Strafrecht overig

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van amfetamine, GHB en hasjiesj. Daarnaast…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
02-201145-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10462
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van amfetamine, GHB en hasjiesj. Daarnaast heeft zij zich schuldig gemaakt aan witwassen. Gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek van het voorarrest

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-201145-26

Parketnummers TUL: 02-157098-23 en 02-059808-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

raadsman mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg .

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. S. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

- feit 1: in de periode 13 tot en met 14 juli 2026 ongeveer 200 ml GHB en 2429,7 gram amfetamine opzettelijk aanwezig heeft gehad;
- feit 2: op 14 juli 2026 een geldbedrag van € 9.332, - heeft witgewassen;
- feit 3: op 14 juli 2026 ongeveer 88,14 gram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat hij vanuit de nieuw aan het dossier toegevoegde kennisgevingen van inbeslagname voor feit 1 uitgaat van het aanwezig hebben van 2283,1 gram amfetamine in plaats van de genoemde 2429,7 gram amfetamine. Voor feit 2 acht hij het witwassen van geld uit enig misdrijf (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht, hierna Sr) bewezen en niet het witwassen van geld uit enig eigen misdrijf, te weten het eenvoudig witwassen (artikel 420bis.1 Sr). Dit omdat hij niet uit het strafdossier kan herleiden vanuit welke concrete strafbare feiten precies (met datum en plaats) verdachte het in haar woning aangetroffen geld heeft verworven.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1, voor zover dit betrekking heeft op de in de woning aangetroffen GHB en de in de auto van verdachte aangetroffen amfetamine, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de in de woning aangetroffen amfetamine, is (partiële) vrijspraak bepleit. Verdachte wist niet van de amfetamine in haar woning zodat volgens de verdediging opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De sleutel van haar huis had zij namelijk aan een ander beschikbaar gesteld. Anderen kwamen daar vaak. Zij wist niet dat er drugs in haar woning werden gelegd, maar wel spullen. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de op 14 juli 2026 in de woning aangetroffen amfetamine (de rechtbank begrijpt dat raadsman doelt op de in de Albert Heijn-tas aangetroffen drugs) er op 13 juli 2026 ook al lagen en verdachte ter zitting heeft aangegeven die dag (rechtbank begrijpt dat raadsman doelt op 13 juli 2026) niet veel in de woning te zijn geweest Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens partiële vrijspraak bepleit nu het geld weliswaar voor een deel uit eigen misdrijven afkomstig is, doch een bedrag van € 1.840, - uit een spaarkas van een café door verdachte is ontvangen. Van verhullingshandelingen door verdachte is geen sprake geweest, enkel het voorhanden hebben van het geld. Voor feit 3 is door de raadsman op dezelfde gronden vrijspraak bepleit als bij feit 1, te weten het ontbreken van wetenschap en (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid van de hasjiesj in haar woning.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten

Op 13 juli 2026 treft de politie verdachte aan in haar auto op de parkeerplaats van het [plein] in [plaats 1] . Deze plek bevindt zich naast de [opvang] . Er hangen personen rond de auto die onder invloed zijn en de politie ambtshalve kent als drank- en drugsgebruikers.

Auto

Bij de controle van verdachte en de vordering tot uitlevering van verdovende middelen overhandigt zij vanuit de bijrijderskant van de auto een blauwe bak met (naar later blijkt) 336,5 gram amfetamine. De politie vindt vervolgens in haar auto €470, - euro contant geld en twee telefoons. In een handtas op de bijrijdersstoel treft men een busje pepperspray en een drugsweegschaaltje aan. Op de grond bij de bijrijdersstoel wordt een roze make-uptas gevonden met een ‘broodtrommeltje’ met honderden lege gripzakjes, diverse gripzakjes met kristalachtige substantie, pillen, bolletjes en capsules. In de deur van de bestuurderskant ligt een hamer met een aardappelschilmesje besmeurd met een witte substantie. Tot slot vinden ze op de bijrijdersstoel een boekje met namen en cijfers.

Woning

Bij de hierop volgende doorzoeking van de woning van verdachte op 14 juli 2026 zijn in de keuken/woonkamer en slaapkamer onder andere 88,14 gram hasjiesj (in een keukenkastje) , 1946,6 gram amfetamine (op de grond voor de keukenkastjes in een plastic Albert Heijn -tas), 200 ml GHB (in de slaapkamer) en een contant geldbedrag van € 9.332,- aangetroffen (in de slaapkamer bestaande uit €1527.- muntgeld verspreid in drie bussen en een etui met daarin €7805,- aan contant geld) .

Uit het strafdossier blijkt verder dat er in de woning ook veel drugsgerelateerde goederen verspreid liggen. In de keuken wordt onder meer een zak met 1000 lege capsules, diverse verpakkingsmaterialen en een weegschaaltje in de keukenkastjes aangetroffen. Onder de kookplaat ziet men in een blauwe vuilniszak jointverpakkingen liggen. Op de prullenbak ligt in een zilverkleurig geldkistje nog een papiertje met verschillende namen en geldbedragen. Ook in de slaapkamer van verdachte wordt op het nachtkastje vermoedelijk amfetamine en in het nachtkastje een doos met ongeveer 1000 gripzakjes, jointkokers en een briefje met namen en geldbedragen, aangetroffen.

Alle bovengenoemde verdovende middelen (zowel uit de auto als uit de woning) zijn inbeslaggenomen, bemonsterd, voorlopig getest, en voor zover ten laste gelegd (behalve de hasjiesj) door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. Het blijkt uiteindelijk in totaal om 2283,1 gram amfetamine (zijnde 2 keer 973,3 gram uit de tas in de keuken van de woning en 336,5 gram uit de auto) 200 ml GHB en 88,14 gram hasjiesj te gaan.

In schemavorm:

Bevat

SIN-nummner

Goednummer

Hoeveelheid

amfetamine

[SIN nummer 1]

PL2000-2026192657-3020369

PL2000-2026192657-3020372

331,9 gram en 4,6 gram

amfetamine

[SIN nummer 2]

PL2000-2026192657-3021058

PL2000-2026192657-3021059

968,69 gram en 4,61 gram

amfetamine

[SIN nummer 3]

PL2000-2026192657-3021050

PL2000-2026192657-3021051

969,16 gram en 4,14 gram

GHB

[SIN nummer 4]

PL2000-2026192657-3021037

PL2000-2026192657-302103

Feit 1

Ten aanzien van de in de auto van verdachte aangetroffen amfetamine (336,5 gram) en de in de woning aangetroffen GHB (200 ml), stelt de rechtbank vast dat verdachte hierover op zitting een bekennende verklaring heeft afgelegd. Gelet op deze verklaring en de omstandigheden waaronder de amfetamine en GHB is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze verdovende middelen en daarover de feitelijke macht kon uitoefenen.

De verdediging heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de in haar woning (in de keuken op de grond in een Albert Heijn-tas) aangetroffen amfetamine.

De rechtbank stelt voorop dat voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen niet is vereist dat verdachte eigenaar is van de middelen. Ook is niet nodig dat de verdachte enige beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft over de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden. Daarvoor moet uit feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat zij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet de verdachte ook wetenschap van die aanwezigheid hebben gehad, althans van de aanmerkelijke kans op die aanwezigheid. In dit verband stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Als uitgangspunt geldt dat een huurder van een woning weet welke goederen daarin aanwezig zijn en daarover kan beschikken. Er zijn de rechtbank geen omstandigheden gebleken waaruit blijkt dat dit bij verdachte anders lag. Het is haar huurwoning, zij verbleef daar als enige bewoonster en zij was in het bezit van de sleutels, die zij zelf aan de politie heeft overhandigd. Bovendien is het een relatief kleine woning waarin op verschillende (zichtbare) plaatsen (in de keuken en slaapkamer) verschillende soorten en hoeveelheden verdovende middelen en (grote hoeveelheden) drugsgerelateerde goederen zijn aangetroffen. Deze lagen dus binnen haar machtssfeer. Onder deze omstandigheden kan het niet anders dan dat zij ook wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt in de overtuiging door het feit dat in de auto van verdachte op 13 juli 2026 ook een vergelijkbare combinatie van verdovende middelen en toebehoren is aangetroffen en verdachte wel erkent wetenschap te hebben van de in haar slaapkamer aangetroffen GHB en (vermoedelijk) amfetamine. Daarbij komt nog dat verdachte ook eerder veroordeeld is voor Opiumwetfeiten.

De verklaring van verdachte dat een derde de drugs in haar woning heeft gezet en dat zij van niks wist, is ongeloofwaardig. Zowel in haar auto als in haar huis zijn verdovende middelen aangetroffen en ook goederen die gebruikt kunnen worden bij het portioneren van drugs. In zowel haar auto als haar woning lag de drugs binnen handbereik. Verdachte heeft bovendien verklaard dat zij met haar auto bij [opvang] stond omdat zij de amfetamine deelde met de bewoners daarvan. Van onwetendheid kan geen sprake zijn.

