Bestuursrecht overig
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiser om compensatie is afgewezen. Eiser stelt dat hij…
Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15187 · Rechtbank Rotterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15187
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/4736
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15187
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiser om compensatie is afgewezen. Eiser stelt dat hij wel kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Daarnaast betoogt hij dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend en alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4736
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiser stelt dat hij wel kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Daarnaast betoogt hij dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie heeft toegekend en alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wht afgewezen.
Met het besluit van 22 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 april 2023 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 10 september 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Overwegingen
3. Eiser heeft op 20 januari 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 28 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser een aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft ingediend. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
4. Eiser betoogt dat hij recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Hij stelt dat zijn kinderen destijds naar de opvang zijn geweest en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing heeft hij foto’s van zijn kinderen bij een kinderopvang en een betaalbewijs overgelegd. Eiser heeft wel het forfaitaire bedrag van € 30.000,- ontvangen op grond van de Catshuisregeling. Het is hem niet duidelijk waarom hij eerst wel, maar nu toch geen aanspraak maakt op compensatie. Verder betoogt eiser dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat de datakluis moet worden onderzocht.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser terecht afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. De stukken die eiser heeft overgelegd, duiden erop dat sprake is geweest van (kosten voor) kinderopvang, maar maken niet aannemelijk dat eiser kinderopvangtoeslag bij de Dienst Toeslagen heeft aangevraagd. Alleen degene die kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, kan in aanmerking komen voor compensatie. De Dienst Toeslagen heeft verklaard dat het forfaitaire bedrag per ongeluk aan eiser is toegekend. Dat doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De stukken die ten grondslag liggen aan het besluit over het forfaitaire bedrag zijn geen op deze zaak betrekking hebbende stukken. Nu aan eiser geen kinderopvangtoeslag is toegekend, kan geen sprake zijn van een terugvordering en ook niet van een betalingsregeling. De stukken die ten grondslag liggen aan de vaststelling dat ten aanzien van eiser geen opzet/grove schuld (O/GS)-kwalificatie is vastgesteld, zijn daarom geen op de zaak betrekking hebbende stukken. De Dienst Toeslagen heeft verder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Gelet op de inhoud van het dossier is de kans dat de datakluis andersluidende informatie bevat zo klein dat geen aanleiding bestaat daarnaar onderzoek te doen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.