Strafrecht overig

Vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde…

Rechtbank Rotterdam, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Dordrecht
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
10/152305-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13562
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt het beroep op noodweer verworpen, nu niet is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Het beroep op noodweerexces wordt gehonoreerd, wat leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging voor dit onderdeel. De benadeelde partij is niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Ten aanzien van feit 2 wordt het beroep op noodweer/noodweerexces verworpen. Aan de verdachte wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/152305-25

Datum uitspraak: 19 augustus 2026

Datum zitting: 5 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. H.G.A.M. Halfers

Officier van justitie: mr. H.H. Balk

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. N. Amine

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. De onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging worden wel bewezen verklaard. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt het beroep op noodweer verworpen, nu niet is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Het beroep op noodweerexces wordt gehonoreerd, wat leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging voor dit onderdeel. De benadeelde partij is niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Ten aanzien van feit 2 wordt het beroep op noodweer/noodweerexces verworpen. Aan de verdachte wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – op 23 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, subsidiair zware mishandeling, meer subsidiair poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Daarnaast zou hij op diezelfde datum [slachtoffer 2] hebben bedreigd.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

primair

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1] ,
van het leven te beroven,
- met een lifehammer op/tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer 1] heeft geslagen
en/of
- met een mes in het (boven)been van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Rotterdam

[slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in het

(boven)been, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met een mes

in het (boven)been te steken;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer 1] met een mes in het (boven)been heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2025 te Rotterdam
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een mes achter die [slachtoffer 2] aan te rennen.

2 Bewijs

2.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging bewezen kunnen worden verklaard.

2.2.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

2.3.1.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Eigen waarneming van de rechtbank; camerabeelden

2. Verklaring van de verdachte

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever 1]

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever 2]

5. Proces-verbaal van de politie

2.3.2.

Bewijsmotivering (feit 1)

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair) of een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).

Geen vol opzet

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte de bedoeling had om het slachtoffer te doden of om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is dan ook geen sprake.

Voorwaardelijk opzet

Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Poging tot doodslag

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Hoewel het een feit van algemene bekendheid is dat het bovenbeen onder andere belangrijke (slag)aders bevat, is de enkele vaststelling dat sprake is van een steekwond in het bovenbeen, zonder nadere informatie over kracht en intensiteit van het steken, en/of een medische verklaring over de mogelijke acute gevolgen van die steekwond, onvoldoende om te concluderen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Zware mishandeling / poging tot zware mishandeling

De vraag die vervolgens in het kader van het subsidiair ten laste gelegde moet worden beantwoord is of het letsel van het slachtoffer kan worden gekwalificeerd als ‘zwaar lichamelijk letsel’.

Bij de beantwoording van die vraag is van belang: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Het letsel betrof een steekwond in het rechterbovenbeen. Er was veel bloedverlies en direct na het incident is tweemaal een tourniquet aangebracht. Het is niet nodig gebleken om het slachtoffer te opereren. Uit de letselverklaring blijkt dat de verwachte genezingsduur twee weken is en dat het slachtoffer hieraan wel een blijvend litteken zal overhouden. Gelet op de beperkte verwachte genezingsduur en het uitblijven van operatief ingrijpen, levert deze verwonding geen zwaar lichamelijk letsel op in de zin van art. 302 Sr. Dat sprake is van een blijvend litteken, leidt in dit geval niet tot een andere conclusie, nu dit niet op een prominent zichtbare plek aanwezig is. Ook de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling is dus niet wettig en overtuigend bewezen.

Wel acht de rechtbank de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft tijdens een worsteling met een mes in het bovenbeen van het slachtoffer gestoken. Het bovenbeen is een kwetsbare plek omdat daarin slagaders, bloedvaten, zenuwbanen en spieren lopen die hadden kunnen worden geraakt. Het handelen van de verdachte kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

2.3.3.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 meer subsidiair

hij op 23 februari 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [slachtoffer 1] met een mes in het bovenbeen heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op 23 februari 2025 te Rotterdam
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht,
door met een mes achter die [slachtoffer 2] aan te rennen.

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 meer subsidiair

poging tot zware mishandeling;

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

3.2.1.

Beroep op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is geweest van (putatief) noodweer(exces).

3.2.2.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus van een noodweersituatie, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Er was geen sprake van culpa in causa en de verdachte had niet de mogelijkheid om te vluchten. Het steken met een groot mes in het bovenbeen van het slachtoffer staat echter niet in verhouding tot het slaan en stompen door het slachtoffer. Ook niet nu de verdachte zich tegen twee personen moest verdedigen. Het beroep op noodweer kan dan ook niet slagen. De overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging waren echter het onmiddellijke gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De verdachte had niet alleen te waken over zijn eigen lijf, maar ook dat van zijn vrouw en kind. Dit maakt dat het beroep op noodweerexces slaagt en dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft met een mes gedreigd om duidelijk te maken dat [slachtoffer 2] de directe omgeving van de auto – waar zijn vrouw en kind in zaten – moest verlaten. Het is voorstelbaar dat verdachte in de nabijheid van [slachtoffer 2] bij zijn vrouw en kind een bedreigende situatie heeft gezien en daarop heeft gereageerd. Het dreigen met een middel dat hoger op de escalatieladder staat is proportioneel. Het beroep op noodweer slaagt dus.

3.2.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht aannemelijk moet zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Op basis van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte ter zitting stelt de rechtbank vast dat de aangever [slachtoffer 1] en zijn medestander [slachtoffer 2] de confrontatie hebben opgezocht na een verkeersruzie, door bij het verkeerslicht uit de auto te stappen en op het voertuig van de verdachte af te lopen. De verdachte is degene die als eerste werd geduwd en geslagen. Hij heeft verklaard dat hij met zijn rug op de grond lag en dat zijn hoofd tussen de bestuurdersstoel en het stuur lag. De aangever, die veel langer en breder dan hij is, lag bovenop hem. De vrouw van de verdachte zat op de bijrijdersstoel en hun kind zat achterin de auto. De rechtbank is van oordeel dat, onder die omstandigheden, sprake is van een noodzakelijke verdediging van zijn eigen en een anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De als verdedigingsmiddel gekozen gedraging van de verdachte, te weten het steken met een mes in het bovenbeen van de aangever, staat echter niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, die heeft bestaan uit het slaan met vuisten door de aangever en zijn medestander. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn dus overschreden. Bijvoorbeeld is niet duidelijk geworden waarom verdachte er niet voor heeft gekozen het mes te pakken en daarmee alleen te dreigen, in plaats van direct om zich heen te steken.

Deze overschrijding kan de verdachte echter niet worden aangerekend, omdat die het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. De verdachte is weliswaar doorgeschoten in zijn reactie, maar dit is het directe gevolg van de zeer intimiderende en chaotische situatie veroorzaakt door aangever en zijn medestander die de verdachte onmiddellijk gezamenlijk agressief benaderden, fysiek geweld toepasten en verdachte in een hoek dreven, in het bijzijn van zijn vrouw en kind in de auto. Het beroep op noodweerexces slaagt. De verdachte is ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is de noodweersituatie geëindigd nadat de verdachte het slachtoffer in zijn been heeft gestoken. De aangever en [slachtoffer 2] verwijderden zich op dat moment van de verdachte. Er was geen sprake meer van fysiek geweld vanuit het slachtoffer en zijn medestander of van een acute dreiging tegen de verdachte en/of zijn gezin. Dat [slachtoffer 2] bewust naar de zijde van de auto liep waar de vrouw en het kind van de verdachte zaten en dat hij hen iets aan wilde doen is niet aannemelijk geworden. Van [slachtoffer 2] ging op dat moment geen dreiging uit, althans het dossier, waaronder de camerabeelden die van het voorval beschikbaar zijn, bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Dat de verdachte zou hebben gehandeld onder de abusievelijke veronderstelling dat [slachtoffer 2] zijn vrouw en kind wilde schaden, is evenmin onderbouwd of aannemelijk geworden, zodat ook het beroep op putatief noodweer niet slaagt. Dit maakt dat sprake is van een strafbaar feit. De verdachte is hier strafbaar voor.

4 Straf (ten aanzien van feit 2)

4.1.

Oordeel van de rechtbank

4.1.1.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 2] door met een mes achter hem aan te rennen. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij een mes in zijn auto heeft, omdat dit gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan, zoals ook in deze zaak is gebleken.

4.1.2.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapport

In het rapport van Reclassering Nederland van 22 april 2026 staat het volgende.

Het psychosociaal functioneren van de verdachte was destijds mogelijk een delict gerelateerde en risicoverhogende factor. Positief is dat de verdachte op de overige leefgebieden een stabiel leven leidt. Ook heeft hij een steunend sociaal netwerk. Sinds de huidige verdenking hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. Ook zijn er geen signalen met betrekking tot agressieproblematiek ontvangen. De reclassering ziet gezien het ontbreken van een delictverleden en structurele problematiek, geen aanknopingspunten voor reclasseringsbemoeienis. Daarom wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

4.1.3.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 40 uur, met aftrek van het voorarrest, opgelegd. Gelet op het feit dat de verdachte geen politiecontacten heeft gehad en zijn leven goed op orde heeft wordt de taakstraf voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5 Vordering van de benadeelde partij

5.1.

Vordering [benadeelde partij]

[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.654,69 als vergoeding voor materiële schade en € 13.750,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

5.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging is niet ingegaan op de vordering van de benadeelde partij.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat nu de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, de benadeelde partij op grond van het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 285 Sr van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit 1 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;

verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde feit 2;

Straf

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 36 (zesendertig) uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 18 (achttien) dagen;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Vordering benadeelde partij

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1).

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.P. Hameete, voorzitter,

en mrs. J.L. Luiten en E. Stam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 19 augustus 2026.

Mrs. J.L. Luiten en E. Stam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met registratienummer [dossiernummer] . Waargenomen tijdens de zitting van 5 augustus 2026. Verklaard tijdens de zitting van 5 augustus 2026. pagina 9 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] . pagina 13 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] . pagina 43 e.v. van het zaaksdossier, proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .