Strafrecht overig

Veroordeling voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
02-137124-26
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10765
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek en waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-137124-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,

raadsman mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 12 mei 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning met gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, dan wel een poging daartoe heeft gedaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, maar betwist dat door deze brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was en bepleit daarom partiële vrijspraak.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 12 mei 2026 in zijn woning opzettelijk een brand heeft gesticht terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of door de brandstichting ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor anderen. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte woonde in een appartementencomplex bestaande uit vijf woonlagen met op iedere woonlaag vier woningen. Het appartement van verdachte bevond zich in het midden van de eerste woonlaag. In de nacht heeft verdachte de gordijnen aan de achterzijde van zijn woning in brand gestoken met een aansteker. Verdachte heeft verklaard de woning kort na het aansteken van de brand te hebben verlaten om melding te maken bij het politiebureau. Rond 03:35 uur hoorde [getuige] een alarm in een naastgelegen woning afgaan. Bij de achterdeur van het appartement van verdachte zag hij vlammen die tot heuphoogte kwamen. Daarop heeft hij de brandweer gebeld. Samen met een buurman heeft [getuige] de ruit van de achterdeur van de woning van verdachte met een hamer ingeslagen en hebben zij de brand met emmers water geprobeerd te blussen. Rond 03:41 uur kwamen verbalisanten en de brandweer ter plaatse en heeft de brandweer de brand verder geblust. In de gordijnen zaten gaten veroorzaakt door de brand. Ook de vloer en de kozijnen van de achterdeur waren zwart van het vuur en de rook. De bevelvoerder van de brandweer heeft verklaard dat indien buurtbewoners de brand niet geblust hadden, de brand veel groter was geworden en mogelijk was overgeslagen naar andere woningen.

Het verloop van een brand is per definitie vaak onvoorspelbaar en onbeheersbaar. Dit is des te meer het geval bij een brand in een appartement dat deel uitmaakt van een complex met naastgelegen appartementen en meerdere bovengelegen woonlagen. Dit maakt de brandhaard moeilijk te bereiken voor de brandweer. Bovendien is de brand door verdachte in de nachtelijke uren gesticht, waarbij het aannemelijk is dat de meeste bewoners van het appartementencomplex aan het slapen waren. Bij slapende bewoners is de kans groter dat zij worden overvallen door een plotselinge brand of rookontwikkelingen en niet meer tijdig kunnen vluchten. Het is dankzij ingrijpen van [getuige] die toevallig wakker was en een buurman die wakker werd van de brandlucht, dat de gevolgen van de brand beperkt zijn gebleven. Bovendien is het vuur niet vanzelf gedoofd en diende het zelfs na het adequate handelen van buren nog (verder) geblust te worden door de brandweer. Als de brand pas later was opgemerkt of als er minder adequaat was ingegrepen, had het slechter kunnen aflopen. De brand had dan immers kunnen overslaan naar andere brandbare objecten in het appartement, daarmee snel in hevigheid kunnen toenemen en ook de aangrenzende appartementen, inclusief aanwezige bewoners, in gevaar kunnen brengen. Het gaat daarbij niet alleen om levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel door vuur, maar ook door rook, waarvan in dit geval eveneens sprake was. De brand bevond zich immers al in een zodanig stadium dat de daarvan afkomstige rook al aan de achterzijde van de woning waarneembaar was en de brandweer met gasmaskers en zuurstofflessen naar binnen moest.

Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het, naar algemene ervaringsregels, ten tijde van de brandstichting voorzienbaar was dat door de brandstichting levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend is bewezen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 mei 2026 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan [adres] te [plaats] ), door in die woning open vuur in aanraking te brengen met gordijnen terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten gemeen gevaar voor voornoemde woning en naastgelegen woningen en de goederen die zich in/nabij voornoemde woning bevonden en de goederen die zich in/nabij van naastgelegen woningen bevonden, te duchten was, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor zich in en/of in de nabijheid van naastgelegen woningen bevindende personen te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie neemt de conclusie van de psycholoog over dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Zij vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Zij vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit om bij de strafoplegging de conclusies van de psycholoog over te nemen, inhoudende dat het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen is. Verzocht wordt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. De verdediging acht het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr (hierna: GVM) niet nodig.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft in de nacht opzettelijk brand gesticht in zijn appartement, waardoor er levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gevaar voor goederen is ontstaan. Ten tijde van de brandstichting waren meerdere bewoners van het appartementencomplex aanwezig. Brandstichting is een ernstig feit, omdat hierdoor onvoorspelbare, onbeheersbare en zeer gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Verdachte heeft het leven en de gezondheid van medebewoners van het appartementencomplex in gevaar gebracht. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven is slechts te danken aan adequaat ingrijpen van buren, waar verdachte het appartementencomplex had verlaten zonder hen te waarschuwen. Daarnaast veroorzaakt brandstichting gevoelens van angst, onveiligheid en onrust, specifiek voor de bewoners van het betreffende appartementencomplex, maar ook in het algemeen voor de samenleving als geheel.

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder voor soortgelijken zaken in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het psychologisch onderzoeksrapport van 11 augustus 2026 dat is opgesteld door [psycholoog] , psycholoog. Hieruit blijkt dat er bij verdachte sprake is van een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, stoornissen in het gebruik van alcohol (ernstig), cocaïne, speed (matig) en een depressieve stoornis. De genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Het advies van de psycholoog is om bij een bewezenverklaring het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Volgens de psycholoog was er door de ernstige stoornis in het gebruik van alcohol een beperkte mate van wilsvrijheid. Het risico op recidive wordt als matig ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen wordt geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit het behandelverleden van verdachte is duidelijk geworden dat zijn trajecten moeizaam zijn verlopen. Verdachte heeft in het verleden regelmatig hulp gezocht voor zijn problematiek, maar zodra hij deze hulp had bleek hij zelfbepalend, eisend en hield anderen op afstand. Dit is passend bij de persoonlijkheidsproblematiek, maar staat verslavingsbehandeling in de weg. Er dient daarom ingestoken te worden op behandeling van de onder de verslaving liggende problematiek, die telkens voor een terugval zorgt, maar ook de verslaving zelf. Er is volgens de psycholoog meer nodig dan alleen zicht op eigen gedrag en abstinentie. Er dient langdurige maatschappelijke begeleiding plaats te vinden om hernieuwd derailleren te voorkomen. Concreet adviseert de psycholoog een behandeling in een forensisch dubbeldiagnosekliniek op te leggen. Gezien de summiere justitiële voorgeschiedenis wordt een (voorwaardelijke) detentiestraf als middel om in behandeling te blijven voldoende geacht. Wel is van belang dat de ingezette begeleiding langdurig kan zijn indien behandelaren dat nodig achten. In die context wordt door de psycholoog het opleggen van een GVM in overweging gegeven.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en oordeelt dat het bewezenverklaarde feit verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 8 oktober 2026. Volgens de reclassering heeft verdachte de brand gesticht omdat hij hoopte op deze manier op een Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis (PAAZ) terecht te komen. Er is sprake van langdurig alcoholgebruik en sinds 2021 zijn verschillende trajecten, detox-opnames en klinische opnames ingezet die geen van alle beklijfden. Er is geen sprake van een delictpatroon. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld/matig. Net als de psycholoog acht de reclassering het van belang dat eerst wordt ingezet op de behandeling van de onderliggende problematiek, door middel van een klinische opname. Aansluitend wordt een ambulant behandeltraject noodzakelijk geacht, gericht op het beperken van het middelengebruik, het vergroten van de emotieregulatie en impulscontrole, het versterken van het krijgen van probleeminzicht en het op orde brengen van de praktische leefgebieden. Gelet op de aard van de problematiek en de noodzaak van gedragsverandering over een langere periode acht de reclassering een langdurig toezichtkader wenselijk. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf met een langdurige proeftijd en bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, klinische opname, aansluitende ambulante behandeling, middelencontrole en indien geïndiceerd begeleiding op het gebied van wonen en dagbesteding. De reclassering acht de mogelijkheden van een regulier voorwaardelijk kader op dit moment toereikend. De GVM die door de psycholoog in overweging is gegeven wordt door de reclassering niet geadviseerd.

Op 21 oktober 2026 heeft de reclassering per e-mail aan de rechtbank laten weten dat vanuit Dienst Individuele Zaken (hierna: DIZ) een plaatsing in de Forensische Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) [afdeling] geïndiceerd is. Ten tijde van de zitting is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer verdachte daar geplaatst kan worden.

De straf

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op voorkoming van herhaling, de aan de verdachte op te leggen straf toereikend ruimte zal moeten bieden voor een behandeling van verdachte. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke straf opleggen, waarbij het voorwaardelijk deel voldoende basis biedt voor het ondergaan van de noodzakelijke behandeling en begeleiding. Er lijkt bij verdachte nu wel sprake te zijn van intrinsieke motivatie om zich te laten behandelen, maar gelet op de eerdere mislukte behandelpogingen is een fors voorwaardelijk deel met een daarbij behorende langere proeftijd van belang als stok achter de deur. Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Daarbij legt de rechtbank aan verdachte de bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank zal niet bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, aangezien niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten daarvan. Gelet op het recidiverisico (omschreven als ‘gemiddeld/matig’ door de reclassering en ‘matig’ door de psycholoog), hoeft er niet ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen en gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Bij een klinische opname zullen de meldplichtcontacten in aanvang in de kliniek plaatsvinden;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door de zorginstelling FPA [afdeling] , of een soortgelijke zorginstelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren.

* dat verdachte als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt meewerkt aan indicatiestelling en plaatsing;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,

en mr. L.W. Louwerse en mr. A.K. Bloemendal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 5 november 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 12 mei 2026 te [plaats]
opzettelijk
brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan [adres] te [plaats] ),
door in die woning open vuur in aanraking te brengen met een of meerdere
gordijnen, althans enig goed,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten gemeen gevaar voor
voornoemde woning en/of naastgelegen woningen en/of de goederen die zich
in/nabij voornoemde woning bevonden en/of de goederen die zich in/nabij van
naastgelegen woningen bevonden, te duchten was, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor zich in en/of in de nabijheid van die woning/naastgelegen woningen
bevindende personen te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2026 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten gemeen gevaar voor
voornoemde woning en/of naastgelegen woningen en/of de goederen die zich
in/nabij voornoemde woning bevonden en/of de goederen die zich in/nabij de
naastgelegen woningen bevonden, te duchten was
en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor zich in en/of in de nabijheid van die woning/naastgelegen woningen
bevindende personen te duchten was,
in een woning (gelegen aan [adres] te [plaats] ) open vuur in aanraking
heeft gebracht met een of meerdere gordijnen, althans met enig goed,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van
Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )