Strafrecht overig

Vrijspraak van artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Niet bewezen dat het gebruik van diazepam…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
02-228005-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10762
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Niet bewezen dat het gebruik van diazepam door verdachte heeft geleid tot nadelige invloed op zijn rijvaardigheid. Slachtoffer reed met een dermate hoge snelheid waarmee verdachte geen rekening kon en hoefde te houden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-228005-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is ook de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 augustus 2025 te Zevenbergen als bestuurder van een bestelbus een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan [persoon] is komen te overlijden en dat hij onder invloed van diazepam heeft gereden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van de feiten 1 en 2.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit eveneens vrijspraak van beide feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt de volgende feiten vast. Op 22 augustus 2025 vond er omstreeks 15.24 uur op de Hazeldonkse Zandweg te Zevenbergen een ongeval plaats. Er gold ter plaatse een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Bij dit ongeval was verdachte betrokken, die als bestuurder van zijn bestelbus vanaf een oprit (onverharde weg) tussen weilanden linksaf de (verharde) weg op draaide in de richting van Zevenbergen. Ook was bij dit ongeval betrokken [persoon] (verder: [persoon] ) die op zijn motor over de Hazeldonkse Zandweg reed, eveneens in de richting van Zevenbergen. [persoon] reed vlak voor het ongeluk op zijn motor met een indicatieve snelheid van 161 kilometer per uur. Kort nadat verdachte de Hazeldonkse Zandweg opdraaide, botste [persoon] met zijn motor linksachter op de bestelauto van verdachte. Als gevolg van dit ongeval liep [persoon] dusdanige verwondingen op dat hij daaraan ter plekke is overleden. In het bloed van verdachte was een diazepamconcentratie van 0,24 milligram per liter aanwezig.

Feit 1

De rechtbank moet beoordelen of verdachte schuld heeft aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, en zo ja in welke mate. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de overtreding van artikel 6 WVW, is vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten. Om te beoordelen of sprake is van schuld komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, in deze zaak het overlijden van [persoon] , worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. De schuld van verdachte zou hebben bestaan uit het besturen van een motorvoertuig na het innemen van een of meer tabletten diazepam, waardoor zijn rijvaardigheid verminderd zou zijn, en het geen voorrang verlenen aan [persoon] .

Diazepam

Verdachte bestuurde zijn bestelauto terwijl hij 8 a 9 uren van tevoren 1 a 2 pillen 5 mg diazepam ingenomen had. Verdachte gebruikt diazepam sinds 2003 op voorschrift van en onder controle van zijn huisarts. Er is sprake van langdurig, structureel en medisch begeleid gebruik van het geneesmiddel.

Het NFI heeft geconcludeerd dat de aangetoonde concentratie diazepam de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloedde ten tijde van de bloedafname. De rechtbank acht deze conclusie echter onvoldoende om te bewijzen dat verdachte onder zodanige invloed verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Met de door de verdediging ter zitting naar voren gebrachte wetenschappelijke onderzoeken is aannemelijk geworden dat bij langdurig gebruik sprake kan zijn van diazepamtolerantie of gewenning waardoor geen significante verslechtering van de feitelijke rijprestaties meer wordt gemeten ten opzichte van niet-gebruikers. Uit het onderzoek ter terechtzitting is verder niet gebleken dat verdachte last had van relevante bijwerkingen of verminderende rijvaardigheid. Op grond hiervan kan niet worden bewezen dat het gebruik van diazepam door verdachte heeft geleid tot nadelige invloed op zijn rijvaardigheid.

Voorrang geven

Vast staat dat verdachte aan [persoon] geen voorrang verleend heeft.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dat aan verdachte te verwijten valt. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij twee keer naar beide kanten heeft gekeken voordat hij de verharde weg is opgedraaid, maar dat hij de motorrijder niet heeft gezien. Vast staat dat [persoon] vlak voor de botsing met een gemiddelde indicatieve snelheid reed van 161 kilometer per uur. Dit terwijl ter plaatse een maximum snelheid gold van 80 kilometer per uur. Als verkeersdeelnemer heeft men weliswaar de verantwoordelijkheid om rekening te houden met verkeersgedrag van anderen, ook als dat gedrag een overtreding van verkeersregels inhoudt, maar met een dermate grote overschrijding van de maximumsnelheid kan en hoeft men geen rekening te houden. Door een dergelijke overschrijding van de maximumsnelheid hebben andere verkeersdeelnemers namelijk geen mogelijkheid tot anticiperen op dit gedrag. Hieruit volgt dat verdachte weliswaar een verkeersfout heeft begaan (geen voorrang gegeven), maar dat het ongeval niet verweten kan worden aan verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Conclusie

Op grond van al het bovenstaande zal de rechtbank verdachte van het ten laste gelegde feit 1 vrijspreken.

Feit 2

Op grond van hetgeen de rechtbank onder het kopje ‘Diazepam’ bij feit 1 heeft overwogen acht de rechtbank ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte van dit feit vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 5.000,- voor feit 1.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. H. Skalonjic en mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 november 2026.

Mr. Skalonjic is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1
hij op of omstreeks 22 augustus 2025 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten en bestelbus, daarmede rijdende over de weg, de Hazeldonkse Zandweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, een of meerdere diazepam in te nemen en/of (vervolgens) een bestelauto te besturen en/of komende vanaf een onverharde weg, geen voorrang te verlenen aan een motorijder op de verharde weg waardoor een ander (genaamd [persoon] ) werd gedood;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2
hij op of omstreeks 22 augustus 2025 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk als bestuurder van een voertuig, (een bestelauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten diazepm, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )