Strafrecht overig

COZO-fraude. De verdachte heeft samen met anderen zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude…

Rechtbank Rotterdam, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
83-101890-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10556
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

COZO-fraude.

De verdachte heeft samen met anderen zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 9 maanden en een bestuursverbod voor vijf jaren op.

De vordering van de benadeelde partij Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport wordt tot het bedrag van € 233.640,- toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 83-101890-24

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

Datum zitting: 28 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] te [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. A. Stronkhorst

Officier van justitie: mr. R.P. van der Pijl

Benadeelde partij: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Advocaten van de benadeelde partij: mrs. B.M. van der Velden en G. Wind.

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever samen met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en fraude met coronasubsidies. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf van negen maanden op en een bestuursverbod voor vijf jaren. Zij wijst de vordering van de benadeelde partij, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna VWS) tot een bedrag van € 233.640,- toe.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van betrokkenheid bij valsheid in geschift en fraude met coronasubsidies.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 primair en feit 2. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat:

Feit 1 primair
[medeverdachte rechtspersoon] B.V. op 30 september 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

[vaststellingsaanvraag] , valselijk heeft opgemaakt, door in strijd met de waarheid op dat geschrift te vermelden dat:

- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en

- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en

- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd ingediend, was nageleefd en

- de verantwoording (inclusief eventuele bijlagen) volledig, juist en naar waarheid waren

ingevuld,

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 2

[medeverdachte rechtspersoon] B.V. in de periode van 24 september 2021 tot en met 6 juni 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten een deel van het subsidiebedrag van € 247.807,19, te weten € 233.640,00, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke

leiding heeft gegeven.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

2.3.2.

Bewijsmotivering feit 1 primair en feit 2

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat het volgende vast.

De verdachte was van 13 juli 2017 tot 4 oktober 2022 bestuurder van [medeverdachte rechtspersoon] B.V. (hierna [medeverdachte rechtspersoon] ). De medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) was dat van 13 juli 2017 tot 1 april 2022.

[medeverdachte rechtspersoon] heeft op 25 juni 2021 voor de financiering van tien tijdelijke coronabanen in de zorg een subsidiebedrag van € 247.807,19 (hierna COZO-subsidie) aangevraagd. De COZO-subsidie is op 16 september 2021 voor dit bedrag verleend in de vorm van een voorschot en [medeverdachte rechtspersoon] heeft dit op 24 september 2021 ontvangen.

[medeverdachte rechtspersoon] heeft vanaf 28 september 2021 tot en met 2 februari 2022 in totaal € 233.640,- aan [handelsnaam] betaald onder de vermelding van “coronabanen” over de periode juli tot en met december 2021. [handelsnaam] is de handelsnaam van [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1] ). [handelsnaam] of [bedrijf 1] heeft geen zorgpersoneel geleverd aan [medeverdachte rechtspersoon] . De betalingen van [medeverdachte rechtspersoon] zijn direct na ontvangst vanaf de bankrekening van [handelsnaam] / [bedrijf 1] doorgesluisd naar bankrekeningen van Litouwse en Belgische bedrijven.

De door beide bestuurders digitaal ondertekende vaststellingaanvraag van [medeverdachte rechtspersoon] met vier bijlagen (de COZO-vaststelling) is op 30 september 2022 vanaf het IP-adres van [accountant] ingediend. Dit betreft de verantwoording voor de ontvangen COZO-subsidie. De vaststellingsaanvraag is niet op de desktop van [medeverdachte rechtspersoon] aangetroffen.

De verdachte heeft kort samengevat het volgende verklaard. Omdat [medeverdachte rechtspersoon] tijdens de coronaperiode in 2021 vrijwel zonder zorgmedewerkers kwam te zitten, waren ze op zoek naar extra personeel. [persoon A] van [bedrijf 2] , die de verdachte en [medeverdachte] niet kenden, zou alles regelen. Hij heeft de COZO-subsidie aangevraagd, verantwoord en de accountantsverklaring van [accountant] geregeld. De verdachte en [medeverdachte] hadden daar geen verstand van. [handelsnaam] , een verder voor de verdachte en [medeverdachte] onbekende derde, zou het tijdelijke personeel regelen. Zij stuurde [medeverdachte rechtspersoon] daarvoor facturen en de verdachte en [medeverdachte] hebben die onder verbale druk en bedreiging van [persoon A] betaald, hoewel zij geen personeel geleverd kregen. De verdachte en [medeverdachte] verkeerden in de veronderstelling dat [handelsnaam] alsnog het tijdelijke zorgpersoneel zou leveren en dit personeel ook met terugwerkende kracht overuren zou draaien. De verdachte en [medeverdachte] hebben [persoon A] toegang tot de desktop van [medeverdachte rechtspersoon] verstrekt voor een Teamviewer-sessie om de vaststellingsaanvraag in te dienen. [persoon A] heeft daarna deze desktop overgenomen zonder dat duidelijk is geworden wat hij precies heeft gedaan. De verdachte en [medeverdachte] hebben de COZO-vaststelling niet opgemaakt of verstuurd en de inhoud niet gezien.

De rechtbank schuift dit scenario van de verdachte als ongeloofwaardig ter zijde. Allereerst volgt niet uit het dossier dat [persoon A] of [bedrijf 2] de aanvraag voor COZO-subsidie op 25 juni 2021 heeft ingediend. Op de aanvraag zijn uitsluitend de gegevens van [medeverdachte rechtspersoon] , de verdachte en [medeverdachte] vermeld. Voorts blijkt uit het digitale onderzoek dat op de desktop van [medeverdachte rechtspersoon] ten tijde van het indienen van de vaststellingsaanvraag er geen activiteiten waren binnen het programma TeamViewer. Daarbij komt dat het dossier, naast de verklaring van verdachten, geen aanknopingspunt bevat voor de gestelde bedreiging van en druk op de verdachte en [medeverdachte] om de facturen van [handelsnaam] te blijven voldoen. Bovendien hebben de verdachten in hun verklaringen hier zelf ook geen handen en voeten aan gegeven. Tegenover dit alles staat dat geen zorgpersoneel aan [medeverdachte rechtspersoon] is geleverd en [medeverdachte rechtspersoon] dat zorgpersoneel dus ook niet heeft ingezet. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat en hoe dit personeel ‘met terugwerkende kracht’ had kunnen worden geleverd en ingezet, zeker nu de laatste factuurbetaling dateert van ná de periode waarbinnen de zorg volgens de COZO-subsidievoorwaarden had moeten worden geleverd. Desalniettemin hebben de verdachte en [medeverdachte] namens [medeverdachte rechtspersoon] in de vaststellingsaanvraag verklaard dat de COZO-subsidie is gebruikt voor de kosten van de inzet van tijdelijk zorgpersoneel.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden uitgesloten dat het aan de echtgenote van de verdachte en de (ex)echtgenote van [medeverdachte] overgemaakte bedrag van € 6.692,30 en het resterend bedrag van € 7.474,89 terechte aanwendingen zijn geweest van de COZO-subsidie.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Feit 2

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straffen

4.1.

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor feit 1 primair en feit 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en moet worden ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De door [medeverdachte rechtspersoon] gepleegde feiten, waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, houden verband met de financiële overheidssteun die tijdens de coronapandemie in het leven was geroepen om personeel in de zorg te ontlasten dan wel te ondersteunen met tijdelijke coronabanen.

De verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door een vals vaststellingsformulier bij VWS in te dienen ter verantwoording van de eerder verleende COZO-subsidie van € 247.807,19. De verdachte deed het daarbij voorkomen alsof [medeverdachte rechtspersoon] tien tijdelijke ondersteunende functies had ingehuurd en ingezet, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. De verdachte heeft met zijn handelen het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van dergelijke geschriften - juist in een periode van een wereldwijde pandemie - op ernstige wijze beschaamd.

Daarnaast heeft de verdachte zich als feitelijke leidinggever samen met anderen schuldig gemaakt aan subsidiefraude door de COZO-subsidie te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze was bestemd. De COZO-subsidie werd verstrekt met als doel coronabanen in de zorg te realiseren tijdens de coronacrisis. Het ten onrechte verkregen subsidiegeld is grotendeels overgeboekt naar de zakelijke bankrekening van een medeverdachte en vervolgens zonder schroom weggesluisd naar buitenlandse bankrekeningen. Hierdoor is een groot bedrag aan overheidsgelden verdwenen, wat ten laste van de samenleving is gekomen.

De verdachte en de medeverdachten hebben op een geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor zorgaanbieders om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren tijdens de coronapandemie. In deze crisistijd heeft de overheid zich met eenvoudige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die er speelden. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.

4.3.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

4.3.3.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 2 augustus 2024, omdat destijds de inleidende dagvaarding is betekend aan de verdachte. Tot aan dit vonnis is een periode van vierentwintig maanden en negen dagen verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden bedraagt de redelijke termijn in deze zaak vierentwintig maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met negen dagen is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is zeer beperkt. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

4.3.4.

Oplegging straffen

Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het benadelingsbedrag van € 233.640,00 kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het vertrekpunt is in dit geval het benadelingsbedrag van € 233.640,-, waarbij als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de negen maanden en twaalf maanden staat vermeld. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden en zal deze gevangenisstraf dan ook opleggen.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

Bestuursverbod
De rechtbank ziet in de aard en omvang van de fraudedelicten aanleiding om de verdachte te ontzetten uit de uitoefening van het beroep van (middellijk of onmiddellijk) bestuurder van rechtspersonen of een daarmee gelijkgestelde rechtsvorm. De verdachte heeft zijn positie als bestuurder misbruikt om ernstige strafbare feiten te plegen, hetgeen oplegging van een beroepsverbod van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Daarmee wordt de samenleving beschermd tegen verder frauduleus handelen door de verdachte. Het verbod zal gelden voor de duur van vijf jaren.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering VWS

VWS heeft als benadeelde partij voor beide feiten het verstrekte subsidiebedrag van

€ 247.807,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2021, als vergoeding voor de materiële schade gevorderd. VWS heeft voorts gevorderd dat de

verdachte hoofdelijk met medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte rechtspersoon] wordt veroordeeld tot betaling van de schade. Tevens heeft VWS verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan voor het bedrag van € 233.640,-, te vermeerderen met de wettelijke rente worden toegewezen. De verdachte moet hoofdelijk met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte rechtspersoon] worden veroordeeld voor deze schade. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen. Daarnaast moet het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel worden afgewezen, omdat VWS, de staat, een weerbare derde met eigen incassomogelijkheden is.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat primair vrijspraak is bepleit en subsidiair het volledige subsidiebedrag al bestuursrechtelijk van [medeverdachte rechtspersoon] is teruggevorderd. Toewijzing van dezelfde schade in de strafprocedure verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat de geleden schade slechts eenmaal wordt vergoed. Meer subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De gestelde schade kan niet gelijk worden gesteld met het subsidiebedrag en de behandeling van de vordering vraagt hierdoor nader onderzoek, wat een onevenredige belasting van het geding oplevert.

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie wat betreft de afwijzing van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten. De vordering wordt toegewezen tot het bedrag van € 233.640,-, omdat dit deel van de schade, te weten het ten onrechte uitgekeerde subsidiebedrag, voldoende onderbouwd is en de verdediging dit deel van de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Uit de toelichting van de benadeelde partij op de terechtzitting blijkt dat in de bestuursrechtelijke procedure de schade niet al (deels) door [medeverdachte rechtspersoon] is vergoed.

De benadeelde partij wordt voor het restant van de vordering, te weten € 14.167,19, niet-ontvankelijk verklaard, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de betaling van € 6.692,30 aan de (ex)echtgenoten van de verdachte en [medeverdachte] en het resterend bedrag van € 7.474,89 op de bankrekening van [medeverdachte rechtspersoon] niet overeenkomstig de doelbinding van de COZO-subsidie besteed is of zou worden besteed. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

5.4.2.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft de strafbare feiten samen met anderen gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Dat betekent dat als een mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

5.4.3.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 september 2021 tot de dag van de gehele betaling.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank is met de officier van justitie en verdediging van oordeel dat het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel moet worden afgewezen, nu de staat een weerbare derde is die geacht mag worden de incasso van de vordering in eigen handen te kunnen nemen.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 28, 31, 47, 51, 57, 225 en 323a van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;

Bijkomende straf

legt op aan de verdachte de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon en/of een daarmee gelijkgestelde rechtsvorm voor de duur van 5 (vijf) jaren;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor feit 1 primair en feit 2, te betalen een bedrag van € 233.640,- als vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 24 september 2021 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er door een mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. van den Heuvel, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en I. Tillema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

1.

[medeverdachte rechtspersoon] B.V.,

op of omstreeks 30 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- [vaststellingsaanvraag] (DOC-WBT-004)

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door in strijd met de waarheid op dat

geschrift zakelijk weergegeven - te vermelden dat:

- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en/of

- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en/of

- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en/of

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd

ingediend, was nageleefd en/of

- de verantwoording (inclusief eventuele bij lagen) volledig, juist en naar

waarheid waren ingevuld,

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan

welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke

leiding heeft gegeven

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[medeverdachte rechtspersoon] B.V.,

op of omstreeks 30 september 2022 te Amsterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- [vaststellingsaanvraag] (DOC-WBT-004)

als ware het echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid

- zakelijk weergegeven - was vermeld dat:

- het totaal aantal coronabanen 10 bedroeg en/of

- het totaal coronabanen via detachering 8 bedroeg en/of

- de werkelijke kosten voor periode 2 € 247.807,19 bedroegen en/of

- de geldende wet- en regelgeving op basis waarvan de subsidie werd

ingediend, was nageleefd en/of

- de verantwoording (inclusief eventuele bij lagen) volledig, juist en naar

waarheid waren ingevuld,

door dat geschrift te versturen en/of te doen toekomen aan de Dienst Uitvoering

Subsidies aan Instellingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport,

dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl zij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs

moesten vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen

en in vereniging niet (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft

gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte

(telkens) feitelijke leiding heeft gegeven:

2.

[medeverdachte rechtspersoon] B.V.,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 september 2021 tot en

met 6 juni 2024, in Amsterdam, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk en wederrechtelijk,

een of meer middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren

verstrekt, te weten:

- Een deel van het subsidiebedrag van € 247.807,19, te weten € 233.640,00, althans enig geldbedrag, inzake tweede periode coronabanen subsidie ten behoeve van de financiering van loonkosten van tijdelijk personeel (al dan niet via een detacheerder) (DOC-WBT-001)

heeft aangewend voor:

- ( in)directe betalingen aan bedrijven in de schoonmaakbranche en/of

overige branche onlogische bedrijven;

- ( in)directe betalingen aan buitenlandse bedrijven zonder werknemers:

- ( in)directe betalingen aan privépersonen;

in elk geval niet zijnde bedrijven met (voldoende) (zorg)personeel in dienst en/of in

elk geval voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt (AMB-002-01/

AMB4-01),

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke

leiding heeft gegeven;