stelt het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 18.786,46;
legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 18.786,46 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 375 dagen;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en
mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, met onderzoeksnummer ONRAA23060, onderzoek Mais23, gesloten op 5 december 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH217, pagina’s 480-483):
Aanhouding en inbeslagname
Op, 26 augustus 2024, werd [veroordeelde] aangehouden als verdachte.
Onder de verdachte werd diens telefoon, merk Vivo, die hij bij zich droeg inbeslaggenomen onder beslagcode [code 1]. De desbetreffende telefoon werd voor nader onderzoek overgedragen aan het team digitale ondersteuning van de politie Oost-Nederland.
Gebruiker telefoon
Dat verdachte [veroordeelde] de gebruiker was van die telefoon kan blijken uit het volgende:
- De telefoon droeg hij bij zich toen hij werd aangehouden.
- Hij verstrekte de toegangscode.
Chat [alias] en [veroordeelde]
Ik verbalisant zag in de veiliggestelde gegevens een chat tussen de gebruikers
[telefoonnummer 1] [alias] en [telefoonnummer 2] [veroordeelde] (owner)
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [veroordeelde] van 6 september 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, VE08.03, pagina 1500 e.v.):
O: In je telefoon hebben wij een chat aangetroffen tussen jou en [alias] met het nummer [telefoonnummer 1].
V: Bij wie hoort het telefoonnummer [telefoonnummer 1]?
O: De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1] noemt zichzelf [medeverdachte].
V: Geen verdere gegevens over die [medeverdachte], geen adres, geen ander nummer?
A. Hij heet [medeverdachte] .
V: Dus [alias] is [medeverdachte] ?
A: Ja.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH229, pagina 517):
Uit proces-verbaal met documentnummer AH217 blijkt in een gesprek tussen verdachte [veroordeelde] en contactpersoon “[alias]” cryptovaluta adressen en transacties gedeeld worden. Op pagina 3 bovenaan van dit proces-verbaal blijkt dat [veroordeelde] op 29 juli 2024 om 14:13 uur een QR-code met een Pools bericht stuurt van een Trust Wallet waarin het adres [code 2] wordt gedeeld.
Enkele minuten later wordt hierop gereageerd door “[alias]” met een screenshot van een uitgaande betaling van 20.000 USDT. USDT is een cryptovaluta gekoppeld aan de US dollar en vertegenwoordigd daarmee dezelfde waarde. De opmaak van deze transactie is mij, verbalisant, bekend als de Trust Wallet applicatie.
Kort hierna wordt in de chat gereageerd door [veroordeelde] met een screenshot van een binnenkomende betaling van 20.000 USDT en “Thank you”. Dezelfde opmaak het vorige screenshot, mij bekend als de Trust Wallet applicatie.
4. Het proces-verbaal van bevindingen van 2 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH367, pagina’s 868 en 875):
Verzoek raadsman [veroordeelde]
Ten aanzien van het bovenstaande is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:
1. Is er in de telefoon van [veroordeelde] informatie te vinden dat de overboeking door [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [alias]) naar hem a 20.000 USDT te relateren is aan de huurkosten (en een achterstand daarvan) van een loods/magazijn?
In de chat komt “warehouse” niet voor en is er ook geen verwijzing naar een achterstand van de huur te zien.
Na de overboeking gaat de chat verder over - het transport van - de container [code 3] waarin de cocaïne is vervoerd.