Strafrecht overig
Verweer onmiddellijkheidsbeginsel verworpen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10729 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10729
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 02-018395-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10729
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verweer onmiddellijkheidsbeginsel verworpen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging om een 14-jarige uit te lokken om een aanslag te plegen bij een shishalounge in Duitsland en het medeplegen van de daadwerkelijke ontploffing door bij diezelfde lounge. Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen verricht voor de bewerking, verwerking en vervaardiging van cocaïne, door een versnijdingsmiddel van cocaïne, namelijk procaïne en verschillende drugsgerelateerde voorwerpen, voorhanden te hebben. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-018395-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in de P.I. [locatie] ,
raadsman mr. B. Hartman, advocaat te Diemen.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. B.E.M. van Andel en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Feit 1: op 3 of 4 december 2025 samen met anderen heeft geprobeerd
[persoon 1] uit te lokken tot het plegen van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing;
Feit 2: op 18 december 2025 samen met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als uitlokking van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing;
Feit 3: voorbereidingshandelingen heeft verricht gericht op de bewerking en/of vervaardiging van cocaïne.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de feiten 1,
2 primair en 3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens het gebrek aan enig concreet bewijsmiddel en het ontbreken van dubbel opzet bij verdachte. Ook ten aanzien van feit 2 is vrijspraak bepleit wegens het gebrek aan enig concreet bewijsmiddel. Subsidiair is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen. De verdediging bepleit verder dat onvoldoende is komen vast te staan dat door de ontploffing sprake is geweest van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 3 is vrijspraak bepleit omdat in het dossier enig concrete indicatie ontbreekt dat er door verdachte reeds uitvoering is gegeven aan het voornemen om verdovende middelen te verhandelen. De aangetroffen procaïne en het verpakkingsmateriaal waren bedoeld om in een videoclip als ‘prop’ (attribuut) te gebruiken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Onmiddellijkheidsbeginsel
Door de verdediging is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de processtukken die niet expliciet ter terechtzitting zijn besproken niet als ter zitting voorgelezen kunnen worden beschouwd en derhalve niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. Dit zou in strijd zijn met het onmiddellijkheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt als volgt.
De stelling van de verdediging dat processtukken die niet expliciet ter terechtzitting zijn voorgelezen niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, vindt geen steun in het recht. De strekking van artikel 301 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is namelijk dat alle relevante punten van het dossier ter zitting ter sprake moeten komen. Met de zakelijke samenvatting van het dossier, zoals ter terechtzitting door de voorzitter besproken, is aan dit vereiste voldaan. De verdediging en de officier van justitie hebben bovendien ter zitting desgevraagd niet verzocht om bepaalde stukken integraal voor te lezen. Het verweer wordt verworpen.
Feit 1
De rechtbank stelt het volgende vast.
In de nacht van 3 op 4 december 2025 is [persoon 1] in Duitsland geweest om een aanslag te plegen bij een shishalounge genaamd ‘ [shishalounge] ’ in [plaats 1] , door middel van het naar binnen gooien van een explosief of het daar te plaatsen. Dit is niet gebeurd, omdat [persoon 1] daar op het laatste moment van af heeft gezien. De opdracht om deze aanslag te plegen is aan hem gegeven op Snapchat door [medeverdachte 4] (Snapchat-account ‘ [account naam 1] ’). Uit de telefoon van [medeverdachte 4] blijkt dat hij rond 3 en 4 december 2025 met betrekking tot het aansturen van de aanslag contact had met meerdere Snapchat- en Signalaccounts, waaronder het Signal-account met de schermnaam ‘ [schermnaam 1] ’.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het Signal-account ‘ [schermnaam 1] ’. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit informatie van de Duitse autoriteiten blijkt dat het account ‘ [schermnaam 1] ’ gebruik maakte van het Nederlandse [telefoonnummer] . De simkaart van dit telefoonnummer werd op 19 november 2025 geactiveerd en opgewaardeerd. Deze betaling werd uitgevoerd door een bankrekening op naam van [de vriendin van verdachte] , en daarbij werd gebruikgemaakt van het e-mailadres [emailadres] . Op
8 januari 2026 is de simkaart wederom opgewaardeerd. Deze opwaardering werd betaald met de persoonlijke bankrekening van verdachte en vond plaats vanaf het IP-adres wat behoord bij de vaste internetaansluiting van het [adres 1] , het woonadres van de vriendin van verdachte.
Uit de telefoon van [medeverdachte 4] blijkt dat ‘ [schermnaam 1] ’ op 4 december 2025 naar hem stuurt: “Broer, we zijn al hoeveel uren verder en nog steeds geen film.” [medeverdachte 4] stuurt vervolgens een schermafbeelding van dit bericht naar een snapchat-account met de naam ‘ [account naam 2] ’. [medeverdachte 4] stuurt daarbij dat “die man hem als sinds 10 belt om dat adres te sturen”. Op deze schermafbeelding is ook te zien dat er een poging tot spraakoproep door ‘ [schermnaam 1] ’ gedaan was en dat er op het moment van maken van de schermafbeelding een spraakoproep vanuit ‘ [schermnaam 1] ’ binnenkwam. Tevens blijkt uit de telefoon van [medeverdachte 4] dat hij rond 3 en 4 december 2025 contact had met de Snapchat-accounts ‘ [account naam 3] ’ (met schermnaam ‘ [schermnaam 2] ’) en ‘ [account naam 4] ’(met schermnaam ‘ [schermnaam 3] ’) over het aansturen van [persoon 1] . Uit onderzoek van de politie volgt dat dit de accounts van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn. Met deze chats is [persoon 1] uitgelokt om de aanslag te plegen. Dat het bij een poging hiertoe is gebleven, is niet aan verdachte of zijn medeverdachte te danken, maar aan [persoon 1] die zich op het nippertje heeft bedacht. Uit de chats volgt ook dat het huis van [persoon 1] de lucht in moest gaan, omdat de aanslag niet door hem is uitgevoerd.
[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de gebruiker is geweest van het
Snapchat-account ‘ [schermnaam 2] ’ en dat hij inderdaad instructies heeft (door)gegeven
voor het plegen van een aanslag in Duitsland.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opzet hadden op het uitlokken van de ontploffing/brandstichting door [persoon 1] . Hierbij hebben zij samengewerkt in de poging om [persoon 1] uit te lokken om de aanslag in Duitsland te plegen. Deze samenwerking kan worden aangemerkt als medeplegen omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de rollen van verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van voldoende (materieel en intellectueel) gewicht zijn. Zij hebben ieder berichten gestuurd die zien op het aansturen van de aanslag. Zij zijn hiermee allemaal een wezenlijke schakel in het geheel geweest, dat uiteindelijk ertoe heeft geleid dat [persoon 1] naar Duitsland is afgereisd.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte, samen met anderen, heeft gepoogd om [persoon 1] te bewegen om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen.
Feit 2
De rechtbank stelt het volgende vast.
Op 18 december 2025 vond een aanslag plaats bij de [shishalounge] in [plaats 1] , Duitsland. Kort hierna werden [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in Duitsland aangehouden. Onder [medeverdachte 5] werden twee telefoons in beslag genomen. In een van deze telefoons werden verschillende gesprekken via de apps Snapchat en Signal aangetroffen met betrekking tot de aanslag bij de [shishalounge] . Hieruit kwam naar voren dat [medeverdachte 5] onder anderen werd aangestuurd door het Snapchat-account ‘ [account naam 5] ’ met schermnaam ‘ [schermnaam 4] ’ en een Signal-account met de schermnaam ‘ [schermnaam 1] ’.
Onder feit 1 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat verdachte de gebruiker was van het Signal-account met de schermnaam ‘ [schermnaam 1] ’. Uit onderzoek van de politie blijkt dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van het Snapchat-account ‘ [account naam 5] ’.
In het Snapchat-gesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] , dat begon op 16 december 2025, wordt er door [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 5] verteld dat ‘een pakketje’ moest worden opgehaald en vervolgens een andere man. [medeverdachte 5] antwoordt dat dit akkoord was en vraagt om een adres. Enige tijd later bericht [medeverdachte 5] dat hij “wel extra moest gaan tanken voor die rit naar Duitsland”. Kort daarna vraagt [medeverdachte 3] om over te stappen naar Signal waarna hij [medeverdachte 5] een afbeelding met het Signal-account ‘ [schermnaam 1] ’ stuurt met het verzoek om deze toe te voegen.
In het Signal-gesprek tussen [medeverdachte 5] en verdachte op 17 december 2025 wordt door verdachte gevraagd of ‘het pakket’ bij hem is. In het dossier wordt gerelateerd dat ambtshalve bekend is dat met ‘pakket’ binnen de context van aanslagen veelal een geïmproviseerd explosief/vuurwerkbom wordt bedoeld. Vervolgens bevestigt [medeverdachte 5] dat hij het pakket heeft en vraagt hij: “[shishalounge] toch?”. Verdachte antwoordt daarop met “Juist” gevolgd door: “Hoe laat aankomst”.
In de avond van 17 december 2025 informeert [medeverdachte 3] naar de stand van zaken bij [medeverdachte 5] , waarna [medeverdachte 5] aan verdachte laat weten dat alles volgens plan verloopt en hem verder verwijst naar de berichten op Signal. Op 17 december om 21:17 uur meldt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 3] dat hij onderweg is, waarna hij een klein uur later een Tikkie-betaalverzoek voor 100 euro stuurt met als omschrijving ‘Tanken’. Op 18 december 2025 om 03:24 uur stuurt [medeverdachte 5] twee videofragmenten naar [medeverdachte 3] met de tekst “Blauw staat daar”. Van deze videofragmenten waren tijdens het onderzoek alleen nog de schermafbeeldingen zichtbaar. Op die afbeeldingen wordt de [shishalounge] herkend.
Ondertussen is [medeverdachte 5] door verdachte ook toegevoegd aan het groepsgesprek op Signal met de titel ‘Djoen’ (straattaal voor opdracht/klus). In dit gesprek stuurt verdachte onder andere: “Is blauw nog daar?”, “En? Status”, “Is er geen andere manier om die lounge te bereiken zonder dat ze je zien?” en “En film het”.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , waarbij de bijdrage van verdachte (materieel en intellectueel) van voldoende gewicht is geweest. Verdachte en [medeverdachte 3] hebben beiden berichten gestuurd en betalingen verricht die zien op het aansturen van de aanslag, die vervolgens door [medeverdachte 5] is uitgevoerd. Zij zijn hiermee allemaal een wezenlijke schakel in het geheel geweest. Verder weegt de rechtbank mee dat een aannemelijke verklaring van verdachte voor de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is uitgebleven. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Dat de aanslag ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden blijkt uit de ontvangen informatie van de Duitse autoriteiten.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat dat als gevolg van de ontploffing op 18 december 2025 levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De rechtbank zal verdachte daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Feit 3
Op 19 januari 2026 vond een doorzoeking plaats in de woning van de vriendin van verdachte. In de schuur behorende bij die woning werd in een schoenendoos met daarin een plastic tas met een blok van 1100 gram gestampt wit poeder met restanten van een plastic verpakking met een logo van een kroon en de term King, aangetroffen. Daarnaast werden in een kistje diverse drugsgerelateerde goederen, zoals gripzakjes, een weegschaal en wegwerphandschoenen, aangetroffen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat het blok poeder zuivere procaïne (een versnijdingsmiddel voor cocaïne) bevat.
Uit de bevindingen van de politie blijkt dat de schuur was ingericht als een geïmproviseerde studio waarin de artiestennaam van verdachte op verschillende plaatsen te zien was. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat de schuur door verdachte werd gebruikt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het blok procaïne werd gebruikt als ‘prop’ in zijn muziekvideo’s.
Voor de vaststelling dat sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen moet worden beoordeeld of de aangetroffen goederen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn bestemd voor het drugsproces. Daarbij kunnen goederen ook in hun gezamenlijkheid worden beoordeeld op hun bestemming.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de procaïne en de genoemde voorwerpen die in de schuur zijn aangetroffen naar hun aard en onderlinge samenhang bezien, zijn bedoeld om feiten zoals omschreven in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet voor te bereiden dan wel te bevorderen. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de procaïne en voorwerpen voorhanden heeft gehad en dat hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van de genoemde misdrijven. Dat het blok procaïne eventueel ook als ‘prop’ in een muziekvideo gebruikt kan worden, doet daar niet aan af. Verdachte heeft bovendien geen enkele aannemelijke verklaring gegeven voor de (gezamenlijke) aanwezigheid van de gripzakjes, weegschaal en wegwerphandschoenen.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de voorbereidingshandelingen samen met anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om een ander, te weten [persoon 1] , door giften, en door het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen te bewegen/uit te lokken om een misdrijf, te weten het opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht), te begaan,
door (via een tussenpersoon):
- die [persoon 1] te benaderen met het verzoek om aan [adres 2] te [plaats 1] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
- die [persoon 1] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [persoon 1] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [persoon 1] zich moest begeven,
- die [persoon 1] instructies te geven over de manier waarop die [persoon 1] zich naar de locatie moest begeven,
- die [persoon 1] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en een ruit in te gooien en een Cobra 6 met benzine te combineren,
- na te vragen en te controleren of uitvoering is/wordt gegeven aan de instructies en/of op voornoemd adres in Duitsland het explosief tot ontploffing is gebracht, en
- na te vragen of er (video)beelden zijn ter bewijs van de op voornoemd adres in Duitsland tot ontploffing gebrachte/te brengen explosie;
2
op 18 december 2025 te [plaats 1] (Duitsland), aan een pand gelegen aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland) tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht immers hebben verdachte zijn mededaders zwaar (illegaal) vuurwerk, aangebracht aan voornoemd pand en vervolgens dit explosief aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland) te duchten was;
3
op 19 januari 2026, te [plaats 2] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en vervaardigen van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten een of meer
- 1100 gram procaïne (zijnde versnijdingsmiddel voor cocaïne),
- gripzakken,
- ( wegwerp)handschoenen
- een weegschaal, en
- verpakkingsmateriaal (met de opdruk met “King”).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het voorarrest dat reeds is uitgezeten alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging om de 14-jarige [persoon 1] uit te lokken om een aanslag te plegen bij een shishalounge in Duitsland op
3 december 2025 en het medeplegen van de daadwerkelijke ontploffing door [medeverdachte 5] bij diezelfde lounge op 18 december 2025.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Dergelijke feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich om dit alles kennelijk niet bekommerd. De rechtbank vindt het extra kwalijk dat verdachte met zijn mededaders heeft geprobeerd om een pas
14-jarige jongen uit te lokken tot het plegen van een aanslag in het buitenland. Toen dit mislukte, is twee weken later in samenwerking met verdachte opnieuw iemand naar diezelfde shishalounge gegaan om alsnog de aanslag te plegen. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen verricht voor de bewerking, verwerking en vervaardiging van cocaïne, door een versnijdingsmiddel van cocaïne, namelijk procaïne en verschillende drugsgerelateerde voorwerpen, voorhanden te hebben. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Door de verspreiding van drugs en het gebruik ervan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit in veel gevallen gepaard gaat met andere, ernstige vormen van criminaliteit.
Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet in het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 maart 2026 dat verdachte in 2023 eerder is veroordeeld voor onder andere het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. De rechtbank houdt hier in strafverzwarende zin rekening mee.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gezien de ernst van de feiten kan de rechtbank niet anders dan een gevangenisstraf opleggen. Alles overwegend legt de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaren op, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 Het beslag
De onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen procaïne wordt onttrokken aan het verkeer. De stof procaïne is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die stof te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De teruggave
Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons en laptop (voorwerpnummers 2952921, 952918 en 2952927) wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 46a, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van poging om een ander te bewegen om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2, primair:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl
daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 3: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen
voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het
plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
- 1.065 gram poeder (voorwerpnummer PL2000-2025329100-G2952919);
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- Apple iPhone 17 (voorwerpnummer PL2000-2025329100-2952921);
- Apple iPhone 11 Pro (voorwerpnummer PL2000-2025329100-952918);
- Apple Notebook (voorwerpnummer PL2000-2025329100-2952927).
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 november 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 3 december 2025 tot en met 4 december 2025 te [plaats 3] , [plaats 2] , Tilburg en/of Udenhout, in elk geval in Nederland, en/of te [plaats 1] , in elk geval in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om een ander, te weten [persoon 1] , door (een) gift(en), beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te bewegen/uit te lokken om een misdrijf, te weten het opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweegbrengen (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht), te begaan, door al dan niet via een tussenpersoon:
- die [persoon 1] te benaderen met het verzoek om aan [adres 2] te [plaats 1] een brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen en/of explosie teweeg te brengen,
- die [persoon 1] een geldelijke vergoeding in het vooruitzicht te stellen,
- die [persoon 1] inlichtingen te verschaffen over de locatie naar waar die [persoon 1] zich moest begeven,
- die [persoon 1] instructies te geven over de manier waarop die [persoon 1] zich naar de locatie moest begeven,
- die [persoon 1] instructies te gegeven om de brandstichting en/of ontploffing te filmen en/of een ruit in te gooien en/of een Cobra 6 met benzine te combineren,
- na te vragen en/of te controleren of uitvoering is/wordt gegeven aan de instructies en/of op/bij voornoemd adres in Duitsland het explosief tot ontploffing is gebracht, en/of
- na te vragen of er (video)beelden zijn ter bewijs van de op/bij voornoemd adres in Duitsland tot ontploffing gebrachte/te brengen explosie;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 46a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 18 december 2025 te [plaats 1] (Duitsland), aan/bij een pand gelegen op/aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht immers heeft/hebben verdachte zijn mededaders een of meer stuk(s) zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een explosief aangebracht aan en/of rondom voornoemd pand en/of (vervolgens) dit explosief aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen op/aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland) en/of de in/rondom voornoemd pand aanwezige goederen en/of naburige woningen en/of panden en/of goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zijn mededader(s), de in die woningen en/of panden aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was;
(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] op of omstreeks 18 december 2025 te [plaats 1] (Duitsland), in/aan een het pand gelegen op/aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland), opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht immers heeft/hebben deze [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] een of meer stuk(s) zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een explosief aangebracht aan/rondom voornoemd pand en/of (vervolgens) dit explosief aangestoken, in elk geval tot ontploffing gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen op/aan [adres 2] ( [plaats 1] , Duitsland) en/of de in/rondom voornoemd pand aanwezige goederen en/of naburige woningen en/of panden en/of goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zijn mededader(s), de in die woningen en/of panden aanwezige personen, en/of voorbijgangers te duchten was
welk strafbaar feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 3 december tot en met 18 december 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door:
- met voornoemde [medeverdachte 5] afspraken te maken en/of die [medeverdachte 5] inlichtingen te verschaffen over het uitvoeren van de explosie (waarbij
de locatie en het tijdstip en de uitvoering werden besproken),
- door die [medeverdachte 5] een of meerdere geldbedragen over te maken, en/of
- die [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] aan te sturen en/of aan te moedigen tot het (laten) plegen van dit strafbare feit;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 19 januari 2026, te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voorwerpen, vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten een of meer
- 1100 gram procaïne (zijnde versnijdingsmiddel voor cocaïne),
- gripzakken,
- (wegwerp)handschoenen
- weegschalen, en/of
- verpakkingsmateriaal (met de opdruk met “King”).
( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet )