Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2025:6870

Op 28 November 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-274509-24 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2025:6870. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-274509-24 (ontneming)
Datum uitspraak:
28 November 2025
Datum publicatie:
28 November 2025

Indicatie

Onderzoek Maïs23, ontneming – de veroordeelde heeft wederrechtelijk voordeel verkregen door het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne. De rechtbank stelt vast dat het voordeel € 18.786,46 bedraagt en legt aan de veroordeelde een betalingsverplichting op van dat bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-274509-24 (ontneming)

Datum vonnis: 28 november 2025

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),

nu verblijvende in de P.I. [locatie],

hierna: [veroordeelde].

1
De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie vorderen dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een (afgerond) bedrag van € 30.063,00.

2
De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 13 oktober 2025 en

14 november 2025. [veroordeelde], bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, is op de terechtzitting van 13 oktober 2025 verschenen en op de vordering gehoord. De officieren van justitie en de raadsman hebben hun standpunten over de vordering kenbaar gemaakt.

Op de terechtzitting van 14 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich bij de bepaling van de omvang van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het ontnemingsrapport van

12 november 2024. Ter terechtzitting van 13 oktober 2025 hebben de officieren van justitie verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 30.063,03.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen, vanwege de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering tot ontneming slechts deels voor toewijzing in aanmerking komt, namelijk tot een bedrag van 20.000,00 USDT omgerekend naar Euro’s. Het overige deel van de vordering (12.005,00 USDT omgerekend naar Euro’s) is herleidbaar naar containervervoer uit Le Havre in opdracht van een fruitbedrijf. Voor dat deel van de vordering zijn daarom onvoldoende aanwijzingen dat dit bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.

Overwegingen

3
De beoordeling van de vordering
3.1

Veroordeling

[veroordeelde] is bij vonnis van deze rechtbank van 28 november 2025 in de onderliggende strafzaak met bovengenoemd parketnummer veroordeeld voor de strafbare feiten:

feit 1

op 30 juli 2024, de misdrijven:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2

in de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juli 2024, het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] door het plegen van de hiervoor genoemde strafbare feiten, zoals bewezenverklaard in het hiervoor genoemde vonnis, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering tot ontneming samenhangende strafdossier met daarin het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 12 november 2024. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.

Ontvangen geldbedrag in crypto wallet op 29 juli 2024

Uit het strafdossier is gebleken dat [veroordeelde] op 30 juli 2024 een container met ongeveer 1.201 kilogram cocaïne heeft vervoerd vanaf de haven van Antwerpen naar een loods in [plaats]. Uit onderzoek naar de gegevens op de onder [veroordeelde] inbeslaggenomen telefoon, merk Vivo, is gebleken dat hij Whatsapp-contact onderhield met de gebruiker

[alias]’. [veroordeelde] heeft verklaard dat dit dezelfde persoon is als de persoon die in andere chatgesprekken over het cocaïnetransport op 30 juni 2024 gebruik maakt van de naam ‘[medeverdachte] ’ ([alias] wordt hierna dan ook [medeverdachte] genoemd). Dit betreft de ogenschijnlijke leider van de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor dit drugstransport en degene die [veroordeelde] opdrachten gaf met betrekking tot de specifieke container.

In een Whatsapp-bericht van 29 juli 2024 vraagt [veroordeelde] aan [medeverdachte] om een “voorshot” (de rechtbank begrijpt: voorschot), waarop [medeverdachte] “Send Wallet” antwoordt. [veroordeelde] deelt daarop een QR-code van een Trust Wallet. Enkele minuten later stuurt [medeverdachte] een schermafbeelding van een uitgaande betaling van 20.000,00 USDT. Kort daarna reageert [veroordeelde] met een schermafbeelding van een binnenkomende betaling van 20.000,00 USDT en “Thank you”.

[veroordeelde] heeft verklaard dat deze betaling zag op de huur(achterstand) van een magazijn dat [medeverdachte] van hem huurde. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, nu uit nader onderzoek is gebleken dat de chatcommunicatie tussen [veroordeelde] en [medeverdachte] in zijn geheel gerelateerd is aan het transport van containers en niet aan de huur van een magazijn. Zo gaat de chat na de overboeking direct verder over (het transport van) de container waarin de cocaïne is vervoerd. Daarbij komt dat de betaling door [medeverdachte] een dag voor het drugstransport is verricht, waardoor de rechtbank het zeer aannemelijk acht dat deze betaling verband houdt met de invoer van de drugscontainer.

Ontvangen geldbedragen in crypto wallet op 13 en 14 juni 2024

Uit het onderzoek van de politie volgt dat [medeverdachte] nog twee betalingen aan [veroordeelde] heeft verricht ter hoogte van 5,00 USDT en 12.000,00 USDT op respectievelijk 13 en 14 juni 2024. Dit was het restbedrag van een totaalbedrag dat [veroordeelde] in rekening had gebracht bij ‘[bedrijf]’ voor het transporteren van acht containers vanuit “la havre”. Gelet op de inhoud van de chats lijkt het hier te gaan om de haven(stad) Le Havre in Frankrijk.

De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de laatstgenoemde twee geldbedragen in rechtstreeks verband staan met een drugstransport, althans enig strafbaar feit, en dus wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen. Het is immers niet uit te sluiten dat deze betalingen op een legaal transport zien. De rechtbank zal het bedrag van 12.005,00 USDT daarom niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] op 29 juli 2024 een voorschot van 20.000,00 USDT heeft ontvangen op de te ontvangen beloning voor de uitvoering van het drugstransport op 30 juli 2024. Daarmee betreft dit bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij het omrekenen van voornoemd bedrag maakt de rechtbank gebruik van de historische wisselkoers van 30 juli 2024, zoals ook in de ontnemingsrapportage is gebruikt, waarbij

1 USDT gelijk staat aan € 0,9393230.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] vast op € 18.786,46.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan [veroordeelde] de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 18.786,46.

4
De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e, tweede lid, Sr.

5
De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 18.786,46;

legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 18.786,46 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 375 dagen;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Miltenburg, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en

mr. R.A. Heblij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Mr. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, met onderzoeksnummer ONRAA23060, onderzoek Mais23, gesloten op 5 december 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH217, pagina’s 480-483):

Aanhouding en inbeslagname

Op, 26 augustus 2024, werd [veroordeelde] aangehouden als verdachte.

Onder de verdachte werd diens telefoon, merk Vivo, die hij bij zich droeg inbeslaggenomen onder beslagcode [code 1]. De desbetreffende telefoon werd voor nader onderzoek overgedragen aan het team digitale ondersteuning van de politie Oost-Nederland.

Gebruiker telefoon

Dat verdachte [veroordeelde] de gebruiker was van die telefoon kan blijken uit het volgende:

- De telefoon droeg hij bij zich toen hij werd aangehouden.

- Hij verstrekte de toegangscode.

Chat [alias] en [veroordeelde]

Ik verbalisant zag in de veiliggestelde gegevens een chat tussen de gebruikers

[telefoonnummer 1] [alias] en [telefoonnummer 2] [veroordeelde] (owner)

[Afbeelding]

[Afbeelding]

[Afbeelding]

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [veroordeelde] van 6 september 2024, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, VE08.03, pagina 1500 e.v.):

O: In je telefoon hebben wij een chat aangetroffen tussen jou en [alias] met het nummer [telefoonnummer 1].

V: Bij wie hoort het telefoonnummer [telefoonnummer 1]?

O: De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1] noemt zichzelf [medeverdachte].

V: Geen verdere gegevens over die [medeverdachte], geen adres, geen ander nummer?

A. Hij heet [medeverdachte] .

V: Dus [alias] is [medeverdachte] ?

A: Ja.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH229, pagina 517):

Uit proces-verbaal met documentnummer AH217 blijkt in een gesprek tussen verdachte [veroordeelde] en contactpersoon “[alias]” cryptovaluta adressen en transacties gedeeld worden. Op pagina 3 bovenaan van dit proces-verbaal blijkt dat [veroordeelde] op 29 juli 2024 om 14:13 uur een QR-code met een Pools bericht stuurt van een Trust Wallet waarin het adres [code 2] wordt gedeeld.

Enkele minuten later wordt hierop gereageerd door “[alias]” met een screenshot van een uitgaande betaling van 20.000 USDT. USDT is een cryptovaluta gekoppeld aan de US dollar en vertegenwoordigd daarmee dezelfde waarde. De opmaak van deze transactie is mij, verbalisant, bekend als de Trust Wallet applicatie.

Kort hierna wordt in de chat gereageerd door [veroordeelde] met een screenshot van een binnenkomende betaling van 20.000 USDT en “Thank you”. Dezelfde opmaak het vorige screenshot, mij bekend als de Trust Wallet applicatie.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 2 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (zaaksdossier A, AH367, pagina’s 868 en 875):

Verzoek raadsman [veroordeelde]

Ten aanzien van het bovenstaande is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:

1. Is er in de telefoon van [veroordeelde] informatie te vinden dat de overboeking door [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [alias]) naar hem a 20.000 USDT te relateren is aan de huurkosten (en een achterstand daarvan) van een loods/magazijn?

Chat met [alias]

In de chat komt “warehouse” niet voor en is er ook geen verwijzing naar een achterstand van de huur te zien.

Na de overboeking gaat de chat verder over - het transport van - de container [code 3] waarin de cocaïne is vervoerd.