Strafrecht overig
Ontneming teveel ontvangen bijstandsuitkering uitkeringsfraude schending inlichtingenplicht op geld…
Rechtbank Overijssel, 30 augustus 2022
ECLI:NL:RBOVE:2022:3050 · Rechtbank Overijssel · 30 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2022-3050
Zaakgegevens
Op 30 augustus 2022 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 30 augustus 2022
- Datum publicatie
- 19 oktober 2022
- Zaaknummer
- 08-216026-20 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3050
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming teveel ontvangen bijstandsuitkering uitkeringsfraude schending inlichtingenplicht op geld waardeerbare activiteiten
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.216026.20
Datum vonnis: 30 augustus 2022
Vonnis op tegenspraak (artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering) van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats] .
1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag zal vaststellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 101.450,45.
2 De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 16 augustus 2022. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw
mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat in Deventer, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De officier van justitie mr. M. Hoekstra heeft ter terechtzitting zijn vordering gehandhaafd.
De raadsvrouw heeft zich primair, in verband met de bepleite vrijspraken in de strafzaak, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering in verband met de uitspraak van de rechtbank Overijssel, afdeling bestuursrecht, van 31 maart 2022 (zaaknummers: ZWO 21/40 en 21/42). In die uitspraak heeft de bestuursrechter het beroep van de veroordeelde en zijn echtgenote tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen in verband met terugvordering van de betaalde uitkeringsbedragen ongegrond verklaard. Daardoor moeten zij een bedrag van € 99.452,40 aan uitkering aan de gemeente Kampen terugbetalen. Er is beroep tegen ingesteld. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 oktober 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4284).
3 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de gemeente Kampen al daadwerkelijk is begonnen met de invordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringsgelden. Bovendien heeft de raadsvrouw ter terechtzitting meegedeeld dat de veroordeelde en zijn echtgenote hoger beroep hebben ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank, waardoor die uitspraak nog niet onherroepelijk is. Van een situatie zoals die in de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is dan ook geen sprake. Daarnaast is de rechtbank tot een veroordeling gekomen in de strafzaak van de veroordeelde en zijn echtgenote, zoals hierna genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vordering.
4 De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2022 veroordeeld voor het strafbare feit:
primair
het misdrijf: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van 1 mei 2014 tot en met 24 april 2019 opzettelijk heeft nagelaten om aan de sociale dienst van de gemeente Kampen tijdig de benodigde gegevens te verstrekken die van belang waren voor de vaststelling van zijn bijstandsuitkering. Uit de voornoemde uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank blijkt dat de veroordeelde door het schenden van zijn inlichtingenplicht bijstandsuitkering heeft ontvangen zonder dat hij daar recht op had. In het procesdossier bevindt zich een fraudeberekening met een benadelingsbedrag van € 101.450,45. Uit voornoemde uitspraak van de bestuursrechter blijkt echter dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen hebben geconcludeerd dat het onverschuldigd betaalde bedrag door de gemeente Kampen € 99.452,40 is. Nu de bestuursrechter het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kampen in het gelijk hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat dit het bedrag is dat de veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
De veroordeelde is voor dit bedrag met zijn echtgenote [naam] hoofdelijk aansprakelijk, nu zij een gezamenlijke uitkering genoten en zij zich allebei schuldig hebben gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 99.452,40.
5 De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
6 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 99.452,40 (zegge: negenennegentigduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en veertig eurocent);
-
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 99.452,40 (zegge: negenennegentigduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en veertig eurocent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
-
bepaalt dat de veroordeelde voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk is;
-
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M.T. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Folkerts, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2022.
Buiten staat
Mr. A.J. de Loor is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.