Strafrecht overig

Veroordeling voor het medeplegen van brandstichting. De medeverdachte heeft de brandstichtingshandelingen…

Rechtbank Overijssel, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
08.105137.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5847
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het medeplegen van brandstichting. De medeverdachte heeft de brandstichtingshandelingen uitgevoerd, maar de verdachte heeft het ontsteken van de brandbom in alle opzichten gefaciliteerd. Daarmee heeft hij een wezenlijk materiële bijdrage aan de brandstichting geleverd die van voldoende gewicht is om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Vrijspraak voorbereidingshandelingen, omdat de verdachte die voorbereidingshandelingen niet in de gemeente Hengelo (O) heeft gepleegd zoals ten laste is gelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.105137.25 (P)

Datum vonnis: 29 september 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,

wonende aan het [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 september 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich schuldig heeft gemaakt voorbereidingshandelingen voor brandstichting te hebben verricht;

feit 2: (primair) met een ander opzettelijk brand heeft gesticht, waardoor gevaar voor goederen en/of levensgevaar /gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was, dan wel (subsidiair) dat verdachte daaraan medeplichtig is geweest.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 12 december 2023 te [plaats] , in de gemeente [plaats] ,

ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke

brandstichting terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (art. 157 Sr.),

opzettelijk

- een aansteker en/of

- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd,

doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 12 december 2023 te [plaats] omstreeks 02:30 uur, in de

gemeente [plaats]

(O),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan/bij een woning, gelegen op/aan de [adres] ,

opzettelijk

- brand heeft gesticht door met een kartonnen doos naar en/of in de richting van de

voordeur van voornoemde woning te lopen en/of (daarbij)

- voornoemde kartonnen doos, inhoudende onder meer een vloeistof en/of een

brandbare en/of (licht) ontvlambare stof, tegen en/of nabij voornoemde voordeur

te plaatsen en/of (vervolgens)

- met een aansteker, althans met open vuur, voornoemde kartonnen doos en/of die

vloeistof en/of brandbare stof en/of die (licht)ontvlambare stof aan te steken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning

en/of één of meer de(e)l(en) van het interieur van die woning en/of voor één of

meer naastgelegen en/of geschakelde woning(en) en/of levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten één of meer bewoner(s)

woonachtig in perceel [adres] en/of voor één of meer bewoner(s) van

naastgelegen en/of geschakelde woning(en) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 december 2023 te [plaats] omstreeks 02:30 uur, in de

gemeente [plaats]

(O),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan/bij een woning, gelegen op/aan de [adres] ,

opzettelijk

- brand heeft gesticht door met een kartonnen doos naar en/of in de richting van de

voordeur van voornoemde woning te lopen en/of (daarbij)

- voornoemde kartonnen doos, inhoudende onder meer een vloeistof en/of een

brandbare en/of (licht) ontvlambare stof, tegen en/of nabij voornoemde voordeur

te plaatsen en/of (vervolgens)

- met een aansteker, althans met open vuur, voornoemde kartonnen doos en/of die

vloeistof en/of brandbare stof en/of die (licht)ontvlambare stof aan te steken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning

en/of één of meer de(e)l(en) van het interieur van die woning en/of voor één of

meer naastgelegen en/of geschakelde woning(en) en/of levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten één of meer bewoner(s)

woonachtig in perceel [adres] en/of voor één of meer bewoner(s) van

naastgelegen en/of geschakelde woning(en) te duchten was,

tot en/of bij welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12 december 2023 te [plaats]

omstreeks 02:30 uur, in de gemeente [plaats] , opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door die

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven daders in een auto naar (de

omgeving van) voornoemde woning te vervoeren en/of door voorwerpen en/of

stoffen aan te schaffen;

3 De bewijsmotivering

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen. De bijdrage van verdachte is wel te kwalificeren als medeplichtigheid.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 1: omdat niet kan worden bewezen dat de brandstof en de aansteker kennelijk bestemd waren tot het begaan van de beoogde misdrijven én omdat het opzet van verdachte niet kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 primair: omdat direct of indirect redengevende feiten en omstandigheden voor de strafbare betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting ontbreken. Bovendien geldt voor feit 2 primair en feit 2 subsidiair dat verdachte niet wist dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) brand zou stichten, zodat niet is voldaan aan het vereiste van dubbele opzet.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 12 december 2023 omstreeks 02:30 uur heeft [medeverdachte] brand gesticht bij een woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft bij de voordeur van deze woning een zelfgemaakte brandbom, bestaande uit een Cobra 6 en een kartonnen doos met daarin een fles benzine, aangestoken met een aansteker en is vervolgens weggerend.

Door die brandstichting is gemeen gevaar voor goederen in die woning ontstaan. Uit forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat het aansteken van de brandbom tot een ontploffing heeft geleid, waardoor de voordeur en de schuifpui geheel zijn ontzet en de ramen naast de voordeur en in de schuifpui zijn gesprongen. Een gedeelte van de brand is vervolgens naar binnen geslagen, de hal en woonkamer in. Beide ruimtes hebben brandschade opgelopen.

De brand is midden in de nacht gesticht. De bewoners, een gezin met kinderen, lagen op dat moment op de eerste verdieping te slapen. Het was voorzienbaar dat op dat tijdstip personen in de woning aanwezig waren. Naar algemene ervaringsregels levert een nachtelijke brandstichting een groot gevaar voor de bewoners op, aangezien de kans dat de brand onontdekt blijft dan aanzienlijk is. Dit klemt nog eens te meer nu de brand bij de belangrijkste vluchtweg is gesticht. Indien de brand niet tijdig geblust had kunnen worden, had het vuur de vluchtroute voor de bewoners via de trap, die uitkomt op de hal, naar alle waarschijnlijkheid afgesloten. De rechtbank acht op grond van deze feiten en omstandigheden bewezen dat ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten de bewoners van de woning aan de [adres] in [plaats] , te duchten was.

Gedragingen verdachte

Verdachte heeft [medeverdachte] in de nacht van 11 op 12 december 2023 met zijn, verdachtes, Toyota Aygo naar [plaats] vervoerd. Ze zaten met z’n tweeën in de auto. In [plaats] heeft [medeverdachte] hem verteld waar hij moest wachten. [medeverdachte] stapte uit en verdachte heeft gewacht totdat [medeverdachte] terugkwam. Tijdens het wachten hoorde hij een harde knal. Ongeveer vijf minuten later kwam [medeverdachte] rennend terug. Vervolgens zijn ze weer naar Arnhem gereden.

Voorafgaand aan hun reis naar [plaats] is die nacht om 00:58 uur vanaf de bankrekening van verdachte € 2,88 betaald via Apple Pay bij Shell Salvatorplein Arnhem. Dit heeft betrekking op de aankoop van 1,50 liter benzine.

Tijdens de zitting heeft verdachte ontkend dat hij de benzine heeft gekocht. Hij heeft verklaard dat hij in de avond van 11 op 12 december 2023 met jongens uit de buurt bij Casino Suikerland in Arnhem stond. Een van die jongens was [medeverdachte] , die hij wel eens in de buurt had gezien maar niet zo goed kent. [medeverdachte] vroeg op enig moment om zijn pinpas, omdat [medeverdachte] honger had en eten wilde halen. [medeverdachte] beloofde hem € 50,00 te geven voor een rit naar [plaats] en terug en voor het eten. Verdachte heeft zijn telefoon met pincode meegegeven. [medeverdachte] liep de hoek om, richting een pizzeria. Verdachte denkt dat [medeverdachte] echter naar het Shell tankstation is gelopen dat daar vlakbij zit en toen benzine heeft getankt. Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet goed – ‘van gezicht’ – kende. Ook heeft hij gezegd dat zijn bijnaam ‘ [alias] ’ is.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de gang van zaken rond de aankoop van de benzine ongeloofwaardig. Verdachte heeft deze verklaring pas tijdens de zitting afgelegd, toen hij bekend was met de inhoud van het dossier. Daarnaast heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd: de ene keer zou hij zijn telefoon hebben gegeven, de andere keer zijn pinpas. Zijn verklaring over deze aankoop door [medeverdachte] wordt door niets in het dossier ondersteund. Daarnaast acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte zijn mobiele telefoon (dan wel pinpas) met pincode aan iemand zou afgeven die hij amper kent. Bovendien had verdachte naar eigen zeggen niets met [medeverdachte] afgesproken over het bedrag dat [medeverdachte] aan eten mocht besteden. Dat acht de rechtbank ongeloofwaardig, gezien de vaste vergoeding van maar € 50,00 die [medeverdachte] hem zou geven voor het rijden naar [plaats] en terug (inclusief vergoeding voor de brandstof) – een afstand van bijna 200 kilometer – én voor het eten. De rechtbank zal deze verklaring daarom als ongeloofwaardig terzijde schuiven.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte de 1,50 liter benzine zelf heeft gekocht.

Op de telefoon van [medeverdachte] is een video-bestand aangetroffen van een frisdrankfles waarin zich een doorzichtige vloeistof bevindt. Met zilverkleurig/grijs plakband zijn daar twee voorwerpen aan vastgeplakt die voorzien zijn van een lont. Op de achtergrond is een achterlicht van een Toyota Aygo en het woord ‘Aygo’ te lezen. Deze video is gemaakt op 12 december 2023 om 01:07 uur. Dat is negen minuten na aankoop van de benzine.

Diezelfde nacht, om 01:54 uur, is vanaf de bankrekening van verdachte € 7,58 betaald via Apple Pay bij het tankstation BP Koerhuis in Deventer. Verdachte heeft verklaard dat hij daar – onder meer – een lichtblauwe aansteker van het merk ‘BIC’ heeft aangeschaft.

Op de telefoon van [medeverdachte] is een video-bestand aangetroffen waarbij de filmer – de bijrijder (zo is te zien op het screenshot in het dossier) in een personenauto, waarvan het interieur overeenkomt met dat van een Toyota Aygo – een lichtblauwe aansteker van het merk ‘BIC’ in zijn hand heeft. Deze video is gemaakt op 12 december 2023 om 01:56 uur: twee minuten na aankoop van de aansteker.

De ontploffing bij de woning aan de [adres] in [plaats] heeft rond 02:30 uur plaatsgevonden.

Op de telefoon van [medeverdachte] zijn een aantal video-bestanden aangetroffen:

- Video-bestand 5, gemaakt op 12 december 2023 om 02:50 uur. In deze opname is te horen:

Persoon 1:

Broer ik ben al weg, ik ben al weg. Die plakband kon ik niet plakken bij de deur, omdat euh.. Hij ging los. Dus ik heb die snel bij de deur heel dichtbij gelegd. En toen ging die ding kanker hard af. Je kan [alias] vragen. Zeg hem...He?

Persoon2:

Het was één kanker harde explosie broer.

- Video-bestand 7, gemaakt op 12 december 2023 om 02:50 uur. In deze opname is te horen:

Persoon 1:

Ik sta sowieso op de camera man, want hij heeft zo’n security camera deur je weet toch?

Persoon 2:

Heb je die (niet te verstaan) niet opgedaan?

Persoon 1:

Niet helemaal

- Video-bestand 8, gemaakt op 12 december 2023 om 02:54 uur. In deze opname is te horen:

Persoon 1:

Pap, ik was bijna m’n sleutel kwijt man dus ik moest wel... Terug euh.. .Rijden.. Om m’n sleutel te pakken. Het was echt een kanker grote broer.. Bom broer! Ik zeg jou broer. Want [alias] stond denk ik... Hoever stond je van mij? Tien?

Persoon 2:

Broer. Misschien vijf minuten ofzo. Acht minuten..

Die bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien leveren voldoende aanknopingspunten op om aan te nemen dat verdachte betrokken is geweest bij de brandstichting, en dat zijn opzet daar ook op was gericht. De rechtbank stelt vast dat verdachte in de nacht van de brandstichting op twee verschillende locaties eerst anderhalve liter benzine en vervolgens een aansteker heeft gekocht. Negen minuten na de aankoop van de benzine is een opname gemaakt van de in elkaar geknutselde brandbom nabij de auto van verdachte. Vervolgens rijdt verdachte met [medeverdachte] , de brandbom en de door verdachte aangeschafte aansteker naar [plaats] . Na de ontploffing rijden zij samen terug en praten over het gebeurde. In die gesprekken praat verdachte kalm over de ontploffing, en blijkt verdachte te weten van de wijze waarop [medeverdachte] de brandstichting uit wilde voeren (in video-bestand 7 zegt verdachte, nadat [medeverdachte] hem verteld heeft dat hij is te zien op de camera: ‘Heb je die (niet te verstaan) niet opgedaan?’). Uit al deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat het verdachte, voordat het plan werd uitgevoerd, duidelijk moet zijn geweest dat [medeverdachte] brand zou stichten.

Medeplegen of medeplichtigheid?

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Hoewel [medeverdachte] de daadwerkelijke brandstichtingshandelingen heeft uitgevoerd, heeft verdachte het ontsteken van de brandbom in alle opzichten gefaciliteerd. Hij heeft de benzine aangeschaft en betaald, de aansteker gekocht en het vervoer naar en van de plaats delict verzorgd. In onderlinge samenhang bezien heeft hij daarmee een wezenlijk materiële bijdrage aan de brandstichting geleverd die van voldoende gewicht is om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande blijkt dat verdachte die handelingen bewust heeft begaan zodat [medeverdachte] de brandstichtingshandelingen kon uitvoeren. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de brandstichting in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd.

Feit 1

Voor een bewezenverklaring van feit 1 moet, gezien de formulering van de tenlastelegging, komen vast te staan dat verdachte voorbereidingshandelingen voor brandstichting heeft gepleegd in (de gemeente) [plaats] , (elders) in Nederland is niet ten laste gelegd. De benzine en de aansteker zijn elders in Nederland gekocht. Op grond van het dossier en de behandeling ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte de voorbereidingshandelingen ook in [plaats] heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

2

hij op of omstreeks 12 december 2023 te [plaats] omstreeks 02:30 uur, in de

gemeente [plaats] ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan/bij een woning, gelegen op/aan de [adres] ,

opzettelijk

- brand heeft gesticht door met een kartonnen doos naar en/of in de richting van de

voordeur van voornoemde woning te lopen en/of (daarbij)

- voornoemde kartonnen doos, inhoudende onder meer een vloeistof en/of een

brandbare en/of (licht) ontvlambare stof, tegen en/of nabij voornoemde voordeur

te plaatsen en/of (vervolgens)

- met een aansteker, althans met open vuur, voornoemde kartonnen doos en/of die

vloeistof en/of brandbare stof en/of die (licht)ontvlambare stof aan te steken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning

en/of één of meer de(e)l(en) van het interieur van die woning en/of voor één of

meer naastgelegen en/of geschakelde woning(en) en/of levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten één of meer bewoner(s)

woonachtig in perceel [adres] en/of voor één of meer bewoner(s) van

naastgelegen en/of geschakelde woning(en) te duchten was;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

de meerdaadse samenloop van:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

5 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6 De op te leggen straf of maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden dienen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, de lange tijd dat deze strafzaak boven zijn hoofd heeft gehangen en zijn kleine rol in vergelijking met die van [medeverdachte] . Hij heeft bepleit om een maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Het feit

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan brandstichting bij een woning. Dat heeft een ontploffing teweeggebracht. De woning is daardoor fors beschadigd. Ook was levensgevaar te duchten voor de bewoners van de woning, die op dat moment lagen te slapen. Als de brand niet tijdig was geblust, had het vuur de vluchtroute voor de bewoners via de trap, die uitkomt op de hal, naar alle waarschijnlijkheid afgesloten. Verdachte is daar ten tijde van het plegen van het feit kennelijk geheel aan voorbij gegaan. Dergelijke feiten veroorzaken, afgezien van grote materiële schade, ook langdurige gevoelens van angst bij de bewoners en grote maatschappelijke onrust.

Persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 24 augustus 2026. Hieruit blijkt dat hij eenmaal eerder is veroordeeld (zij het al in 2018, voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting) en dat hem eerder strafbeschikkingen door de officier van justitie zijn opgelegd (niet voor soortgelijke feiten).

In het reclasseringsadvies van 3 september 2026 rapporteert de reclassering dat bij het bespreken van de leefgebieden van verdachte zorgelijke risicosignalen naar voren komen, zoals het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn sociaal netwerk en zijn lachgasgebruik. Hoewel de situatie op praktisch vlak stabiel oogt, is reclasseringsbemoeienis volgens de reclassering noodzakelijk. Dit is nodig om meer grip op verdachte te krijgen en de risico's op de leefgebieden verder te onderzoeken en te beperken. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte is het cruciaal dat hij zijn praktische stabiliteit behoudt en maatschappelijke teloorgang wordt voorkomen. De reclassering adviseert een meldplicht, ambulante behandeling en diagnostiek en een gedragstraining gericht op cognitieve vaardigheden als bijzondere voorwaarden.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De door de raadsman bepleite maximale taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf doen geen recht aan de ernst van het feit.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In het bijzonder aan medeverdachte [medeverdachte] (ECLI:NL:RBOVE:2024:3169). Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.

Omdat het aandeel in de brandstichting van verdachte kleiner is dan [medeverdachte] (die de daadwerkelijke brandstichtingshandelingen heeft uitgevoerd en een organiserende rol had, zo blijkt uit het dossier) acht de rechtbank voor verdachte een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.

Anders dan door de raadsman is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop niet strafmatigend dient mee te wegen. Sinds de brandstichting op 12 december 2023 is inderdaad een langere tijd verstreken, maar het is aan verdachte te wijten dat de strafzaak sinds die tijd boven zijn hoofd heeft gehangen. Want pas na uitgebreid onderzoek door de politie is hij in beeld gekomen, en als gevolg daarvan pas op 11 maart 2025 door de politie gehoord (waarbij hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen).

De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering.

7 De schade van benadeelden

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich elk afzonderlijk als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vorderen ieder verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Tevens hebben de benadeelde partijen verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat aannemelijk is dat de benadeelden geen schade meer hebben. [medeverdachte] is al in 2024 onherroepelijk veroordeeld en volgens de raadsman kan het niet anders dan dat de schade van de benadeelden al is vergoed, al dan niet door het CJIB.

7.4

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing van de drie vorderingen voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade hebben geleden. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zozeer voor de hand liggen dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) sprake is.

De rechtbank zal het door elk van de benadeelden gevorderde bedrag van € 4.000,00, telkens te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, toewijzen, omdat zij deze bedragen billijk acht.

Omdat de verdachte het de strafbare feit samen met [medeverdachte] heeft gepleegd, zijn zij voor de daardoor ontstane schade op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover al een bedrag aan schadevergoeding aan de benadeelde partij(en) is betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij(en) te betalen.

7.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met de navolgende dagen gijzeling:

  • vordering [benadeelde 1] 40 dagen

  • vordering [benadeelde 2] 40 dagen

  • vordering [benadeelde 3] 40 dagen

Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2 primair, de meerdaadse samenloop van:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB in Arnhem of op het telefoonnummer 088-8044111. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, emotieregulatie en cognitieve vaardigheden;

- als de reclassering het noodzakelijk acht, binnen de proeftijd deelneemt aan de

gedragsinterventie CoVa-plus/Solo van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

Schadevergoeding [benadeelde 1]

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2) toe tot een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro) bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van een bedrag van

€ 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader is/zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Schadevergoeding [benadeelde 2]

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2) toe tot een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro) bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van een bedrag van

€ 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader is/zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

Schadevergoeding [benadeelde 3]

- wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde 3] (feit 2) toe tot een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro) bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van een bedrag van

€ 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023, met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader is/zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Waard, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. A.N. Neumann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Mr. J.P. Ponsteen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2023570971 / ON2R023088. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 17 juni 2024 in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] , met parketnummer 08.332266.23. Dit vonnis is een beslissing in de wettelijke vorm opgemaakt door een college met rechtspraak belast als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 1, Sv. Voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bekennende verklaring van [ [medeverdachte] ].

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [ [medeverdachte] ] het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 december 2023 te [plaats] omstreeks 02:30 uur, in de gemeente [plaats] bij een woning, gelegen aan de [adres] ,

opzettelijk brand heeft gesticht door met een kartonnen doos naar de voordeur van voornoemde woning te lopen en daarbij voornoemde kartonnen doos, inhoudende onder meer een brandbare en (licht) ontvlambare stof, nabij voornoemde voordeur te plaatsen en vervolgens met een aansteker voornoemde kartonnen doos aan te steken,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en delen van het interieur van die woning

en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten bewoners woonachtig in perceel [adres] te duchten was.

2. Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde 1] op pagina 20 tot en met 22 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij lagen te slapen. Wij waren alle vier thuis. Hiermee bedoel ik, mijn vrouw,

mijzelf en onze twee kinderen. Om ongeveer half 3 schrokken wij op van een harde knal. Mijn vrouw schreeuwde "dit is bij ons!". Ik heb haar gezegd dat ze de kinderen uit bed moest halen en naar beneden moest gaan. Ik ben meteen naar beneden gegaan om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag dat er brand was bij de voordeur. Ik voelde ook een enorme hitte en door het slaapkamerraam kwam al rook naar binnen. Ik zag dat het zijraam er helemaal uit lag. Mijn vrouw en de kinderen waren toen al in de tuin. De vlammenzee was vrij hoor. Het vuur sloeg echt de hoogte in.

3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek op pagina 208 tot en met 214 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, stelde een onderzoek in bij perceel [adres] te

[plaats] . Ik zag voor de voordeur glas liggen en naast de voordeur zag ik een raam dat geheel stuk was. Ik zag brandschade aan de vloermat voor de voordeur en ik zag roetinwerking veroorzaakt door een onvolledige verbranding. Ik stelde vast dat er kennelijk een ontploffing was geweest. Ik zag dat een lamp uit het plafond hing. Ik zag ook dat de dubbele ruit van de woonkamer volledig stuk was. Ik zag in de hal brandschade aan de muur naast de voordeur. Ik zag dat de woonkamerruit, die kapot gegaan was door de ontploffing, tijdelijk afgeplakt was. Van de brandplek op de muur stelde ik vast dat deze is ontstaan doordat er brandbare vloeistof onder de deur door naar binnen is geperst als gevolg van de ontploffing. Ik zag dat de voordeur aan de binnenzijde in het midden een extra raam had dat geopend kan worden. Ik zag dat een van de bevestigingshandels compleet afgebroken was. Ik zag dat de deur ontzet was. Ik zag dat een deel van deze handel in de hal lag. Ik zag in de woonkamer dat één van de twee ramen volledig vernield was, kennelijk ten gevolgd van de explosie. Ik zag tevens brandschade aan het plafond in de woonkamer. Ik zag dat het vuur van buiten naar binnen geslagen was en dat heeft de gordijnen in de brand gestoken. Ik zag namelijk gedeeltelijk gesmolten gordijnen op de bank liggen en ik zag dat de bank ook brandschade had.

Aan de hand van de aangetroffen sporen en het specifieke brandbeeld, stelde ik vast dat het om een zogenaamde vloeistofbrand ging, kennelijk veroorzaakt door een zelfgemaakte brandbom bestaande uit een Cobra 6 alsmede vermoedelijke benzine en een katalysator zoals aluminium.

Gemeen gevaar voor goederen:

Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat bij deze brand

gemeen gevaar voor goederen was te duchten als bedoeld in artikel artikel 157 onder le wetboek van strafrecht.

Levensgevaar voor personen:

De hoofdbewoner heeft na de ontploffing onmiddellijk de brand kunnen blussen. Een

gedeelte van de brand was naar binnen in de woonkamer en de hal geslagen. Indien deze brand niet tijdig geblust zou zijn, zou de vluchtweg voor de bewoners via de trap, die uitkomt in de hal, naar alle waarschijnlijk zijn afgesloten. Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat hij deze brand levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was geweest als bedoeld in artikel 157 onder 2e wetboek van strafrecht.

4. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 september 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben met mijn auto met [medeverdachte] naar [plaats] gereden. Die Toyota Aygo met kenteken [kenteken] staat inderdaad op mijn naam. Ik heb die lichtblauwe ‘BIC’ aansteker gekocht bij dat tankstation. We parkeerden in [plaats] . Hij gaf mij aanwijzingen waar ik moest staan. Ik hoorde een keiharde knal. Vijf à tien minuten later kwam hij terugrennen. Daarna zijn we samen weer naar Arnhem gereden.

5. Het proces-verbaal van bevindingen op pagina 124 en 125 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[rekeningnummer] (Studentenrekening)

Tenaamstelling: [verdachte]

(…)

Op 12-12-2023 om 00:58 wordt € 2,88 betaald via Apple Pay bij Shell Salvatorplein Arnhem.

Op 12-12-2023 om 01:54 wordt € 7,58 betaald via Apple Pay bij BP Koerhuis

Deventer.

6. Het proces-verbaal van bevindingen op pagina 126 en 127 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In deze uitgeleverde gegevens zag ik dat de desbetreffende hiervoor genoemde transactie betrekking heeft op de aankoop van 1,50 liter benzine á € 1,919 per liter, derhalve € 2,88.

7. Het proces-verbaal van bevindingen op pagina 64 tot en met 97 van het dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op donderdag 11 april 2024 heeft de afdeling Team Digitale Opsporing (TDO) van de Politie, Oost Nederland district Twente de gegevens van de telefoon, merk Apple, type iPhone 13 Pro Max, die bij de verdachte, [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2001 te [geboorteplaats 2], in gebruik en op donderdag 14 december 2023 in beslaggenomen is, overgenomen en opgeslagen op een harddisk van het TDO.

Ik trof in de data een aantal verschillende video-bestanden aan die gemaakt waren rondom de datum en tijd van het incident aan de [adres] te [plaats] . De desbetreffende afbeeldingen en de bijbehorende details zijn hieronder geplaatst.

Video-bestand 1:

Created: 12-12-2023 01:07:29(UTC + 1)

Op deze video is een frisdrankfles te zien (vermoedelijk Fanta) waarin zich een doorzichtige vloeistof bevindt. Daarnaast is er met zilverkleurig/grijs plakband twee voorwerpen geplakt die voorzien zijn van een lont.

Op de achtergrond is een deel van het achterlicht te zien. Ik herken dit achterlicht ambtshalve als die van een Toyota Aygo. Daarnaast is onder dit achterlicht duidelijk het woord ”Aygo” te lezen.

Video-bestand 4:

Ik zag dat het bestand gemaakt was om 12-12-2023 01:56:43(UTC+1).

Ik zag dat het video-bestand was opgenomen in een personenauto, waarvan het interieur overeenkomt met dat van een Toyota Aygo. Ik zag dat er op enig moment een hand in beeld kwam met een lichtblauwe aansteker van het merk "BIC”.

- Video-bestand 5:

Ik zag dat het bestand gemaakt was om 12-12-2023 02:50:07(UTC+1)

Er zijn twee verschillende personen op te horen:

Persoon 1:

Broer ik ben al weg, ik ben al weg. Die plakband kon Ik niet plakken bij de deur, omdat euh.. Hij ging los. Dus ik heb die snel bij de deur heel dichtbij gelegd. En toen ging die ding kanker hard af. Je kan [alias] vragen. Zeg hem...He?

Persoon2:

Het was één kanker harde explosie broer.

- Video-bestand 7:

Ik zag dat het bestand gemaakt was om 12-12-2023 02:50:07(UTC+1

Er zijn twee verschillende personen op te horen:

Persoon 1:

Ik sta sowieso op de camera man, want hij heeft zo’n security camera deur je weet toch?

Persoon 2:

Heb je die (niet te verstaan) niet opgedaan?

Persoon 1:

Niet helemaal

- Video-bestand 8:

Ik zag dat het bestand gemaakt was om 12-12-2023 02:54:31 (UTC+1)

Er zijn twee verschillende personen op te horen:

Persoon 1:

Pap, ik was bijna m’n sleutel kwijt man dus ik moest wel... Terug euh.. .Rijden.. Om m’n sleutel te pakken. Het was echt een kanker grote broer.. Bom broer! Ik zeg jou broer. Want [alias] stond denk ik... Hoever stond je van mij? Tien?