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, zij het voor een kleinere hoeveelheid amfetamine dan ten laste is gelegd, te weten een hoeveelheid van 2283,1 gram.

Feit 2

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor witwassen zoals neergelegd in artikel 420bis, eerste lid onder b Sr dient te worden bewezen dat het tenlastegelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf” niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het tenlastegelegde geldbedrag afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan pas bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier vast dat in de woning van verdachte € 9332,- aan contant geld is aangetroffen. Het geld was verdeeld over drie bussen met muntgeld (€ 1527,-) en een etui met briefgeld (€ 7805,-). Zoals hierboven al genoemd zijn verspreid in de woning en auto van verdachte hard- en softdrugs en drugsgerelateerde goederen aangetroffen. Zowel in de woning als in de auto van verdachte zijn ook papiertjes respectievelijk een boekje met namen en bedragen gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de feiten en omstandigheden waaronder het contante geld is aangetroffen van dien aard zijn dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Gelet op deze omstandigheden en het feit dat verdachte een uitkering heeft, zij onder bewind staat en 50 euro per week leefgeld ontvangt, is het niet aannemelijk dat zij over zoveel contant geld kan beschikken. De verklaring van verdachte dat zij een bedrag heeft ontvangen uit de spaarkas van een café is niet door haar onderbouwd met verifieerbare gegevens en acht de rechtbank niet aannemelijk. Bovendien verklaart zij dit pas op zitting. Bij de politie zegt zij eerst dat de in haar auto aangetroffen € 470,- euro uit de spaarkas afkomstig is en het geldbedrag van € 9332,- in haar totaliteit afkomstig is van door haar gepleegde diefstallen en oplichtingen. Dit leidt tot de conclusie dat de enige aanvaardbare verklaring voor de aangetroffen contante geldbedragen een criminele herkomst is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van € 9.332, - voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

Feit 3

Ten aanzien van feit 3 verwijst de rechtbank naar hetgeen onder feit 1 is overwogen met betrekking tot de wetenschap van verdachte over de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning. Deze bewijsoverwegingen gelden eveneens voor de (in het keukenkastje) aangetroffen hoeveelheid hasjiesj in de woning van verdachte zodat dit feit ook wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1
in de periode van 13 juli 2026 t/m 14 juli 2026 te [plaats 1] en
[plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200
milliliter GHB en
ongeveer 2283,1 gram van een materiaal bevattende
amfetamine, zijnde GHB en amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I;


2
op 14 juli 2026, te [plaats 2]
een geldbedrag van €9.332,00, voorhanden heeft gehad
terwijl zij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;


3
op 14 juli 2026 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 88,14 gram,
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertien maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een taakstraf.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen in haar bezit gehad, zowel in haar woning als in haar auto. De rechtbank neemt bij het opleggen van een straf in strafverzwarende mate mee dat verdachte zich in de buurt van [opvang] ophield, een plek waar dak- en thuislozen verblijven (en zij ook heeft verbleven), en naar eigen zeggen amfetamine met hen deelde. Juist deze personen vormen vanwege hun verslavingsproblematiek een kwetsbare groep. Zij heeft het drugsgebruik en de drugsverslaving op deze wijze in stand gehouden. Het is zorgelijk dat zij zich in een dergelijke omgeving blijft ophouden en blijkbaar geen afstand kan nemen van het drugsmilieu waar zij in verkeert. Daarnaast gaat het gebruik van en de handel in drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit en overlast die de samenleving ondermijnen en niet zelden leiden tot gewelddadige incidenten en gevaarlijke situaties in het openbaar.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. Door witwassen worden opbrengsten van misdrijven aan het zicht van politie en justitie onttrokken en krijgen zij schijnbaar een legale herkomst. Criminele activiteiten zijn op deze manier in diverse opzichten lucratief en wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aangetast.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat zij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen en straffen haar er niet van weerhouden opnieuw Opiumwetfeiten te plegen. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de feiten in een tweetal proeftijden in verband met een eerder oplegde voorwaardelijke straf. De rechtbank houdt hier ook in strafverzwarende zin rekening mee.

Verdachte heeft zowel bij de politie als op zitting verklaard dat zij dagelijks diefstallen en oplichtingen (op bestelling) pleegt om zo extra geld te verdienen. Hoewel deze feiten niet aan verdachte zijn ten laste gelegd, baart het gemak waarmee verdachte hierover spreekt de rechtbank zorgen. Verdachte lijkt zich onvoldoende bewust van de ernst en het kwalijke van haar handelen.

