Strafrecht overig
De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot het betalen van € 0,- aan de Staat ter ontneming van…
Rechtbank Overijssel, 3 juli 2023
ECLI:NL:RBOVE:2023:2554 · Rechtbank Overijssel · 3 juli 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2023-2554
Zaakgegevens
Op 3 juli 2023 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 3 juli 2023
- Datum publicatie
- 5 juli 2023
- Zaaknummer
- 08.291430.20
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2023:2554
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot het betalen van € 0,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft in de strafzaken van veroordeelde en medeveroordeelde de in beslag genomen goederen verbeurd verklaard en brengt in de waarde van deze goederen in mindering op de betalingsverplichting.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.291430.20
Datum vonnis: 3 juli 2023
Vonnis op tegenspraak de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde hoofdelijk de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 101.861,-.
2 De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 19 juni 2023. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat in Zwolle, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 19 juni 2023 heeft de officier van justitie mr. G.C. Pol de vordering gehandhaafd. De officier van justitie heeft primair gevorderd de ontnemingsvordering toe te wijzen, daarbij te bepalen dat veroordeelde en zijn medeveroordeelde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het totaalbedrag van € 101.861,- en de in beslag genomen goederen (die de waarde van het wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen) niet verbeurd te verklaren. Subsidiair, indien de in beslag genomen goederen verbeurd worden verklaard, vordert de officier van justitie dat de ontnemingsvordering wordt toegewezen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 101.861,- en de betalingsverplichting op nihil.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde en medeveroordeelde
een bedrag tussen € 20.000,- en € 30.000,- ‘zwart’ hebben verdiend. Dat is het bedrag waar de Staat recht op heeft.
3 De beoordeling van de vordering
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 3 juli 2023 onder meer veroordeeld voor:
het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten het met deze vordering samenhangende strafdossier, het in deze zaak opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk voordeel van 13 oktober 2021, en het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van 19 juni 2023.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 3 juli 2023 in de strafzaak vastgesteld dat bij veroordeelde en medeveroordeelde (zijn partner) een geldbedrag (€ 68.515,-), een auto (Volvo V40), een horloge (Cartier) en twee plakken goud in beslag zijn genomen, met een gezamenlijke waarde van € 101.861,-.
Veroordeelde heeft verklaard niets te weten over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag en de herkomst van het geld waarmee de in beslag genomen goederen contant zijn betaald. Medeveroordeelde heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij in de afgelopen twaalf jaren geld van zijn rekening heeft gepind en dit heeft bewaard in zijn woning.
Uitgaande van die verklaring van medeveroordeelde zouden hij en veroordeelde in twaalf jaren tijd € 101.861,- bij elkaar moeten hebben gespaard. Dat komt neer op een bedrag van
€ 707,- sparen per maand.
Uit onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van veroordeelde en medeveroordeelde volgt dat zij gezamenlijk per maand € 600,- euro overhielden, waarvan ze nog uitgaven als boodschappen en kleding moesten betalen. Gelet hierop kan het niet kloppen dat veroordeelde en medeveroordeelde gedurende twaalf jaren € 707,- euro per maand op legale wijze hebben gespaard.
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in het vonnis van 3 juli 2023 in de strafzaak, is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de in beslag genomen goederen, die een waarde van € 101.861,- vertegenwoordigen, een legale herkomst hebben. Zodoende kan een criminele herkomst van die goederen als enige aanvaardbare verklaring gelden.
Gelet op het voorgaande en wat de rechtbank in de strafzaak heeft geoordeeld, acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde het bedrag en de goederen uit het bewezen verklaarde feit heeft verkregen. Om deze reden stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 101.861,-.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank heeft in de strafzaken van veroordeelde en van medeveroordeelde de in beslag genomen goederen (te weten twee stuks goud, een horloge, een geldbedrag van in totaal
€ 68.515,- en een Volvo personenauto) verbeurd verklaard als baten uit hetzelfde feit dat ten grondslag ligt aan de onderhavige ontneming. Gelet op het rechtsherstellende karakter van de ontnemingsmaatregel, dat niet ten onrechte ook een bestraffend karakter moet krijgen, zal de rechtbank de vastgestelde waarde van de onder veroordeelde en medeveroordeelde verbeurd verklaarde goederen in mindering brengen op de betalingsverplichting. De rechtbank stelt daarom het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de Staat, vast op € 0,-. Gelet op de omvang van de betalingsverplichting, die de rechtbank in gelijke zin aan medeveroordeelde zal opleggen, vervalt het belang bij de verzochte hoofdelijkheid.
4 De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
5 De beslissing
De rechtbank:
-
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 101.861,-;
-
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 0,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.T. Bos, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2023.
Buiten staat
De voorzitter en mr. De Waard zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.