Strafrecht overig
Veroordeling voor een beroep maken van het medeplegen van het verhandelen van vuurwapens (art. 9 WWM), het…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10761 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10761
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 02-180770-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10761
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor een beroep maken van het medeplegen van het verhandelen van vuurwapens (art. 9 WWM), het voorhanden hebben van vuurwapens en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Vrijspraak voor het voorhanden hebben van een ander vuurwapen. Gevangenisstraf.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-180770-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 november 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [locatie] ,
raadsman mr. F.T. Sakrak, advocaat te Zaandam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. H.G. Klootwijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
-
op 12 juni 2025 in [plaats 1] en/of Vrouwenpolder, al dan niet samen met anderen, een pistool voorhanden heeft gehad;
-
op 12 juni 2025 in [plaats 2] , al dan niet samen met anderen, 8 pistolen en 2 revolvers voorhanden heeft gehad;
-
op 12 juni 2025 in [plaats 2] , al dan niet samen met anderen, 30.640 gram hasjiesj en 52.800 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;
-
in de periode van 1 februari 2025 tot en met 12 juni 2025 op verschillende plaatsen en in verschillende landen, al dan niet samen met anderen, meermalen vuurwapens heeft verhandeld en daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering op 5 december 2025.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Bij feit 4 gaat zij uit van de periode vanaf 6 april 2025, of in ieder geval 1 juni 2025, tot en met 12 juni 2025. Voor zover nodig gaat de rechtbank bij de bijzondere overwegingen nader in op het standpunt van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verzocht wordt behoedzaam om te gaan met de verklaring van [persoon 1] en deze niet voor het bewijs te gebruiken. Naast zijn verklaring ontbreekt bewijs voor het medeplegen van de feiten door verdachte. Bij feit 1 kan niet worden bewezen dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van feit 4 is subsidiair aangevoerd dat de periode aanzienlijk moet worden beperkt. Voor zover nodig gaat de rechtbank bij de bijzondere overwegingen nader in op het standpunt van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Inleiding
Op 12 juni 2025 heeft [persoon 1] zich bij de politie gemeld en verklaard over onder andere vuurwapenbezit en vuurwapenhandel door [persoon 2] , zijn kamergenoot in het AZC in [plaats 1] . Ook heeft hij verklaard over de betrokkenheid van verdachte en [persoon 3] hierbij. Zij verblijven ook in het AZC in [plaats 1] . Er zouden zich wapens bevinden in het pand aan [adres 2] in [plaats 2] en [persoon 2] zou gebruik maken van een personenauto van het merk Renault met [kenteken] .
Op 12 juni 2025 is [persoon 2] samen met verdachte te Vrouwenpolder aangehouden in de hiervoor genoemde auto. In de auto is een vuurwapen gevonden. Op 12 juni 2025 heeft daarnaast een doorzoeking plaatsgevonden in de panden aan [adres 2] en [adres 3] in [plaats 2] . Op het [adres 3] te [plaats 2] is [persoon 3] aangetroffen en aangehouden. Op datzelfde adres zijn meerdere vuurwapens en munitie aangetroffen in een verborgen ruimte en in het plafond. Daarnaast is er ook een forse hoeveelheid hennep en hasjiesj gevonden. Verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de vuurwapenhandel, dat hij de vuurwapens in het pand en in de auto voorhanden heeft gehad en hennep en hasjiesj aanwezig heeft gehad.
De rechtbank zal allereerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1] nu zijn verklaring en de betrouwbaarheid ervan van belang is voor de beoordeling van alle feiten. Vervolgens zal de rechtbank per feit ingaan op het bewijs. Daarbij zal de rechtbank de chronologische volgorde van de feiten aanhouden.
Betrouwbaarheid verklaring [persoon 1]
heeft meermalen een verklaring afgelegd bij de politie. Op 12 juni 2025 heeft hij zich gemeld bij de politie en in eerste instantie als melder en vervolgens tijdens een informatief gesprek een verklaring afgelegd. Op 8 juli 2025 heeft hij als getuige een verklaring bij de politie afgelegd en op 5 februari 2026 als verdachte. Tot slot heeft hij op 5 oktober 2026 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris.
Samengevat heeft [persoon 1] het volgende verklaard. [persoon 2] houdt zich bezig met de handel in vuurwapens en verdovende middelen. Hij importeert vuurwapens vanuit Turkije. [persoon 2] bevindt zich doorgaans in een pand in [plaats 2] en heeft de beschikking over twee vuurwapens, een zwart handvuurwapen dat hij bij zich draagt en een revolver die in Amsterdam ligt. [persoon 1] werd ongeveer drie weken voor zijn eerste melding bij de politie door [persoon 2] gevraagd naar Amsterdam te komen. Hij is samen met [persoon 3] op 28 mei 2025 met de trein naar Amsterdam gegaan en kwam aan bij een bedrijfspand aan [adres 2] in [plaats 2] . [persoon 1] heeft daar twee weken verbleven. Een aantal dagen na aankomst zijn [persoon 1] en [persoon 3] betrokken geweest bij het ophalen van wapens. Dat kan tussen 19.00 en 21.00 uur zijn geweest. [persoon 3] wist daarvan, omdat dit hem de avond ervoor door [persoon 2] is verteld. Zij hebben een geldbedrag van [persoon 2] gekregen en werden vanuit het pand in Amsterdam met de taxi door [persoon 4] naar een vrachtwagenchauffeur van een Turkse vrachtwagen gebracht. Zij hebben de chauffeur het geld overhandigd, waarna zij een tas met ongeveer 40 vuurwapens van de chauffeur in ontvangst hebben genomen. Ze zijn daarmee teruggegaan naar het pand in [plaats 2] . In het pand zijn de wapens uit de tas gehaald en heeft [persoon 3] ze ook gezien. Op enig moment na het ophalen van de vuurwapens is [persoon 3] vertrokken en is verdachte gekomen. Hij wist van de wapens. Het pand werd de afgelopen weken beveiligd, afwisselend door [persoon 1] en verdachte en [persoon 2] . [persoon 3] beveiligde de locatie ook. In het pand in [plaats 2] waren vuurwapens en verdovende middelen, waaronder marihuana, aanwezig. Die lagen in een ruimte links tegen de muur achter een kast als je het pand binnenkomt. Twintig van de wapens zijn naar België gegaan. In de nacht van 4 op 5 juni of 5 op 6 juni 2025 zijn er twee auto’s met Belgisch kenteken gekomen om de wapens op te halen uit het pand in Amsterdam. Die nacht verbleven onder andere [persoon 2] , verdachte en [persoon 1] in het pand. In de avond voor de levering heeft [persoon 2] de wapens erbij gehaald, ze op de foto gezet en die naar [persoon 5] gestuurd en te koop aangeboden. Er waren een aantal (tien, elf of vijftien) vuurwapens overgebleven die nog in het pand lagen. De rest is verkocht door [persoon 5] . [persoon 2] , verdachte en [persoon 4] brachten de wapens naar [persoon 5] . De vuurwapens waren handwapens, gelijkend op die van de politie. Onder het bed in de woning boven de loods lag ook een revolver. Twee weken geleden had [persoon 1] marihuana op moeten halen, drie grote kartonnen dozen of zakken. Hij is samen met [persoon 2] en [persoon 4] naar Den Haag gegaan. Nadat de zakken waren opgehaald hebben ze die naar het pand in [plaats 2] gebracht. Ongeveer een week geleden heeft [persoon 2] een auto gekocht die op naam is gezet van de zoon van de taxichauffeur [persoon 4] . De auto is door [persoon 1] aangewezen aan de politie. Op de dag van de melding van [persoon 1] of de dag erna zouden [persoon 2] en verdachte vertrekken naar Amsterdam. Mogelijk zou [persoon 3] in Amsterdam het pand aan het beveiligen zijn.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1] . Hij heeft bij al zijn verklaringen in de kern consistent hetzelfde verhaal verteld. Deze verklaringen komen authentiek en oprecht over, onder meer omdat verdachte bij het COA zijn zorgen ook al had aangekaart. De rechtbank betrekt bij haar oordeel over de betrouwbaarheid ook dat [persoon 1] niet alleen over strafbare feiten verklaart die door anderen zijn gepleegd, maar ook zichzelf belast doordat hij uitgebreid verklaart over zijn eigen betrokkenheid bij die feiten. Dat zijn verklaringen op sommige onderdelen (kleine) tegenstrijdigheden bevatten, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zijn verklaringen in het geheel onbetrouwbaar zijn. Dat [persoon 1] zijn eigen rol kleiner maakt door anderen te beschuldigen, ziet de rechtbank niet terug in zijn verklaring en evenmin in de stukken in het dossier. Dat [persoon 1] bij de rechter-commissaris over bepaalde details anders heeft verklaard dan bij de politie, acht de rechtbank goed verklaarbaar door het ruime tijdsverloop tussen het verhoor bij de rechter-commissaris en de gebeurtenissen in mei en juni 2025. Het is voorstelbaar dat hij zich die details minder goed kan herinneren. Daarbij komt dat ook zijn verklaring bij de rechter-commissaris in de kern overeenkomt met zijn verklaringen bij de politie. Tot slot ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat het gebruik van cocaïne of eventueel aanwezige psychische problemen zijn herinnering of mogelijkheid om accuraat te verklaren dusdanig negatief heeft beïnvloed dat zijn verklaring niet meer betrouwbaar zou zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verklaring van [persoon 1] op diverse wezenlijke punten wordt ondersteund door ander bewijs in het dossier. Daar gaat de rechtbank hierna nader op in.
Steunbewijs
De verklaring van [persoon 1] wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door andere (objectieve) bewijsmiddelen in het dossier.
Bevindingen 12 juni 2025
[persoon 2] is aangehouden in de eerder door [persoon 1] aangewezen auto, een personenauto van het merk Renault met [kenteken] . Die stond, zoals [persoon 1] heeft verklaard, op naam van de zoon van een taxichauffeur genaamd [persoon 4] . In de auto is een vuurwapen aangetroffen dat [persoon 2] volgens zijn eigen verklaring daar heeft neergelegd. [persoon 2] zat samen met verdachte in de auto. De navigatie van de telefoon van [persoon 2] stond ingesteld op het [adres 2] te [plaats 2] . Kennelijk waren zij, zoals door [persoon 1] is verklaard, onderweg naar die locatie.
In het pand aan [adres 3] zijn 10 vuurwapens van categorie III (8 pistolen en 2 revolvers) en een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj aangetroffen. De hoeveelheid vuurwapens stemt (ongeveer) overeen met de hoeveelheid waarover [persoon 1] heeft verklaard. Het grootste deel van de wapens en drugs zijn aangetroffen op de begane grond in een verborgen kamer waarvan de toegang werd afgedekt door een kast, zoals ook is verklaard door [persoon 1] . [persoon 3] was aanwezig in het pand, ook conform de verklaring van [persoon 1] .
Onderzoek telefoons
Er is onderzoek gedaan naar de gegevens in de telefoons van [persoon 2] , verdachte, [persoon 3] en [persoon 1] . Hieruit kan het volgende worden afgeleid.
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van [persoon 3] volgt dat er op 31 mei 2025 en 1 juni 2025 (rond de datum van het ophalen van de vuurwapens) een reisbeweging is geweest van een locatie in de buurt van de mast op [adres 4] te [plaats 2] naar een locatie in de buurt van de mast op [adres 5] te [plaats 3] en weer terug. De gesprekken/sessies in [plaats 3] zijn vermoedelijk datapakketjes geweest die aan de startmast kunnen blijven hangen ondanks een verplaatsing. De rechtbank is van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat [persoon 3] op die dagen van en naar de [straat] te [plaats 2] is gereisd. Dit past bij de verklaring van [persoon 1] dat hij samen met [persoon 3] enkele dagen na 28 mei 2025 vanaf het pand aan de [straat] is vertrokken om wapens op te halen en dat die vervolgens naar het pand zijn gebracht. Dat de telefoon van [persoon 3] pas op 1 juni 2025 om 12:00 uur weer gebruik maakte van de zendmast in [plaats 2] , kan ermee te maken hebben dat de gesprekken/sessies in [plaats 3] datapakketjes zijn geweest die aan de startmast kunnen blijven hangen ondanks een verplaatsing.
In de avond en nacht van 31 mei 2025 op 1 juni 2025 vindt er veelvuldig telefonisch contact plaats tussen [persoon 2] , [persoon 1] en verdachte, wat goed kan passen bij de omstandigheid dat in die avond dan wel nacht de transactie rondom de vuurwapens plaatsvond. Op 1 juni 2025 om 00:16 uur is er een chatgesprek tussen [persoon 3] en verdachte, waarbij [persoon 3] de locatie [straat] te [plaats 2] met verdachte deelt. Dit past bij de verklaring van [persoon 1] dat verdachte is gekomen nadat [persoon 3] is weggegaan.
Foto’s en chatgesprekken telefoons van verdachte
Op de telefoon van verdachte is een chatgesprek aangetroffen met ‘my cousin’, vermoedelijk [persoon 6] . In de chat zegt verdachte op 1 juni 2025 (vertaald uit het Turks) dat hij aan het werk is en dat hij zijn eerste levering heeft gedaan. Hij heeft twee leveringen gedaan die dag en dat hij de hele dag met twee pistolen onder zijn middel heeft rondgelopen. Hij vertelt over een huis met twee verdiepingen, waar geen elektriciteit is, dat wordt gebruikt als opslag. Er liggen nu zo’n dertig machines.
Door meerdere tolken is aangegeven dat het woord ‘machines’ in het Turks wordt gebruikt als synoniem voor vuurwapens. Het pand aan [adres 3] te [plaats 2] betreft een pand met twee verdiepingen en de elektriciteit was afgesloten omdat het een kraakpand betrof. De rechtbank concludeert dat in het gesprek met ‘machines’ vuurwapens worden bedoeld, gelet op de context van het gesprek waarbij onder andere over pistolen wordt gesproken, maar ook omdat het bericht van verdachte van 1 juni 2025 dat hij zijn eerste levering heeft gedaan, aansluit bij de verklaring van [persoon 1] dat de vuurwapens enkele dagen na 28 mei 2025 zijn gehaald en dat er vuurwapens in het pand aan [straat] liggen.
Verder is in de telefoon van verdachte een chatgesprek aangetroffen met [persoon 7] . Op 5 juni 2025 zegt verdachte tegen [persoon 7] (vertaald uit het Turks) dat er niet alleen de machine, maar er ook allerlei soorten spullen zijn, zoals ‘Koko Mariyana’. Op 9 juni 2025 zegt [persoon 7] ‘die machines die je aan mij hebt gestuurd (geappt?).. zouden we
deze in Turkije in de verkoop kunnen zetten of alleen [in de verkoop zetten] in Europa?’ en ‘De prijzen die je mij hebt genoemd, zijn toch ook hetzelfde in Turkije, toch?’ en ‘Voor hoeveel doe je het voor mij? Als ik het in Turkije verkoop.. in Euro's’. Hierop reageert verdachte onder andere met ‘In Turkije is het 1600, broer’ en ‘normale verkoop zit tussen 1800 en 2000’ en Schrijven jullie maar Azad silah [silah = wapen] op YouTube, al die
machines [die je] daar [te zien krijgt], zijn aanwezig, broer’. Op de vraag van [persoon 7] op 10 juni 2025 ‘Hebben wij Glok 17, 18 die niet automatisch is’ antwoordt verdachte met ‘jawel, broer, alles [hebben we]’.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte spreekt over de prijzen van vuurwapens en hierover afspraken maakt en dat er ook andere spullen geleverd kunnen worden. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat met ‘Koka’ cocaïne en met ‘Mariyana’ marihuana wordt bedoeld, gelet op de context van het gesprek. De rechtbank stelt vast dat in het gesprek met ‘machines’ vuurwapens worden bedoeld, gelet op de context van het gesprek waarbij onder andere een foto van een vuurwapen wordt verstuurd.
In een gesprek met Engin Can op 5 juni 2025 zegt verdachte ‘je hebt alles broer’, ‘Machine, sigaret, AM, cocaïne’, ‘wat je ook maar wenst’ en ‘Mijn loods zit vol’. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte in de loods de beschikking heeft over ‘machines’, oftewel vuurwapens.
Tot slot zijn in de telefoon van verdachte afbeeldingen van een zwart vuurwapen aangetroffen. De foto’s zijn gemaakt met een Samsung, [nummer] hetgeen overeenkomt met de inbeslaggenomen telefoon. De GPS-locaties straalden aan bij de straat [straat] te Amsterdam op het moment van opslaan van de foto’s. De foto’s lijken op 2 juni 2025 om 17:36 uur te zijn genomen. Op twee van de vijf foto’s is het serienummer leesbaar. Dat is hetzelfde serienummer als het vuurwapen dat is aangetroffen in de kofferbak van de auto waarin [persoon 2] en verdachte zijn aangehouden.
Conclusie
Nu de rechtbank geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 1] te twijfelen en zijn verklaring steun vindt in ander bewijs, acht de rechtbank de verklaring van [persoon 1] betrouwbaar en zal zij deze gebruiken voor het bewijs.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij een keer in het pand aan [adres 3] is geweest, daar één keer een vuurwapen vast heeft gehad, maar dat hij niets met vuurwapenhandel te maken heeft. In het licht van de verklaring van [persoon 1] en het hiervoor genoemde steunbewijs, acht de rechtbank de verklaring van verdachte zelf ongeloofwaardig.
Feit 4
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, namelijk de verklaring van [persoon 1] en het genoemde steunbewijs, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 28 mei 2025 tot en met 12 juni 2025 meermalen transacties heeft verricht met betrekking tot vuurwapens door zijn betrokkenheid bij het ter beschikking stellen van 20 vuurwapens aan personen uit auto’s met Belgische kentekens, het brengen van vuurwapens naar [persoon 5] en het via een berichtendienst spreken over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens. Dat onduidelijk is of er transacties zijn doorgegaan naar aanleiding van de berichten van verdachte, laat onverlet dat er onderhandelingen zijn gevoerd en dat verdachte ook op die momenten als wapenmakelaar heeft opgetreden. Voor wat betreft de periode waarin verdachte het feit heeft gepleegd, sluit de rechtbank voor de begindatum aan bij de datum waarop [persoon 3] naar Amsterdam is gereisd, nu kort daarna de 40 vuurwapens naar [adres 3] zijn gebracht en verder verhandeld door onder andere verdachte.
Door zo te handelen heeft hij zonder erkenning vuurwapens in de uitoefening van een bedrijf uitgewisseld, anderszins ter beschikking gesteld en verhandeld, door via een berichtendienst berichten en foto’s te plaatsen en/of te versturen van vuurwapens, te spreken over de prijs en als tussenpersoon op te treden bij de koop en/of verkoop van vuurwapens.
Medeplegen
Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Verdachte heeft samen met een ander de vuurwapens verhandeld en ter beschikking gesteld. Daarmee heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het feit. De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen daarom wettig en overtuigend bewezen.
Beroep of gewoonte
Bij het maken van een ‘beroep of gewoonte’ van het feit in de zin van de wet Wapens en munitie ligt het kenmerkende van de gewoonte in de herhaling, terwijl het bij het handelen uit beroep gaat om het oogmerk om te herhalen. Volgens vaste jurisprudentie moet bij handelen uit beroep sprake zijn van de wil om eenzelfde feit stelselmatig uit winstbejag of om in het onderhoud te voorzien, te begaan. Daarvoor kan één daad voldoende zijn, mits deze wijst op het vaste voornemen hetzelfde feit nogmaals te begaan met het oog op financieel gewin.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een beroep heeft gemaakt van het feit, nu hij op meerdere momenten betrokken is geweest bij het verhandelen van vuurwapens en omdat hij het oogmerk heeft om eenzelfde feit stelselmatig te begaan met oog op financieel gewin. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte contact heeft gehad met anderen over de verkoop van vuurwapens en daarbij heeft gesproken over de beschikbaarheid van vuurwapens en de prijzen ervan. Hij vertelt bovendien aan zijn neef [persoon 6] dat hij zijn eerste twee leveringen heeft gedaan.
Feit 2 en 3
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Ook voor het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep en hasjiesj is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat hij de beschikkingsmacht over deze verdovende middelen had.
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verdachte in de periode na het ophalen van de 40 vuurwapens door [persoon 1] en [persoon 3] , betrokken is geweest bij het verhandelen van een deel van die wapens. Verder is gebleken dat verdachte in de periode daarna op het adres op [adres 3] in [plaats 2] is geweest en daar (vermoedelijk op 2 juni 2025) foto’s heeft gemaakt van een vuurwapen terwijl hij dat in handen had.
Verder volgt uit het dossier dat verdachte in chatgesprekken verschillende soorten vuurwapens te koop aanbiedt waarover hij zegt dat hij die samen met anderen tot zijn beschikking heeft. Hij benoemt daarbij dat hij ‘een loods vol’ met spullen heeft en dat hij ook over marihuana beschikt, waarbij hij een pand beschrijft waarvan de eigenschappen overeenkomen met het pand aan [adres 3] . Hoewel verdachte op 12 juni 2025 niet in het pand aan [adres 3] aanwezig was, leidt de rechtbank uit die omstandigheden af dat verdachte samen met anderen over de daar aanwezige vuurwapens, hennep en hasjiesj kon beschikken, ook op 12 juni 2025. Dat de spullen in een verborgen kamer lagen en dat verdachte mogelijk niet precies wist welke wapens en drugs zich in het pand bevonden, maakt niet dat niet anders, nu de bewustheid van verdachte zich niet hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van de vuurwapens en (soft)drugs of tot de exacte locatie ervan.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met en of meer anderen de ten laste gelegde vuurwapens voorhanden heeft gehad en de ten laste gelegde hoeveelheden hennep en hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 1
Zoals hiervoor is overwogen, is voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen vereist dat verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad en dat feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Verdachte is op 12 juni 2025 aangehouden in een personenauto samen met [persoon 2] . Uit het dossier volgt dit een auto was die door [persoon 2] was gekocht en door hem werd gebruikt. In de koffer van de auto is een vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen was gewikkeld in een handdoek. Die handdoek zat weer in een plastic tas. Het vuurwapen was dus niet direct zichtbaar. [persoon 2] heeft verklaard dat hij het vuurwapen in het zakje heeft gelegd en het zakje per ongeluk heeft meegenomen.
Uit camerabeelden volgt dat verdachte op 12 juni 2025 ongeveer drie kwartier voor de aanhouding de auto is gestapt. Kort nadat hij is ingestapt, is hij de auto weer uitgestapt met een tasje in zijn handen. Voor zover dit het tasje betreft waarin het wapen zich bevond, volgt uit het dossier niet dat verdachte wist of moest weten dat het tasje een wapen bevatte. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte het vuurwapen niet bewust aanwezig heeft gehad op 12 juni 2025.
De omstandigheid dat er DNA-materiaal van verdachte op het vuurwapen is aangetroffen maakt dit niet anders. Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting volgt immers dat verdachte op een eerder moment dan op 12 juni 2025 een foto van een vuurwapen met hetzelfde serienummer heeft gemaakt waarbij het vuurwapen ook vast heeft gehad. Het is daarom mogelijk dat het DNA-materiaal van verdachte op die datum op het vuurwapen terecht is gekomen, zonder dat verdachte het vuurwapen nadien nog in handen heeft gehad.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
2.
op 12 juni 2025 te [plaats 2] , gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen, tien vuurwapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- 8 vuurwapens in de vorm van pistolen van het merk Ceonic, Ceon-9, kaliber 9 x 19mm en
- 2 vuurwapens in de vorm van revolvers, één van een onbekend merk en één van het merk Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 LR voorhanden heeft gehad;
3.
op 12 juni 2025 te [plaats 2] , gemeente Ouder-Amstel
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten
- ongeveer 30.640 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere
substanties zijn toegevoegd en
- ongeveer 52.800 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.
in de periode van 28 mei 2025 tot en met 12 juni 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, zonder erkenning
vuurwapens en munitie, te weten pistolen van het merk CeonicCeon-9 en revolvers van een ander merk
- in de uitoefening van een bedrijf heeft uitgewisseld, ter beschikking heeft gesteld en heeft
verhandeld, door
- via een berichtendienst meerdere berichten en foto’s te plaatsen en/of te versturen van
vuurwapens die hij, verdachte en/of zijn mededaders, te koop aanbieden en
- via een berichtendienst te spreken over de prijs en
- als tussenpersoon op te treden bij koop en/of verkoop van vuurwapens,
terwijl verdachte en/of zijn mededaders de feiten begingen met betrekking tot vuurwapens van categorie III van de Wet wapens en munitie,
van welke feiten verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 46 maanden met aftrek van voorarrest. Bij haar eis heeft zij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd en de omstandigheid dat verdachte speciaal naar Nederland is gekomen voor het plegen van de feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van voorarrest. Subsidiair wordt verzocht geen gevangenisstraf op te leggen van meer dan 24 maanden. Een voorwaardelijk strafdeel is niet passend, omdat verdachte geen strafblad heeft en geen verblijfsrecht in Nederland. Verzocht wordt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de rol van verdachte en de korte pleegperiode.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich in een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verhandelen van vuurwapens en het daarvan een beroep maken. Hij heeft meermalen transacties verricht met betrekking tot vuurwapens door het ter beschikking stellen en het brengen van vuurwapens naar anderen en door via een berichtendienst te spreken over prijzen en beschikbaarheid van vuurwapens. Daarmee heeft hij een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerd verspreiden van vuurwapens. De vuurwapens waarin werd gehandeld zijn gevaarlijk en het ongecontroleerde bezit ervan brengt onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich mee. Ook leidt het tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft bijgedragen aan het in standhouden van illegale wapenhandel. Voor dergelijke feiten worden doorgaans forse straffen opgelegd. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 10 vuurwapens en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj. Dergelijke hoeveelheden kunnen niet anders dan bedoeld zijn voor grootschalige handel, waarmee doorgaans georganiseerde criminaliteit gepaard gaat. Deze drugs brengt een risico voor de volksgezondheid met zich mee voor de gebruikers ervan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland.
Uit het dossier en ter zitting is gebleken dat verdachte vanuit Turkije naar Nederland is gekomen en asiel heeft aangevraagd en dat hij ten tijde van de feiten in het AZC verbleef en (nog) geen geldige verblijfstitel heeft in Nederland. Hij is voornemens terug te keren naar Turkije.
De rechtbank komt anders dan de officier van justitie tot een bewezenverklaring van drie feiten in plaats van vier, waardoor zij een lagere straf zal opleggen dan is geëist. Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf voor verdachte (in relatie tot de straf voor medeverdachte) in zwaarwegende mate meegewogen dat hij een beroep heeft gemaakt van de wapenhandel en dat hij blijkens de berichten die hij heeft verstuurd het oogmerk had om dezelfde feiten nogmaals te begaan met het oog op financieel gewin. Gelet op ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie jaar.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 Het beslag
De teruggave
Ten aanzien van de volgende in beslag genomen voorwerpen wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte:
vermeld op de beslaglijst:
1) 1.675,25 EUR Geld Euro (PL2000-2025150547-G2872716);
niet vermeld op de beslaglijst
* telefoon Apple (PL2000-2025150547-G2872700);
* USB-stick (PL2000-2025150547-G2871294);
* Rugzak merk Alpi (PL1300-2025144785-6670450).
De onttrekking aan het verkeer
In het onderzoek zijn meerdere wapens, patroonhouders en munitie in beslag genomen, zonder dat daarbij een beslagene is vermeld. Deze voorwerpen zijn niet vermeld op de beslaglijst.
De inbeslaggenomen wapens, patroonhouders en munitie worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De verbeurdverklaring
Onder verdachte is een telefoon van het merk Samsung in beslag genomen (nummer PL2000-2025150547-2872705). Het inbeslaggenomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het voorwerp aan verdachte toebehoort en de onder 2, 3 en 4 bewezen feiten met behulp van dit voorwerp zijn voorbereid.
Geen beslissing
Op het door de officier van justitie overgelegde overzicht van in beslag genomen voorwerpen (die niet op de beslaglijst staan) staat een tweetal telefoons ten aanzien waarvan de officier van justitie verbeurdverklaring heeft verzocht, maar ten aanzien waarvan geen beslagene is vermeld in het dossier. Dit betreffen een Apple telefoon met nummer PL2000-2025150547-G2871286 en een Redmi telefoon met nummer PL2000-2025150547- G2871280. Deze telefoons zijn aangetroffen in de auto waarin verdachte en medeverdachte [persoon 2] zijn aangehouden. Zowel verdachte als [persoon 2] heeft verklaard dat de telefoons eigendom zijn van [persoon 2] . De strafzaak tegen [persoon 2] is nog niet inhoudelijk behandeld. Gelet op het voorgaande, zal in die strafzaak een beslissing moeten worden genomen over de voorwerpen. De rechtbank zal daarom nu geen beslissing nemen over de betreffende telefoons.
Verder heeft de officier van justitie verbeurdverklaring verzocht ten aanzien van een telefoon met nummer PL2000-2025150547-G2871396. Deze telefoon is in beslag genomen onder medeverdachte [persoon 1] , wiens strafzaak ook nog niet inhoudelijk is behandeld. Er zal in die strafzaak een beslissing moeten worden genomen over dat voorwerp. De rechtbank zal daarom nu geen beslissing nemen over de betreffende telefoon.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 4: handelen in strijd met art. 9 lid 1 van de WWM, begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie III, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 3, onderdeel a van de WWM, en van het anderszins ter beschikking stellen/verhandelen van wapens een beroep maken, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 4 van de WWM;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
vermeld op de beslaglijst:
1) 1.675,25 EUR Geld Euro (PL2000-2025150547-G2872716);
niet vermeld op de beslaglijst
* telefoon Apple (PL2000-2025150547-G2872700);
* USB-stick (PL2000-2025150547-G2871294);
* Rugzak merk Alpi (PL1300-2025144785-6670450);
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
niet vermeld op de beslaglijst:
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683847);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683849);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683851);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683852);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683854);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683856);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683857);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6683859);
* pistool (nummer 1) (PL1300-2025144785-G6669125);
* pistool (nummer 2) (PL1300-2025144785-G6669126);
* pistool (nummer 3) (PL1300-2025144785-G6669127);
* pistool (nummer 4) (PL1300-2025144785-G6669130);
* pistool (nummer 5) (PL1300-2025144785-G6669131);
* pistool (nummer 6) (PL1300-2025144785-G6669133);
* pistool (nummer 7) (PL1300-2025144785-G6669134);
* pistool (nummer 8) (PL1300-2025144785-G6669135);
* revolver (PL1300-2025144785-G6669137);
* revolver (PL1300-2025144785-G6669136);
* huls (kal. 22 Lr) (PL1300-2025144785-G6683911);
* patroonhouder (PL1300-2025144785-G6669142);
* kogelpatroon (PL1300-2025144785-G6669144);
* kogelpatroon (PL1300-2025144785-G6669143);
* kogelpatroon (PL1300-2025144785- G6669141);
* kogelpatroon (PL1300-2025144785-G6669139);
* kogelpatroon (PL1300-2025144785-G6669138);
* munitie (kal. 9 mm) (PL2000-2025150547-G2871823);
* patroonhouder (PL2000-2025150547-G2871801);
* pistool (PL2000-2025150547-G2871281);
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:
niet vermeld op de beslaglijst:
* telefoon (Samsung) (PL2000-2025150547-2872705).
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
en mr L.P. Hertsig en mr. L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 november 2026.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 1] en/of Vrouwenpolder,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk Ceonic, Ceon 9, kaliber 9x19 mm, zijnde
een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 2] , gemeente
Ouder-Amstel, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
tien, althans een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet
wapens en munitie, te weten
- 8 vuurwapens in de vorm van een pistool, van het merk Ceonic,
Ceon-9, kaliber 9 x 19mm en/of
- 2 vuurwapens in de vorm van een revolver, van een onbekend merk
en/of van het merk Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 LR
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats 2] , gemeente
Ouder-Amstel
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid
5 van de Opiumwet, te weten
ongeveer 30.640 gram, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere
substanties zijn toegevoegd en/of
ongeveer 52.800 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30
gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet;
(art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1
Wetboek van Strafrecht)
4
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari
2025 tot en met 12 juni 2025 te [plaats 2] , althans in Nederland
en/of te Istanbul, althans in Turkije en/of Duitsland en/of België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal
zonder erkenning
een of meer wapens en/of munitie, te weten van het merk Ceonic
Ceon-9 en/of andere merken zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van
een geweer, revolver en/of pistool,
althans een of meerdere wapens van categorie II en/of III en/of
munitie van categorie II en/of III
- heeft vervaardigd, heeft getransformeerd, in de uitoefening van een
bedrijf heeft uitgewisseld, heeft verhuurd en/of anderszins ter
beschikking heeft gesteld, heeft hersteld, heeft beproefd, heeft
verhandeld en/of
- in de uitoefening van een bedrijf heeft onderhandeld over en/of
transacties heeft geregeld voor de aankoop, de verkoop en/of de
levering van wapens en/of munitie en/of de overbrenging van
wapens en/of munitie binnen, naar en/of vanuit een lidstaat van de
Europese Unie heeft georganiseerd, door
- via een berichtendienst (te weten WhatsApp en/of TikTok) meerdere
berichten en/of foto’s en/of video’s te plaatsen en/of te versturen van
vuurwapens die hij, verdachte en/of zijn mededaders, te koop
aanbieden en/of navraag over doen, en/of
- via een berichtendienst (te weten WhatsApp en/of TikTok) te spreken
en/of afspraken te maken over de prijs en/of de betaling en/of het
moment en/of de locatie van levering, en/of
- als tussenpersoon op te treden bij koop en/of verkoop van
vuurwapens,
en verdachte en/of zijn mededaders het feit begingen met betrekking
tot een of meer wapens van categorie II onderdeel 1, 3, 4, 5 en/of 6
en/of een of meer vuurwapens van categorie III van de Wet wapens en
munitie,
van welk feit verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt;
(art 9 Wet wapens en munitie)