Civiel recht overig

verstek; consumentenrecht; ambtshalve toetsing; overeenkomst op afstand; informatieplichten 6:230m en 6:230v…

Rechtbank Oost-Brabant, 5 juni 2025

Zaakgegevens

Op 5 juni 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
Eindhoven
Datum uitspraak
5 juni 2025
Datum publicatie
29 november 2025
Zaaknummer
11406952 \ CV EXPL 24-8207
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2025:7805
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verstek; consumentenrecht; ambtshalve toetsing; overeenkomst op afstand; informatieplichten 6:230m en 6:230v BW; (ver)huur van roerende zaken; de handelaar vordert een gebruiksvergoeding na het einde van de huurovereenkomst en afgifte van het gehuurde product omdat de consument het gehuurde product niet heeft teruggegeven. De kantonrechter wijst die vorderingen af. Uit het dossier blijkt dat de handelaar een omzettingsverklaring heeft gedaan, waardoor de verbintenis tot afgifte is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Niet kan worden vastgesteld welke deel van de gevorderde gebruiksvergoeding ziet op de periode vóór de omzetting. Omdat de consument het gehuurde product niet heeft teruggegeven, moet hij een schadevergoeding betalen begroot op de waarde die het product nu nog heeft.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer: 11406952 \ CV EXPL 24-8207

Vonnis van 5 juni 2025

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: LegalSteps B.V.,

[afbeelding niet beschikbaar]tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.

Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.

Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De beoordeling

De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. De handelaar moet bij het sluiten van dat soort overeenkomsten voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW).

In deze procedure moet eisende partij gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de essentiële informatieplichten is voldaan. De kantonrechter moet vervolgens ambtshalve onderzoeken of aan de plichten is voldaan, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de rechter een sanctie toepassen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677).

De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.

In deze zaak kan in het midden blijven of eisende partij aan de hiervoor genoemde informatieverplichtingen heeft voldaan. Eisende partij vordert betaling van een gebruiksvergoeding voor het gebruik van het gehuurde na beëindiging van de overeenkomst. Ook vordert eisende partij afgifte van het gehuurde binnen acht dagen na dit vonnis onder verbeurte van een dwangsom en daarnaast betaling van een schadevergoeding van € 1.193,95 begroot op de huidige (nieuw)waarde van het gehuurde. Uit de door eisende partij overgelegde aanmaningen blijkt dat zij, althans haar (incasso-)gemachtigde, gedaagde partij heeft gesommeerd tot betaling van een bedrag aan achterstallige huurtermijnen en een bedrag aan vervangende schadevergoeding omdat gedaagde partij het gehuurde niet heeft geretourneerd. Hieruit blijkt dat eisende partij een omzettingsverklaring heeft gedaan. Door omzetting wordt de oorspronkelijke verbintenis tot afgifte van het gehuurde na beëindiging van de overeenkomst omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. De oorspronkelijke verbintenis gaat daarbij teniet en het verzuim eindigt. Dit betekent dat gedaagde partij vanaf dat moment niet langer gehouden is tot afgifte van het gehuurde en ook niet tot betaling van een gebruiksvergoeding. Behoudens uitzonderingsgevallen die hier niet aan de orde zijn, kan niet op omzetting worden teruggekomen. De vordering die strekt tot afgifte is daarom niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de vordering tot betaling van een verbruiksvergoeding voor zover die ziet op de periode ná de omzettingsverklaring. Eisende partij heeft niet gesteld wanneer zij de omzettingsverklaring heeft gedaan. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt slechts de factuurdatum van de factuur – de factuur zelf ontbreekt – waarmee eisende partij de vervangingswaarde in rekening heeft gebracht. De gevorderde gebruiksvergoeding vermeerderd met wettelijke rente zal worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld welke deel van de vordering ziet op de periode vóór de omzetting. Eisende partij had dit gespecifieerd in de dagvaarding moeten stellen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

De door eisende partij begrote huidige (nieuw)waarde van het gehuurde is naar de kantonrechter aanneemt inclusief btw. De kantonrechter begroot de schade op 40% van de waarde exclusief btw, aangezien het gehuurde inmiddels al enkele jaren is gebruikt. Dit komt neer op een bedrag van € 394,69 (40% van € 1.193,95 -/- 21%). Dit bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de 8e dag na betekening van dit vonnis.


Eisende partij heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten gegrond op de niet betaalde gebruiksvergoeding. Omdat die vordering wordt afgewezen, worden ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

Proceskosten

Gedaagde partij wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Het te vergoeden griffierecht zal lager worden vastgesteld dan het door eisende partij betaalde griffierecht, omdat de toegewezen hoofdsom in een lagere tariefcategorie valt dan de gevorderde hoofdsom. De nakosten worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de 15e dag nadat gedaagde partij schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand.

3 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van het bedrag van € 394,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de 8e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van betaling;

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten, aan de kant van eisende partij tot vandaag begroot op:

  • € 113,54 wegens dagvaardingskosten;

  • € 130,00 wegens griffierecht;

  • € 82,00 wegens salaris gemachtigde (niet met btw belast);

  • € 41,00 wegens nakosten, te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis;

vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag nadat gedaagde partij schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

verklaart dit vonnis waar het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op

5 juni 2025.