te leiden dat bedoeld is om de geldende rechtspraak over ‘een bestendige e-mailpraktijk’ (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:162, onder 5.3) in het kader van deze bepaling te handhaven (zie Kamerstukken II 2028-2019, 35 261, nr. 3, onder 3.2.1). Die rechtspraak komt erop neer dat in geval van regelmatig mailverkeer tussen een belanghebbende en het bestuursorgaan ervan mag worden uitgegaan dat die persoon via e-mail voldoende bereikbaar is. Het dossier laat zien dat eiseres zelf ook via het mailadres [mailadres] heeft gecommuniceerd met SBN. Tijdens de zitting heeft eiseres ook onvoldoende concreet betwist dat dit niet het geval is, en ook niet gesteld dat de e-mail van 14 april 2025 slechts een eenmalige uitzondering was. Ook als eiseres de e-mailberichten van 7 juli 2025 niet zou hebben ontvangen, dan laat dit onverlet dat gemachtigde van eiseres op de zitting heeft aangegeven dat hij de e-mail van 15 oktober 2025 heeft ontvangen en daar ook op heeft gereageerd. De rechtbank ziet al met al geen grond om in dit verband een zorgvuldigheidsgebrek aan te nemen. Het betoog slaagt niet.
Navraag doen bij de schuldeisers
15. Eiseres voert verder aan dat het enkele feit dat eiseres niet meer heeft kunnen aandragen over de schulden dan zij heeft gedaan, de minister niet ontslaat van de verplichting om bij de schuldeisers nadere informatie op te vragen. Dit doet de minister in vergelijkbare zaken immers ook. Op deze wijze had de minister alle gegevens kunnen ontvangen die noodzakelijk zijn om de betreffende schulden over te nemen of te vergoeden. Dit maakt dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
16. Tijdens de zitting heeft de rechtbank eiseres de vraag voorgelegd of haar vermoeden klopt dat het in het kader van de schulden bij Vodafone en [naam 2] gaat om nog openstaande schulden zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wht, en dus niet om al afgeloste schulden zoals bedoeld in artikel 4.3 van de Wht. Eiseres heeft hierop aangegeven dat dit inderdaad zo is. Op basis van het voorliggende dossier was er naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding voor SBN om de aanvraag op te vatten als zijnde een aanvraag om compensatie voor al afgeloste schulden. Dit blijkt immers niet uit de e-mail van eiseres van 14 april 2025, waarin zij duidelijk spreekt over schulden die ze nog heeft en in welk kader ze van één van deze schulden onder meer een aanmaning heeft overgelegd.
17. De rechtbank heeft tijdens de zitting de gemachtigde van de minister vervolgens de vraag voorgelegd waarom de schuldeisers in dit geval niet zijn aangeschreven. Daarop heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat er twee “loketten” zijn bij SBN; één voor nog openstaande schulden, en één voor al afgeloste schulden. Bij het loket voor nog openstaande schulden is het uitgangspunt dat schuldeisers worden aangeschreven met een verzoek om informatie over de betreffende schuld, en bij het andere loket in de regel niet. Omdat deze aanvraag is opgevat als aanvraag om compensatie voor al afgeloste schulden zijn de schuldeiseres niet benaderd.
18. Onder de aan de orde zijnde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres niet voldoende zorgvuldig heeft behandeld. De SBN/de minister moet zich naar het oordeel van de rechtbank steeds dienstbaar opstellen als iemand zich bij haar meldt met een verzoek. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5673, onder 4.3). Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer bij aanvragen van gedupeerden van de toeslagenaffaire. In de genoemde uitspraak van de Afdeling is uitdrukkelijk overwogen dat als een bestuursorgaan om organisatorische redenen kiest voor een bepaalde inrichting van de procedure, dit geen reden kan zijn om de aanvrager die zich vergist bij het kiezen van een procedure, daarvan de dupe te laten worden. In dat licht bezien kan in het midden blijven of eiseres de aanvraag zelf per ongeluk bij het verkeerde loket heeft ingediend, of dat SBN de aanvraag in het verkeerde loket heeft opgepikt. Waar het om gaat is dat als SBN de aanvraag zorgvuldig en welwillend had behandeld, tijdig zou zijn onderkend dat het hier gaat om een aanvraag voor overname van nog openstaande schulden. En indien de aanvraag als zodanig was gelabeld, was de aanvraag in het loket terechtgekomen waar schuldeisers ook actief worden aangeschreven om de nadere, benodigde informatie over de schuld te verkrijgen.
19. Door het zorgvuldigheidsgebrek in de behandeling van de aanvraag is de uitvraag bij de schuldeisers ten onrechte uitgebleven. Dat eiseres niet zelf heeft gereageerd op de e-mail van 7 juli 2025, maakt het voorgaande niet anders omdat dat gegeven de minister niet ontslaat van de verplichting om zelf deugdelijk onderzoek te doen naar de aanvraag.
Conclusie
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
Het vervolg
21. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstel dient eruit te bestaan dat aan de hand van de door eiseres eerder verstrekte gegevens over de schulden bij Vodafone en [naam 2] de schuldeisers worden aangeschreven om de nadere, benodigde informatie over de schulden te verkrijgen. Aan de hand daarvan dient de minister te onderzoeken en motiveren of de schulden alsnog voor schuldovername in aanmerking komen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
22. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank laten weten of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
-
draagt de minister op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
-
stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
-
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.