Verder heeft de rechtbank ook kennisgenomen van de rapporten van de reclassering van 27 juli en 30 september 2026. Verdachte heeft geen huisvesting meer, begeeft zich in het drugscircuit, heeft geen zinvolle structurele dagbesteding, krijgt een uitkering en haar financiën worden beheerd door een bewindvoerder. Kortom: verdachte verkeert ook na veroordeling voor deze feiten nog steeds in een financieel kwetsbare positie in een omgeving waarin illegaal je geld verdienen ‘gewoon’ is. Verdachte heeft zich verder niet gehouden aan de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden. Het recidiverisico wordt door de reclassering daarom als hoog ingeschat en zij zien geen mogelijkheden meer om door interventies de kans op recidive te verminderen.

Verdachte heeft op zitting verklaard nog steeds een goed contact te hebben met haar drie kinderen, moeder en zus. Haar familie en gezin zijn redenen voor haar om het anders te willen doen. De rechtbank hoopt dat de opgelegde straf verdachte ervan doordringt dat haar handelen gevolgen heeft, maar tegelijkertijd dat deze straf ook een keerpunt voor haar zal zijn. Het is aan de verdachte om de patronen van haar leven en haar verslaving te doorbreken en daadwerkelijk schoon schip te maken.

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de hierboven genoemde omstandigheden kan de rechtbank echter niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Verdachte blijft strafbare feiten plegen, zelfs in twee lopende proeftijden. Het opleggen van een ander soort straf is nu niet meer passend.

Bij het bepalen van de straf en de duur daarvan, houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 Het beslag

7.1.

De verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 9332,- wordt verbeurdverklaard. Het geldbedrag is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf een verbeurdverklaring op te leggen, omdat het geldbedrag door middel van het onder feit 2 bewezenverklaarde strafbare feit is verkregen.

7.2.

De teruggave

Onder verdachte is ook een bedrag van € 470,- in beslag genomen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het geldbedrag is verkregen door middel van of uit de baten van een strafbaar feit. Daarom zal een last worden gegeven tot teruggave van dit geldbedrag aan verdachte. Hetzelfde geldt voor de inbeslaggenomen hamer.

7.3.

De onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen verdovende middelen, pepperspray en mes worden onttrokken aan het verkeer. De verdovende middelen en de wapens zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraffen van elk 1 maand die aan verdachte zijn opgelegd bij vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2023 (parketnummer 02-157098-23) en 13 mei 2025 (parketnummer 02-059808-25) ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging heeft primair verzocht de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair deze (deels) om te zetten naar een taakstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de beide proeftijden schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Daarom zullen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 55, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: witwassen;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

- 7.805,00 - 7.805,00 EUR;

- 1.555,08 - 1.555,08 EUR.

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

- 1 STK mes

- 1 bus pepperspray

- 0.52 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3020998)

- 23 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3020999)

- 49.1 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021002)

- 1.29 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021004)

- 1.84 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021018)

- 0.98 gram netto MMC (goednummer (PL2000-2026192657-3021019)

- 3.35 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021021)

- 7 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021022)

- 88.14 gram netto hasj (goednummer (PL2000-2026192657-3021023)

- 36.13 gram netto amfetamine (goednummer (PL2000-2026192657-3021031)

- 200 ML GHB (PL2000-2026192657-3021037 en PL2000-2026192657-3021038))

- 973.3 gram amfetamine (PL2000-2026192657-3021050 en (PL2000-2026192657-3021051

- 973.3 gram amfetamine (PL2000-2026192657-3021058 en PL2000-2026192657-3021059)

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen bedrag en goed, te weten:

- 470,- EUR en de hamer.

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 24 november 2023 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-157098-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 13 mei 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-059808-25 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, en mr. WA.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. J.F.C. Janssen rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 oktober 2026.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1
zij in of omstreeks de periode van 13 juli 2026 t/m 14 juli 2026 te [plaats 1] en/of
[plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 200
milliliter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of
ongeveer 2429,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
amfetamine, zijnde GHB en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

2
zij op of omstreeks 14 juli 2026, te [plaats 2]
een geldbedrag van €9.332,00, althans een of meer voorwerpen
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad
terwijl zij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
( art 420bis & art 420bis.1 Wetboek van Strafrecht )

3
zij op of omstreeks 14 juli 2026 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 88,14 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )