Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2025:6862

Op 28 November 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-274509-24 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2025:6862. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-274509-24 (P)
Datum uitspraak:
28 November 2025
Datum publicatie:
28 November 2025

Indicatie

Onderzoek Maïs23 – de rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren voor het medeplegen van (verlengde) invoer van harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. Verdachte was de transporteur van een container met daarin ruim 1.200 kilogram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-274509-24 (P)

Datum vonnis: 28 november 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officieren van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),

nu verblijvende in de P.I. [locatie] ,

hierna: [verdachte] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 november 2024, 3 februari 2025, 2 mei 2025, 29 juli 2025, 13 oktober 2025 en

14 november 2025.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat door [verdachte] en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 2 mei 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

feit 1: op 30 juli 2024 in [plaats 1] al dan niet samen met anderen opzettelijk 1.201 kilogram cocaïne binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 met (onder andere)

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft deelgenomen aan een criminele (drugs)organisatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:

1.

hij op of omstreeks 30 juli 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en/of

- heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

1.201 kilogram cocaïne, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] ,

[medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet.

3
De voorvragen

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van [verdachte] , wegens schending van beginselen van een behoorlijk strafproces, waaronder een redelijke en billijke belangenafweging en het verbod van willekeur. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de rol van [verdachte] ondergeschikt was aan die van de medeverdachten en andere veronderstelde leden van de criminele organisatie, die niet door het Openbaar Ministerie worden vervolgd (voor het deelnemen aan een criminele organisatie).

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen. Niet alle leden van de criminele organisatie zijn al geïdentificeerd, waardoor het nog niet mogelijk is om hen te vervolgen. Daarnaast is aan de ‘uithalers’ (de verdachten die de drugs in de loods uit de container haalden) door het Openbaar Ministerie geen deelname aan een criminele organisatie tenlastegelegd, omdat zij binnen het onderzoek slechts in beeld kwamen op de dag van de inval in de loods en in het geval van die personen daarom niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en stelt vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van [verdachte] . De stelling van de raadsman dat niet alle veronderstelde leden van de criminele organisatie strafrechtelijk worden vervolgd treft geen doel, alleen al omdat de deelnemers aan de [chat naam] groepschat – waar de raadsman op doelt – personen betreffen die (nog) niet geïdentificeerd zijn. De beslissing om wel of niet te vervolgen kan pas worden genomen wanneer aan die personen een identiteit is gekoppeld. Verder geldt dat uit de tenlastelegging volgt dat niet is beoogd een volledige opsomming van de leden van de criminele organisatie te geven, gelet op de woorden “onder meer”. De rechtbank is daarmee van oordeel dat geen sprake is van schending van enig beginsel van een behoorlijk strafproces. De vraag of [verdachte] een rol heeft vervuld binnen de criminele organisatie en zo ja, welke, is niet van belang voor de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van [verdachte] , maar komt aan de orde bij de beoordeling van de vraag of het tweede feit dat aan hem ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De overige voorvragen

De rechtbank stelt verder vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De bewijsmotivering
4.1

Inleiding: onderzoek Maïs23

Op 29 november 2023 is in onderzoek Larix23 een cocaïnewasserij aangetroffen in [plaats 2] . Uit de in dit onderzoek verkregen informatie ontstond onder andere het vermoeden dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) betrokken zou zijn bij drugshandel. Op 13 december 2023 is door de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Oost-Nederland een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Maïs23 gestart. Het onderzoek richtte zich op het (in crimineel samenwerkingsverband) invoeren van harddrugs. Stelstelmatige observatie van [medeverdachte 1] leidde naar een loods aan de [adres 1] in [plaats 1] . Door middel van observaties en interceptie van communicatiemiddelen ontstond het sterke vermoeden dat op 30 juli 2024 een container bij de loods zou worden afgeleverd met daarin een hoeveelheid harddrugs. Nadat op 30 juli 2024 werd gezien dat er een container werd afgeleverd in de loods die kort daarna weer werd opgehaald, vond een instap plaats. De instap in de loods leidde tot de vondst van 1.201,2 kilogram cocaïne en de aanhoudingen op heterdaad van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ),

[medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ). In de periode na 30 juli 2024 zijn de aanhoudingen verricht van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [verdachte] .

Voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de feiten zowel verdachte als de medeverdachten telkens met hun naam aanduiden zoals hiervoor is weergegeven.

4.2

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich – conform het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 hebben zij aangevoerd dat bij [verdachte] sprake was van opzet op het invoeren van cocaïne. Hij had wetenschap van en beschikkingsmacht over de drugs. De officieren van justitie achten de verklaring van [verdachte] dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de container ongeloofwaardig, gelet op de inhoud van het dossier. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten en [verdachte] vervulde een rol die van voldoende gewicht was om te kunnen spreken van medeplegen.

Ook feit 2 kan wettig en overtuigend worden bewezen. Er is sprake geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen natuurlijke personen, gericht op het plegen van Opiumwetdelicten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – conform de op schrift gestelde pleitnota – op het standpunt gesteld dat [verdachte] integraal moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Wat betreft feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] niet wist – en ook niet redelijkerwijs had moeten vermoeden – dat hij cocaïne vervoerde. Hij had geen wetenschap van de aanwezigheid van die cocaïne. Voor feit 2 geldt dat [verdachte] niet als deelnemer kan worden aangemerkt van de criminele organisatie die in onderzoek Maïs23 naar voren is gekomen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst de relevante feiten en omstandigheden vast voor de ten laste gelegde feiten. Hierna overweegt de rechtbank waarom zij op basis hiervan tot conclusies komt en daarna wordt de bewijsvraag beantwoord.

4.4.1

De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

- Identificatie personen

Door de politie is onderzoek gedaan naar de telefoonnummers en aliassen van personen die in het strafdossier naar voren komen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de conclusies die de politie daarover in de processen-verbaal trekt. De rechtbank stelt daarom, op grond van de feiten en omstandigheden die door de politie in de van toepassing zijnde processen-verbaal van bevindingen zijn opgenomen en in de bewijsbijlage zijn weergegeven, het volgende vast:

[verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] ;

[medeverdachte 1] maakt gebruik van de telefoonnummers + [telefoonnummer 2] (waarbij hij op Whatsapp de gebruikersnaam ‘ [alias 1] ’ gebruikt) en + [telefoonnummer 3] (waarbij hij op Whatsapp de gebruikersnaam ‘ [alias 1] ’ gebruikt);

[medeverdachte 3] maakt gebruik van de telefoonnummers + [telefoonnummer 4] (waarbij hij op Whatsapp de gebruikersnaam ‘ [alias 2] ’ gebruikt) en + [telefoonnummer 5] (waarbij hij op Whatsapp de gebruikersnaam ‘ [alias 2] ’ gebruikt);

[medeverdachte 2] maakt gebruik van de telefoonnummers + [telefoonnummer 6] en + [telefoonnummer 7] (waarmee hij in de telefoon van [verdachte] als ‘ [alias 3] ’ staat opgeslagen);

De niet nader geïdentificeerde ‘ [alias 4] ’ maakt gebruik van verschillende telefoonnummers en aliassen. Hij maakt in ieder geval, en voor zover van belang, gebruik van het telefoonnummer + [telefoonnummer 8] (waarmee hij in de telefoon van [medeverdachte 1] als ‘ [alias 5] ’ staat opgeslagen en in de telefoon van [verdachte] en [medeverdachte 3] als ‘ [alias 6] ’ staat opgeslagen). [verdachte] heeft verklaard dat ‘ [alias 4] ’ en ‘ [alias 6] ’ dezelfde persoon zijn.

De rechtbank zal bij de bespreking van de feiten en omstandigheden niet de gebruikte telefoonnummers en bijbehorende aliassen benoemen, maar zal gebruik maken van de namen van de verdachten en [alias 4] .

- De loods aan de [adres 1] in [plaats 1]

De loods aan de [adres 1] in [plaats 1] (hierna ook: de loods) wordt, in opdracht van [medeverdachte 1] , vanaf 1 november 2023 gehuurd door Richard [naam 4] (hierna: [naam 4] ), zodat de locatie niet naar ‘hen’ te herleiden is op het moment dat er ‘iets mis zou gaan’. [naam 4] betaalt de huur van de loods via zijn zakelijke rekening. Het geld daarvoor ontvangt hij – nadat hij in opdracht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] facturen opmaakt op naam van door hen bepaalde bedrijven – via meerdere bedrijven, waaronder [bedrijf 1] B.V. (het bedrijf van [medeverdachte 2] ), en contante betalingen, waaronder een contante betaling van € 6.000,00 van [medeverdachte 1] .

In de periode van 30 mei 2024 tot en met 30 juli 2024 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] vrijwel dagelijks aanwezig in de loods die naar het lijkt wordt gebruikt als opslag voor hout. (Voetnoot 1) Zo ook op 30 mei 2024. [verdachte] rijdt die dag in een zwarte Mercedez-Benz V-klasse en is minimaal een uur, gelijktijdig met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , aanwezig in de loods. Ook op 29 juni 2024 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aanwezig in de loods. Omstreeks 10:23 uur komt een vrachtwagen van [bedrijf 2] aanrijden met [verdachte] als chauffeur. Er wordt beweging rondom de oplegger gesignaleerd en omstreeks 11:33 uur rijdt [verdachte] met de vrachtwagen weg. Op 3 juli 2024 arriveert [verdachte] om 11:05 bij de loods met zijn zwarte Mercedes bus. Hierna is hij in ieder geval tot omstreeks 12:13 uur gelijktijdig met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de loods. Op 18 juli 2024 voeren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een gesprek bij de loods. Zij spreken onder andere over 200 kilo ketamine, geen sporen en vingerdrukken achterlaten en alles goed schoonmaken, dat zij al het risico lopen door in de spullen te trekken, de kosten van matrozen en vissersboten die het eruit halen, het hebben van meer dan zeventig rooien en dat ze ook klaar zijn als ze die zeven ton hebben.

- Chatcontacten [verdachte] met [alias 4] voorafgaand aan 30 juli 2024

[verdachte] ontvangt op 22 februari 2023 de contactgegevens van [alias 4] . Op 25 februari 2023 chat [verdachte] naar [alias 4] : “please next time call my about any jobs legal or less legal” en “I have very good driver. Very quiet and discreet”. Vanaf dat moment chatten zij met elkaar over onder andere het vervoer van containers en betalingen daarvoor. Op 29 juli 2024 vraagt [verdachte] via Whatsapp aan [alias 4] “What about rest of containers?” en “and voorshot?”. [verdachte] stuurt op verzoek van [alias 4] de gegevens van zijn cryptowallet en kort hierop ontvangt [verdachte] een schermafbeelding van [alias 4] waarop een afschrijving van 20.000,00 USDT te zien is. [verdachte] reageert met een schermafbeelding waarop een bijschrijving van dat bedrag te zien is en bedankt [alias 4] . Na deze overboeking gaat de chat verder over het tansport van container [code 1] en stuurt [verdachte] een audiobericht met de tekst “brother do you have the second seal with the same number?”. [alias 4] reageert met “When green pick up in the morning”.

- Groepschat [chat naam] voorafgaand aan 30 juli 2024

In de telefoon van [medeverdachte 1] is een Whatsapp-groepschat aangetroffen met de naam ‘ [chat naam] ’. De groepschat wordt op 18 juli 2024 aangemaakt door [alias 4] . De leden van de groepschat zijn [alias 4] , [medeverdachte 1] , ‘ [alias 7] ’, ‘ [alias 8] ’ en ‘ [alias 9] ’. Nadat de groepschat is aangemaakt vinden gesprekken plaats over het inklaren van verschillende containers, betalingen en het regelen van documenten. Op 23 juli 2024 chat [alias 8] “Die dat volgende week aankomt is prioriteit” en “volgende week dinsdag woensdag komt die aan”. Op

29 juli 2024 stuurt [alias 8] “Zodra die kan opgehaald worden moet die gelijk opgehaald worden niet wachten ermee” en “Belangerijk dat wij vandaag minstens 1 in ontvangst hebben we zitten zonder product en hebben dat nodig voor deze”. [alias 9] chat hierna onder meer “broeders morgen hebben wij 2pallets nodig minimaal” en “ [alias 10] kan jij ervoor zorgen dat wij 2pallets vandaag kunnen ophalen”. [alias 4] reageert hierop dat het goed komt en dat ze er mee bezig zijn. Verder wordt tussen de groepsleden afgesproken dat nog geen tijd voor scanning en verificatie van de container met nummer [code 2] wordt doorgegeven, omdat de container ook opgehaald kan worden zonder een afspraak voor de scan. In de avond van 29 juli 2024 wordt in de groepschat besproken dat iedereen die volgende ochtend vroeg online moet zijn. [medeverdachte 1] reageert met “Yes wij zijn 06:30 op locatie”.

- Transport container [code 2] naar de loods op 30 juli 2024

In de ladingspapieren van container [code 2] (hierna ook: de container) staat dat deze afkomstig is uit Ghana en het product ‘fresh yams’ (zoete aardappelen) bevat. De container is afgesloten met een zegel met het nummer [nummer 1] , wordt verscheept naar de haven van Antwerpen en de ontvangende partij is [bedrijf 1] B.V. De geregistreerde afleverlocatie van de container is [bedrijf 3] . Op 30 juli 2024 is de container aangekomen in Antwerpen en gereed voor het afhaalproces.

Tenzij anders vermeld hebben de hierna vermelde observaties en chatberichten met daarbij vermelde tijdstippen allemaal betrekking op de datum 30 juli 2024.

In de [chat naam] groepschat wordt vanaf 06:19 uur gechat. [medeverdachte 1] chat om 06:32 uur dat ze zo op locatie zijn voor ‘die twee pallets’. [medeverdachte 3] arriveert op dat moment bij de loods. Om 06:46 uur parkeert een vrachtwagen voor koeltransport bij de loods. [medeverdachte 3] tilt met een heftruck twee pallets uit de vrachtwagen en rijdt deze de loods in. Op de pallets staan dozen gestapeld met daarop de tekst ‘Fresh Yams’. Om 06:53 uur arriveert [medeverdachte 1] bij de loods en om 06:56 uur chat hij in de [chat naam] groepschat dat de pallets binnen zijn.

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] vervullen die dag een rol bij het proces van vrijgave en het transport van de container. In de ochtend van 30 juli 2024 staat [medeverdachte 1] in nauw contact met zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] . [medeverdachte 2] voert tussen 10:38 uur en 10:57 uur meerdere telefoongesprekken over de vrijgave van de container met de bij dit proces betrokken professionele partijen. Tussen 10:28 uur en 11:04 uur vinden er – telkens direct nadat [medeverdachte 2] een telefoongesprek heeft gevoerd met een professionele partij – videogesprekken plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] heeft in datzelfde tijdsbestek chatcontact met [verdachte] over de vrijgave van de container. In die chats komt naar voren dat [medeverdachte 1] over informatie beschikt vanuit zakelijke partijen en agenten die betrokken zijn bij het vrijgaveproces en dat [verdachte] – als transporteur van de container – toegang heeft tot een portaal waarin de status van de container wordt weergegeven. [verdachte] stuurt om 11:03 uur op verzoek van [medeverdachte 1] een schermafbeelding met daarop een overzicht van de status van de container die is weergegeven met gekleurde bolletjes. Diezelfde schermafbeelding stuurt [verdachte] op datzelfde moment naar [alias 4] . [medeverdachte 1] stuurt deze schermafbeelding direct door in de [chat naam] groepschat.

Om 11.26 uur chat [alias 4] “voor wanneer zullen we afspraak scan maken”, waarop [alias 8] reageert met “Wacht daar even mee laten we uurtje afwachten mss komt die zo op groen en dan stellen we die scan uit tot werk klaar is”. [medeverdachte 1] reageert vervolgens met “Ok”.

Om 13:32 uur chat [verdachte] naar [medeverdachte 1] “is green now”, “I go to pick up” en “My self”. Om 15:00 uur chat [verdachte] naar [alias 4] “Time pickup” en stuurt hij een schermafbeelding van zijn navigatie. Op deze schermafbeelding is te zien dat de eindbestemming van de ingevoerde route is gelegen in de omgeving van Antwerpen en dat de verwachte aankomsttijd 15:32 uur is. [alias 4] stuurt deze schermafbeelding direct door in de [chat naam] groepschat. Om 15:42 uur stuurt [verdachte] een foto van een containerzegel met daarop het nummer [nummer 1] , waarop [alias 4] reageert met “Topp” en “You drive now”. Ook de foto van het zegel wordt door [alias 4] meteen doorgestuurd in de [chat naam] groepschat met de opdracht om deze te controleren. [alias 8] reageert hierop met “klopt” en “zegel is zelfde”. [alias 4] vraagt in de groepschat “Wat doen we laten afkoelen of gelijk aan de slag” en [medeverdachte 1] vraagt of er spotters zijn. [alias 8] reageert hierop met “Broer gewoon opletten of gevolgd word”, “Laat mensen bij de grens staan” en “Bak volgen als die passeert”. [medeverdachte 1] chat “Ik ga hier in de buurt wel in de gaten houden op locatie”. Om 15:47 uur stuurt [alias 9] “broer niemand erbij betrekken”, “ik regel dat allemaal” en “nu neem ik het over”, waarop [alias 8] reageert met “Ja jij gaat over de jongens”. [medeverdachte 1] stuurt dat hij met zijn maatje op locatie is en “Zouden 2 van jullie komen”. [alias 9] reageert met “okee onze boys komen”.

De container verlaat om 15:50 uur het haventerrein van Antwerpen. Om 15:59 uur geeft [alias 4] aan [verdachte] de instructie om – hoewel de container volgens de officiële papieren naar [plaats 3] moet worden gebracht – naar [plaats 1] te rijden en vraagt hij om de ETA (estimated time of arrival). [verdachte] antwoordt dat hij minimaal twee uur onderweg zal zijn en stuurt een schermafbeelding van de navigatie waarop te zien is dat hij op dat moment in de omgeving van Antwerpen rijdt. De eindbestemming van de ingevoerde route is gelegen in de omgeving van [plaats 1] . Deze schermafbeelding wordt door [alias 4] om 16:01 uur doorgestuurd in de [chat naam] groepschat met daarbij de tekst “is onderweg loods”. Om 16:30 uur wordt met een ANPR-camera een foto gemaakt op de A17 bij Roosendaal van de container die op dat moment voorzien is van een geel zegel.

Om 16:35 uur stuurt [alias 4] in een privé Whatsapp-gesprek met [medeverdachte 1] een afbeelding van een tekening met tien vierkanten, waarvan in twee van de vierkanten een kruis staat, en “Alles met doorzichtige plakband zijn met spullen” en “Die dozen met plakband en stift zijn de goede”. Hierop antwoordt [medeverdachte 1] “Ok duidelijk broer”, waarop [alias 4] chat “Heb die jongen die komt ook uitgelegd”.

Om 17:45 uur chat [medeverdachte 1] naar [verdachte] “About 15 min left?”, waarop [verdachte] reageert met een schermafbeelding van een navigatie-app. De resterende tijd is 27 minuten en de verwachte aankomsttijd is 18:12 uur. [verdachte] chat “make a round” en “if there is no any strange cars around”. [medeverdachte 1] reageert hierop met “I am already driving around” en “Wait for you at rotonde close to truck parking”.

[medeverdachte 1] vraagt om 17:50 uur in de [chat naam] groepschat of er busjes of auto’s vooruit zijn gereden waar ze vanaf moeten weten. Hij stuurt een afbeelding waarop meerdere voertuigen te zien zijn en chat “ze hebben deze zien stil staan in de buurt 10 min lang”. [alias 9] reageert hierop met “moment geef die loca snel” en “ik ga iemand laten checken”. [alias 8] vraagt “Is dat politie?”. Hierna stuurt [medeverdachte 1] dat ze al weg zijn en dat hij het wilde checken. [alias 9] chat “ik laat onze jongens ff rondje rijden” en op de opmerking van [alias 8] dat de snelweg afrit gecheckt moet worden reageert [alias 9] dat hij daar ook jongens heeft gezet. [medeverdachte 1] stuurt “Ook van mij staat ook in de buurt maar die is gewoon gaat helpen zo” en “1 is gewoon in loods”. Om 18:05 uur stuurt [alias 9] “broer zodra bak komt beetje afkoelen 5-10m en open doen alles eruit en bak vullen en weg ermee”, “dus tp weg jij doet deur dicht”, “en daarna tellen” en “niemand verlaat pand en iedereen zicht op spullen”. [medeverdachte 1] reageert met “Ok gaan we fixen”. Om 18:10 uur chat [medeverdachte 1] dat tp (de rechtbank begrijpt: transporteur) net langsrijdt en hij er dus over vijf minuten is. Ook naar [medeverdachte 3] , die op dat moment in de loods is, chat hij “Rijdt net langs”.

Om 18:15 uur arriveert de vrachtwagen van [bedrijf 2] met de container en met [verdachte] als bestuurder bij de loods. [verdachte] rijdt de vrachtwagen en container achterwaarts de loods in. [medeverdachte 3] zegt “ff loskoppelen dat ding” en “één uurtje, dat je hier niet bent toch?”. [medeverdachte 3] chat om 18:20 uur naar [medeverdachte 1] “Pool weg” waarop [medeverdachte 1] reageert dat hij buiten staat en eraan komt. [medeverdachte 1] stuurt op datzelfde tijdstip in de [chat naam] groepschat dat de vrachtwagen binnen staat. [alias 8] vraagt om een foto van ‘de bak’ en [medeverdachte 1] reageert daarop met “Moment” en “Heeft afgekoppeld rijdt weg nu”. [verdachte] rijdt om 18:21 uur weg met de vrachtwagen zonder de container. [medeverdachte 1] chat om 18:22 uur naar [medeverdachte 3] “2 min” en “kijken nog” en arriveert vervolgens om 18:24 uur bij de loods met een witte Volkswagen Caddy en loopt de loods in.

Om 18:24 uur stuurt [alias 4] in de [chat naam] groepschat een foto waarop de achterkant van een container, voorzien van een geel zegel, te zien is met de chat “Boxstaat binnen laat jongens komen @ [nummer 2] ”. Uit de chat blijkt dat [alias 4] deze foto vanuit een ander gesprek doorstuurt in de [chat naam] groepschat. De foto is gemaakt met een toestel dat bij [medeverdachte 3] is aangetroffen tijdens zijn aanhouding. [alias 9] (die gebruik maakt van het telefoonnummer dat [alias 4] noemt in zijn bericht) reageert met “broer kan je in 3m deur open doen” en “ze gaan kloppen”. Om 18:26 uur arriveren [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] bij de loods, kloppen zij op de deur en gaan zij naar binnen. Om 18:28 uur chat [alias 9] “oke jongens zijn binnen” en [medeverdachte 1] stuurt “Yes”. Hierna stuurt [alias 9] “straks komt nog 1boy aub neem hem ook naar binnen hij zit te posten in de buurt” en om 18:35 uur stuurt hij een foto waarop gestapelde dozen in een container te zien zijn met daarop de tekst ‘fresh yams’. [alias 8] reageert hierop met “Gele bandjes zijn product. De pallet erachter zie je die met tape dat zijn ze”. Daarop chat [alias 9] “oke broer” en “ze gaan uitladen nu”. Om 18:51 uur stuurt [alias 9] een foto met daarop een geopende doos waarin blokken te zien zijn en chat hij “oke busje zo naar binnen” en “kleurde stickers 32 dozen in busje” en “er weg ermee”. Om 19:08 uur gaat [medeverdachte 5] de loods in. Om 19:25 uur chat [medeverdachte 1] in de [chat naam] groepschat dat ze klaar zijn met laden en vraagt hij “waar is de zegel?” en “Moet weer erop”. [alias 4] reageert met “Zegel is onderweg broeder”, “Laat tp ergens parkeren en adres sturen” en “Gaan we daar erop klikken”. [alias 8] stuurt “Ja die jongen met zegel niet naar loods laten gaan is te veel beweging we zetten zegel wel erop op straat ergens”.

Omstreeks 19:28 uur chat [medeverdachte 1] naar [verdachte] “Ok friend” en “you can come”. Daarna probeert hij [verdachte] te bellen. [medeverdachte 3] probeert op datzelfde moment [verdachte] meerdere keren te bellen en chat naar hem “koffie”. [verdachte] komt om 19:30 uur opnieuw aanrijden met zijn vrachtwagen, rijdt achterwaarts de loods in en heeft contact met [medeverdachte 1] die op dat moment in de [chat naam] groepschat stuurt “Rijdr nu naar binnen”. Om 19:39 uur rijdt [verdachte] de vrachtwagen met de container weer uit de loods en rijdt hij richting de [adres 2] te Rotterdam. Het observatieteam achtervolgt [verdachte] en op een door hen gemaakte foto van 19:55 uur is te zien dat de container is voorzien van een geel zegel. Twee minuten nadat [verdachte] de loods verlaat rijdt [medeverdachte 1] de witte Volkswagen Caddy achterwaarts de loods in en om 19:56 uur rijdt hij de loods uit.

Hierna wordt [medeverdachte 1] buiten de loods aangehouden door de DSI en wordt een inval gedaan in de loods. [medeverdachte 3] wordt buiten de loods onder een voertuig aangetroffen en aangehouden. [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] worden links achterin de loods aangetroffen tussen pallets met opgeslagen hout en worden daar aangehouden.

[medeverdachte 3] heeft tussen 18:12 uur en 19:57 uur meerdere keren (via Whatsapp) gebeld met [alias 4] .

In de loods en in de Volkswagen Caddy worden (verpakt in de dozen met daarop het opschrift ‘fresh yams, product of Ghana’) in totaal 1.200 pakketten met verschillende logo’s aangetroffen met een nettogewicht van 1.001 gram per pakket. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek gedaan naar een hoeveelheid monsters die van de pakketten is afgenomen. Door het NFI is vastgesteld dat de inbeslaggenomen partij cocaïne betreft. Het totale nettogewicht van de aangetroffen cocaïne bedraagt 1.201,2 kilogram.

- De gebeurtenissen na de inval

Op 30 juli 2024 stuurt [verdachte] om 21:19 uur een foto naar [alias 4] met daarop de aan de [adres 2] in Rotterdam geparkeerde vrachtwagen met container. Op dat moment is de container niet langer voorzien van een geel zegel. Om 22:48 uur vraagt [verdachte] aan [alias 4] “Are you there?”. [alias 4] reageert op 31 juli 2024 om 00:40 uur met “Is problem in Place send e-mail to [bedrijf 1] ” en op de vraag van [verdachte] wat het probleem is reageert [alias 4] met “Police inside” en “Wiss chat”. [verdachte] stuurt “Arrange seal men”. Op

31 juli 2024 om 00:49 uur stuurt [verdachte] een vraagteken naar [medeverdachte 1] .

In de ochtend van 31 juli 2024 probeert [verdachte] contact te krijgen met [alias 4] . Om 12:23 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] die niet opneemt. In de tussentijd chat [medeverdachte 2] naar [verdachte] met de vraag waar de container is en of hij het nummer van [alias 4] kan geven. Kort daarna probeert [medeverdachte 2] [verdachte] te bellen. [verdachte] reageert met “I try to reach him”. Die avond om 20:04 uur chat [alias 4] naar [verdachte] “Call [bedrijf 1] ”. [verdachte] reageert direct hierop met “What about seal”, “They push my to bring container back” en “With thesame numbers”. Om 20:06 uur stuurt [verdachte] dat ‘ [bedrijf 1] ’ niet antwoordt en om 20:07 uur stuurt hij dat ‘ [alias 11] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) ook niet antwoordt.

In het tijdsbestek van 1 augustus 2024 tot en met 7 augustus 2024 hebben [verdachte] en [naam 1] van [bedrijf 4] (hierna: [naam 1] ) mailcontact over de nog uit te voeren douanescan. [verdachte] maakt uiteindelijk de afspraak voor de scan. Op 5 augustus 2024 chat [verdachte] naar één van zijn chauffeurs, [naam 2] , “Go to [adres 2] ”, “tomorrow after 9 h”, “Take refeer TLLU from [adres 2] and go to scan”. Hierna stuurt [verdachte] een foto van container [code 2] waarop te zien is dat de container is voorzien van een geel zegel. Op 6 augustus 2024 is de container terug vervoerd naar Antwerpen ( [naam 3] ) en mailt [verdachte] naar [naam 1] dat de scan gereed is.

4.4.2

De verklaring van [verdachte]

heeft verklaard dat hij de container met nummer [code 1] op 30 juli 2024 vanaf de haven in Antwerpen naar de loods aan de [adres 1] in [plaats 1] heeft vervoerd. Hij wist niet dat de container cocaïne bevatte. Ook wist hij niet dat de container in de loods is geopend en dat het zegel daarbij is verbroken. [verdachte] was op de hoogte van het feit dat een zegel van een container niet verbroken mag worden, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven door de douane. Het bedrag dat hij in cryptovaluta van [alias 4] heeft ontvangen, betreft een betaling van de huur van een magazijn dat [alias 4] van hem huurde.

4.4.3

Overwegingen van de rechtbank

4.4.3.1 Feit 1: medeplegen van invoer van cocaïne

Op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat

de container op 30 juli 2024 in de loods is geopend waarbij het zegel is verbroken. Door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] is de drugslading vervolgens gescheiden van de deklading (de yams) en is de container – gezien het feit dat er in de loods geen dozen met yams zijn aangetroffen – aangevuld met de dozen met yams die afkomstig zijn van de twee pallets die in de ochtend van 30 juli 2024 bij de loods zijn afgeleverd. Op die manier is de lading van de container in overeenstemming gebracht met de ‘bill of loading’. Hierna is een zegel op de container aangebracht dat identiek was aan het originele zegel. Zo is de container gereed gemaakt voor de douanescan, die dagenlang is uitgesteld en die vervolgens bewust pas na het uitladen van de cocaïne werd ingepland door [verdachte] .

Opzet (verlengde) invoer

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of kan worden vastgesteld dat [verdachte] de cocaïne opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft ingevoerd. Omdat vast staat dat [verdachte] de container met daarin de drugs vanuit Antwerpen naar de loods in [plaats 1] heeft vervoerd, gaat het voor de beantwoording van die vraag vooral om of [verdachte] wetenschap had van de cocaïne in de container die hij vervoerde.

Uit de tekst van artikel 1 vierde lid juncto artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet volgt wat onder het invoeren van verdovende middelen moet worden begrepen. Dit is niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de verdovende middelen zelf, maar ook het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van verdovende middelen (de zogenaamde ‘verlengde invoer’).

De rechtbank stelt voorop dat er in totaal 1.201,2 kilogram cocaïne in de loods en in de Volkswagen Caddy is aangetroffen. Een dergelijke hoeveelheid cocaïne heeft een straatwaarde van meerdere miljoenen euro’s. Het ging dus om een miljoenentransport, waarvan mag worden aangenomen dat dit niet aan willekeurige personen wordt toevertrouwd. Daarom acht de rechtbank het op grond van algemene ervaringsregels onaannemelijk dat er bij een dergelijk transport volstrekt onwetende personen worden betrokken. Dit brengt immers grote risico’s met zich mee, zoals ontdekking en verlies van de drugslading. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat de logistiek rond de invoering van verboden verdovende middelen complex is en dat daarbij meerdere personen betrokken zijn. Drugs moeten immers verhuld worden gesmokkeld. Alle individuele, identificeerbare handelingen van personen die betrekking hebben op die complexe logistiek moeten daarom in beginsel worden geacht te zijn gericht op de opzet tot het binnen het grondgebied van – in dit geval – Nederland brengen van deze verboden verdovende middelen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] op de hoogte was van de precieze inhoud van zijn vracht. Vol opzet op de invoer van cocaïne kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen. De vervolgvraag is of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet en of [verdachte] aldus bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich cocaïne in de door hem ingevoerde container bevond.

Allereerst overweegt de rechtbank hierover dat [verdachte] op meerdere momenten initiator was van of meegewerkt heeft aan gedragingen die wijzen op een illegaal transport. Al in februari 2023 biedt [verdachte] zich bij [alias 4] aan als transporteur voor “jobs legal or less legal” en presenteert hij de diensten die hij kan leveren als erg stil en discreet. Hoewel dit contact heeft plaatsgevonden voor de ten laste gelegde periode, leest de rechtbank in deze berichten wel een criminele intentie en maakt zij hieruit op dat [verdachte] , ongeacht de precieze inhoud van een transport, open staat voor illegale klussen.

Met diezelfde [alias 4] heeft [verdachte] later veelvuldig contact over de container waarin de cocaïne is vervoerd en van hem ontvangt hij – nadat hij in een gesprek dat gaat over container [code 2] vraagt om een voorschot – een bedrag van 20.000,00 USTD in cryptovaluta. De rechtbank acht het op basis van dit chatgesprek en de context waarin de betaling wordt gedaan onaannemelijk dat deze betaling betrekking heeft op de huur van een magazijn of een legaal transport. Het is immers niet gebruikelijk dat chauffeurs voor transporten in cryptovaluta worden betaald en dit enorme bedrag (dat bovendien slechts een voorschot zou zijn) staat niet in verhouding tot de verdiensten voor een doorsnee containertransport. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze betaling verband houdt met de invoer van de cocaïnecontainer.

Daarnaast wijkt het door [verdachte] op 30 juli 2024 uitgevoerde transport van de container op cruciale punten af van het geplande transport. [bedrijf 1] B.V. is het bedrijf van [medeverdachte 2] en staat op de officiële documenten vermeld als opdrachtgever van het transport. Desondanks wordt [verdachte] door [alias 4] aangestuurd en krijg hij de opdracht om

– zonder dat daarbij door [alias 4] een specifieke straat of locatie wordt genoemd – naar [plaats 1] te rijden. [verdachte] weet ondanks de summiere omschrijving van [alias 4] dat hij de container naar de loods moet vervoeren, verzoekt [medeverdachte 1] om rond te rijden en te kijken of er geen ‘vreemde auto’s’ in de omgeving zijn en levert de container – met daarin naast de cocaïne een versproduct (yams) – af bij een loods waarvan hij wist dat deze was ingericht als houtopslag. [verdachte] was immers al drie keer eerder in de loods geweest in de periode van 30 mei 2024 tot en met 3 juli 2024. Dit alles terwijl het geregistreerde afleveradres van de container [bedrijf 3] was, zijnde een opslagplaats gespecialiseerd in koelproducten. Vervolgens laat hij de container ruim een uur achter in de loods, voordat hij de container weer ophaalt en naar zijn eigen magazijn aan de [adres 2] brengt in plaats van naar het originele afleveradres in [plaats 3] .

Een ander belangrijk aspect bij de beoordeling van het voorwaardelijk opzet is de vraag of [verdachte] wist dat de container zou worden geopend in de loods. [verdachte] heeft hierover verklaard dat dit niet het geval was en dat hij bij het ophalen van de container bij de loods zag dat er een geel zegel was bevestigd op de container. Ook heeft hij verklaard dat hij op de hoogte is van het feit dat een zegel niet verbroken mag worden zonder dat daarvoor toestemming is gegeven door de douane. Daarentegen heeft [verdachte] ook verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de container naar de loods moest voor een controle van de inhoud van de container. Voor een controle zou de container geopend moeten worden, dus dit maakt de verklaring van [verdachte] innerlijk tegenstrijdig. De rechtbank beschouwt de verklaring van [verdachte] – voor zover die ziet op het gebrek aan wetenschap – als ongeloofwaardig en is van oordeel dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat het zegel zou worden verbroken in de loods. De rechtbank baseert dit oordeel op de door [verdachte] verzonden chatberichten waarin hij meerdere keren aan [alias 4] vraagt om een zegel met hetzelfde nummer, nadat hij (en vóórdat hij de container aflevert in de loods) een foto van het originele zegel van de cocaïnecontainer naar hem heeft gestuurd, terwijl uit de context van de gesprekken blijkt dat deze chats betrekking hebben op de cocaïnecontainer.

Hoewel op de foto die door het observatieteam na de inval om 19:55 uur is genomen onderweg naar de [adres 2] een geel zegel op de container is te zien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat dit een ander zegel is geweest dan het identieke zegel waar [verdachte] telkens naar vroeg en dat nodig was om de container terug naar Antwerpen te brengen, zonder dat er vermoedens van illegale praktijken zouden ontstaan. Immers, op de foto van de geparkeerde container die [verdachte] later op die avond heeft gemaakt en naar [alias 4] heeft verstuurd is geen zegel meer te zien en ook nadat [verdachte] via [alias 4] op de hoogte raakt van het feit dat de politie in de loods is geweest vraagt hij tot twee keer toe om het zegel, omdat hij wordt gepusht de container terug te brengen. Bovendien wordt in de [chat naam] groepschat – na het uitladen – besproken dat het zegel er weer op moet en dat de transporteur ergens op straat moet parkeren zodat het zegel daar erop geklikt kan worden, omdat er anders te veel beweging is bij de loods. Pas dagen later (vermoedelijk omdat op dat moment het identieke vervalste zegel beschikbaar is) wordt de container in opdracht van [verdachte] door één van zijn werknemers terug vervoerd naar Antwerpen en wordt de scan door de douane uitgevoerd.

Al het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] de wetenschap had dat hij een illegaal transport uitvoerde. Als het al zo zou zijn dat [verdachte] – zoals hij heeft verklaard – niet wist dat er verdovende middelen in de container zaten, dan heeft hij – gelet op de hiervoor uiteengezette gang van zaken in combinatie met de algemene ervaringsregels – minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat de container verdovende middelen bevatte. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat de hiervoor genoemde omstandigheden tenminste om nader onderzoek vragen. [verdachte] heeft, als ervaren chauffeur, echter op geen enkel moment nadere vragen gesteld of nader onderzoek gedaan naar of over bijvoorbeeld de reden dat de container in de loods moest worden afgeleverd of de staat van het zegel. Gelet hierop heeft [verdachte] zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er in de door hem vervoerde container drugs bevonden. Daarmee heeft [verdachte] tenminste voorwaardelijk opzet gehad op de (verlengde) invoer van de cocaïne.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat bij het begaan van het feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, dient rekening te worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en het belang van de rol van de verdachte.

Uit de feiten en omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een gezamenlijk plan. Het geheel van (achtereenvolgens) het laten vervoeren van de container vanuit Ghana naar Antwerpen, het regelen van nieuwe deklading, het vanuit Antwerpen vervoeren van de container naar [plaats 1] in plaats van de naar de in de papieren genoemde bestemming, de inzet van meerdere spotters op die route, het openbreken van de verzegeling van de container, het uitladen van de cocaïne uit de container buiten het zicht van de douane en het inladen van de cocaïne in de Volkswagen Caddy, het inladen van de deklading in de container, het aanbrengen van een vervalst zegel op de container en het terugbrengen van de container naar Antwerpen toont een proces van handelen dat naadloos op elkaar aansluit. Dit wijst op een gezamenlijke uitvoering die vooraf (grotendeels) onderling moet zijn afgestemd.

De rechtbank is van oordeel dat in dit proces sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de mededaders, waarbij [verdachte] niet alleen de essentiële taak had om de cocaïne van Antwerpen naar [plaats 1] te vervoeren, maar daarnaast een belangrijke schakel was in de informatievoorziening over de bewuste container naar de anderen. Tussen [verdachte] en de mededaders vond – al dan niet indirect – nauw overleg plaats. [verdachte] beschikte over cruciale informatie voor het snelle en soepele verloop van de invoer. Zo kon hij via het portaal de status van de container zien en gaf hij telkens zijn aankomsttijden door, zodat alle andere betrokkenen hierop konden anticiperen. Daarmee acht de rechtbank de door [verdachte] verrichte handelingen van dusdanig gewicht dat sprake is geweest van een intellectuele en materiële bijdrage aan de (verlengde) invoer van cocaïne.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan.

4.4.3.2 Feit 2: deelneming aan een criminele organisatie

Het beoordelingskader

Voor bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b Opiumwet moet worden vastgesteld dat:

sprake is geweest van een organisatie;

die organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet, en;

de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Volgens bestendige jurisprudentie is sprake van deelneming aan een criminele organisatie als de verdachte in zijn algemeenheid weet – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (in dit geval misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet). Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Daarnaast is voor deelneming vereist dat de deelnemer tot de organisatie moet behoren en dat de deelnemer een aandeel moet hebben in dan wel gedragingen dient te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het voldoen aan dergelijke vereisten veronderstelt opzet.

Overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , maar ook (onder meer) de vooralsnog niet geïdentificeerde [alias 4] met een zekere duurzaamheid en structuur. Deze organisatie had tot oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet vanaf het moment waarop de loods werd gehuurd door [naam 4] , die als katvanger fungeerde, zijnde 1 november 2023. Binnen dit samenwerkingsverband en bij de invoer van de cocaïne op

30 juli 2024 was sprake van een bepaalde rolverdeling. De ogenschijnlijke leider was [alias 4] , die in de chatcommunicatie ook gebruik maakte van andere namen waaronder [alias 6] en [alias 5] . Hij gaf opdrachten, stuurde de verdachten aan op afstand en regelde een vervalst zegel voor de drugscontainer. [medeverdachte 2] hield zich voornamelijk bezig met de inklaring van de drugscontainer waarvan zijn bedrijf [bedrijf 1] B.V. de ontvanger was, zodat het leek alsof het om legale handel ging. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] regelden de huur van de loods en daarmee de dekmantel voor de organisatie. Zij waren belangrijke uitvoerders die in nauw contact stonden met [alias 4] en waren vrijwel dagelijks in de loods in [plaats 1] aanwezig om het te doen lijken alsof daar normale bedrijvigheid plaatsvond, maar om in de tussentijd de drugslading te ontvangen. [verdachte] verrichte het drugstransport via zijn transportbedrijf [bedrijf 2] en stond in contact met meerdere leden van de criminele organisatie. Hij moest niet alleen de container vanuit de haven van Antwerpen naar [plaats 1] transporteren, maar had na het uithalen van de drugs ook de verantwoordelijkheid dat de container terug zou worden vervoerd voor de scan in Antwerpen. Er vonden meerdere fysieke ontmoetingen plaats bij de loods en [verdachte] had met diverse mededaders contact. Chats tussen [verdachte] en mededaders met belangrijke informatie, beslissingen of vragen werden doorgestuurd naar anderen om hen op de hoogte te houden. Dat in de ten laste gelegde periode sprake is van slechts één bewezen ontvangen drugszending, doet niet af aan de duurzaamheid van de samenwerking die nodig is om een dergelijk drugstransport te regelen.

De rechtbank is verder van oordeel dat in het geval van [verdachte] sprake was van deelneming aan de criminele organisatie. [verdachte] wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden en wat de rechtbank daarover heeft overwogen volgt dat [verdachte] zich bij [alias 4] aanbood voor ‘minder legale klussen’ en hij alle in eerdere overwegingen aangehaalde gedragingen zeer bewust heeft verricht en zich daarvoor fors liet betalen. In de handelingen van [verdachte] lag de intentie tot het plegen van strafbare feiten en daarmee dus ook de wetenschap – met betrekking tot het oogmerk van de organisatie – besloten.

Het ten laste gelegde onder feit 2 is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Afwijzing getuigenverzoeken

Door de raadsman is verzocht om [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en een douanemedewerker te horen als getuigen. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen. De eerder door deze getuigen afgelegde verklaringen zijn door de rechtbank niet gebruikt bij de bewijsvoering. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en de noodzakelijkheid van de uitvoering van de verzoeken voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv is niet gebleken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 juli 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

- binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en

- heeft afgeleverd, vervoerd en

- opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1.201 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en 10a eerste lid van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11b van de Opiumwet (OW) en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

5
De strafbaarheid van [verdachte]

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6. De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan [verdachte] zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij een bewezenverklaring een lagere straf op te leggen dan gevorderd en een gevangenisstraf van 42 maanden als uitgangspunt te nemen, gelet op de rol van [verdachte] in het geheel en op soortgelijke jurisprudentie.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De ernst van de feiten

[verdachte] heeft negen maanden lang deelgenomen aan een criminele organisatie die zich onder andere bezighield met de invoer van harddrugs in Nederland. Hij heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een enorme hoeveelheid cocaïne (ruim 1.201 kilogram), waarbij hij een essentiële rol in de uitvoering had. De geschatte straatwaarde van deze hoeveelheid cocaïne bedraagt tientallen miljoenen euro’s.

Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en brengen de maatschappij (financieel) nadeel toe. De criminele organisatie waartoe [verdachte] behoorde heeft een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de markt voor harddrugs in Nederland. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen stoffen bevatten die zeer verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van gebruikers. De rechtbank acht [verdachte] dan ook medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen voor gebruikers en hun omgeving heeft. Het plegen van dit soort feiten levert veel geld op voor de personen die betrokken zijn in de lijn van invoer tot aan de uiteindelijke verkoop van de verdovende middelen. [verdachte] heeft met zijn handelen laten zien dat hij deze criminele activiteiten en de nadelige gevolgen hiervan niet schuwt ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De persoon van [verdachte]

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 6 september 2025. Hieruit volgt dat hij recent niet is veroordeeld voor strafbare feiten en niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetfeiten. De rechtbank weegt het strafblad van [verdachte] niet in zijn nadeel en ook niet in zijn voordeel mee.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het over [verdachte] opgemaakte reclasseringsadvies van 28 maart 2025. Daaruit komt naar voren dat de reclassering geen delictgerelateerde factoren kan duiden, gelet op de ontkennende proceshouding van [verdachte] . Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. [verdachte] heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor de inzet van reclasseringsinterventies waarmee eventuele risico’s beperkt kunnen worden. Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij het in georganiseerd verband invoeren van de onderhavige hoeveelheid harddrugs wordt in de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van minstens zes jaren als uitgangspunt van denken genoemd. De rechtbank neemt dit dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf.

Gezien de ernst, aard en omvang van de gepleegde strafbare feiten en de essentiële rol die [verdachte] daarin heeft gehad, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. [verdachte] was niet ‘enkel’ de transporteur van de drugslading, maar stond in nauw contact met meerdere leden van de criminele organisatie. De rechtbank weegt in het nadeel van [verdachte] mee dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als vrachtwagenchauffeur en daar zijn transportbedrijf voor heeft gebruikt. [verdachte] bood zichzelf bewust aan voor het verrichten van illegale transportklussen. Daarmee heeft hij zijn verantwoordelijkheid en bevoegdheden als professional in de transportwereld ernstig misbruikt. Door dit misbruik wordt het vertrouwen in de transportsector – hetgeen een essentieel onderdeel vormt van de (globale) economische orde – geschaad.

Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

De voorlopige hechtenis

Gelet op voormelde bewezenverklaring en de duur van de aan [verdachte] op te leggen gevangenisstraf, zal de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. Uit de bewezenverklaring blijkt immers dat sprake is van ernstige bezwaren, en ook de gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid (waaronder de 12-jaarsgrond) zijn nog onverkort aanwezig.

7
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op het artikel 57 Sr.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2024, zaaksdossier A, AH216, pagina 405 e.v.